Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2022-11-24
ECLI:NL:CRVB:2022:2540
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
2,590 tokens
Inleiding
21 2420 ZW
Datum uitspraak: 24 november 2022
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 31 mei 2021, 20/2549 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Procesverloop
Namens appellant heeft mr. W.A. van Sambeek, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Partijen hebben nadere stukken ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 augustus 2022. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Van Sambeek. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A. Anandbahadoer. De zaak is gevoegd behandeld met de zaak 22/1601 WIA. Na de zitting zijn de zaken weer gesplitst. In de zaak 22/1601 WIA is op 5 oktober 2022 afzonderlijk uitspraak gedaan (ECLI:NL:CRVB:2022:2171).
Het onderzoek in de zaak 21/2420 ZW is geschorst teneinde het Uwv in de gelegenheid te stellen te reageren op het commentaar van 15 augustus 2022 van drs. J.J.B. Batelaan, arts arbeid en gezondheid van het Expertise Orgaan, op het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 1 december 2021. Het Uwv heeft op 7 september 2022 een reactie van 6 september 2022 van een verzekeringsarts bezwaar en beroep ingediend.
Onder toepassing van artikel 8:64, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is een nader onderzoek ter zitting achterwege gebleven, waarna de Raad het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, van de Awb heeft gesloten.
Overwegingen
1.1.
Appellant is voor het laatst werkzaam geweest als leerling-machinist voor 36 uur per week. Vanuit de situatie dat hij een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) ontving, heeft hij zich op 23 februari 2018 ziek gemeld met psychische klachten. Het Uwv heeft aan appellant een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) toegekend.
1.2.
In het kader van een eerstejaars ZW-beoordeling (EZWb) heeft appellant het spreekuur bezocht van een verzekeringsarts. Deze arts heeft appellant belastbaar geacht met inachtneming van de beperkingen die zijn neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 18 september 2019. Een arbeidsdeskundige heeft vastgesteld dat appellant niet in staat is zijn eigen werk te verrichten. Zij heeft vervolgens vijf functies geselecteerd en op basis van de drie functies met de hoogste lonen berekend dat appellant nog 67,97% van zijn zogeheten maatmaninkomen zou kunnen verdienen. Het Uwv heeft bij besluit van 3 oktober 2019 de ZW-uitkering van appellant met ingang van 4 november 2019 beëindigd, omdat hij meer dan 65% kan verdienen van het loon dat hij verdiende voordat hij ziek werd. Appellant heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt.
1.3.
In bezwaar heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep, na ingewonnen informatie bij de behandelend sector, aanleiding gezien om op 23 maart 2020 de FML aan te passen. Een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft met inachtneming van de aangepaste FML een functie geschrapt en geconcludeerd dat appellant ongewijzigd meer dan 65% van het maatmaninkomen kan verdienen. Met verwijzing naar de rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 23 maart 2020 en de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 24 maart 2020 heeft het Uwv het bezwaar bij besluit van 25 maart 2020 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.
2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geen reden gezien om te oordelen dat het medisch onderzoek niet voldoende zorgvuldig is verricht en niet aan de daaraan te stellen eisen voldoet. Ook ziet de rechtbank geen aanleiding om aan het medisch oordeel van de verzekeringsarts bezwaar en beroep te twijfelen. Uitgaande van de juistheid van de medische beoordeling heeft de rechtbank geen grond gezien voor het oordeel dat de functies in medisch opzicht ongeschikt zijn voor appellant.
3.1.
In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat het Uwv een onjuiste medische en arbeidskundige beoordeling heeft uitgevoerd. Hij acht zich meer beperkt dan in de FML aan functionele mogelijkheden is vastgelegd. In het bijzonder acht hij een urenbeperking aangewezen. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft hij verwezen naar een contraexpertise van 17 en 19 september 2021, verricht door drs. J.J.B. Batelaan, arts arbeid en gezondheid, en C. Overduin, arbeidsdeskundige, van het Expertise Orgaan. Appellant heeft met een beroep op de uitspraak van de Raad van 30 juni 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:2226, verzocht om inschakeling van een deskundige.
3.2.
Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen onder verwijzing naar het rapport van 1 december 2021 van de verzekeringsarts bezwaar en beroep.
4. De Raad oordeelt als volgt.
4.1.
Op grond van artikel 19aa, eerste lid, van de ZW heeft een verzekerde zonder werkgever, na 52 weken ongeschiktheid tot werken, recht op ziekengeld als hij nog steeds ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid en hij als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebrek slechts in staat is met arbeid ten hoogste 65% te verdienen van het maatmaninkomen per uur. Op grond van artikel 19aa, vijfde lid, van de ZW wordt onder het maatmaninkomen verstaan hetgeen gezonde personen met soortgelijke opleiding en ervaring, ter plaatse waar hij arbeid verricht of het laatst heeft verricht, of in de omgeving daarvan met arbeid gewoonlijk verdienen. Op grond van artikel 19ab, eerste en derde lid, van de ZW wordt het percentage van het maatmaninkomen dat de verzekerde kan verdienen, bedoeld in artikel 19aa van de ZW, vastgesteld op basis van een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek en wordt onder arbeid als bedoeld in artikel 19aa van de ZW verstaan alle algemeen geaccepteerde arbeid waartoe een verzekerde met zijn krachten en bekwaamheden in staat is. Voor de beoordelingssystematiek waarmee de verdiencapaciteit na het eerste ziektejaar wordt bepaald, wordt zoveel mogelijk aangesloten bij de huidige uitvoeringssystematiek van de Wet WIA, waarbij aan de hand van geschikte functies wordt vastgesteld of de betrokkene beschikt over resterende verdiencapaciteit (zie de uitspraak van de Raad van 30 december 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:4920).
4.2.
In geschil is of het Uwv terecht met ingang van 4 november 2019 de ZW-uitkering van appellant heeft beëindigd, omdat hij meer dan 65% kan verdienen van het loon dat hij verdiende voordat hij ziek werd.
4.3.
De Raad heeft in zijn uitspraak van 30 juni 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:2226, gelet op het arrest Korošec, de uitgangspunten uiteengezet voor de toetsing door de bestuursrechter van de beoordeling door verzekeringsartsen van het Uwv. Het beroep van appellant op het arrest Korošec is aanleiding te oordelen over de in die uitspraak te onderscheiden stappen, namelijk allereerst de beoordeling of sprake is geweest van zorgvuldige besluitvorming, vervolgens of sprake is geweest van equality of arms tussen partijen, waarna als derde stap een inhoudelijke beoordeling van het bestreden besluit volgt.
4.4.
De rechtbank heeft met juistheid geoordeeld dat het onderzoek door de verzekeringsartsen van het Uwv voldoende zorgvuldig is geweest. De overwegingen die daaraan ten grondslag zijn gelegd, worden geheel onderschreven. Niet is gebleken dat de verzekeringsartsen van het Uwv aspecten van de gezondheidssituatie van appellant op de datum in geding hebben gemist.
4.5.
Er is geen reden om aan te nemen dat appellant belemmeringen heeft ondervonden bij de onderbouwing van zijn standpunt dat hij meer beperkt is dan door het Uwv is aangenomen. Vastgesteld wordt dat het dossier naast rapporten van de verzekeringsartsen van het Uwv ook in ruime mate informatie bevat van de behandelaars van appellant. Deze stukken en de door appellant ingebrachte expertise door het Expertise Orgaan bevatten relevante informatie over de klachten van appellant en onderzoeksbevindingen over appellant. Niet gezegd kan worden dat deze informatie en expertise naar hun aard niet geschikt zijn om twijfel te zaaien over de beoordeling door het Uwv.
4.6.
Met juistheid heeft de rechtbank geconcludeerd dat er geen aanleiding bestaat om te twijfelen aan het standpunt van de verzekeringsarts bezwaar en beroep over de beperkingen van appellant op de datum in geding. In de in hoger beroep overgelegde stukken van de door arts Batelaan verrichte contra-expertise zijn geen aanknopingspunten te vinden voor een ander oordeel. Batelaan heeft in zijn rapport van 17 september 2021 uiteengezet dat er meer beperkingen moeten worden aangenomen op de datum in geding in de rubrieken persoonlijk en sociaal functioneren als gevolg van de door de behandelaren gestelde diagnose persoonlijkheidsstoornis met ontwijkende en afhankelijke trekken. Een beperking voor het hanteren van emotionele problemen van anderen is aangewezen vanwege de recidiverende depressies. Gezien het doorgemaakte hartinfarct moet er rekening mee worden gehouden dat arbeid geen al te zwaar fysiek karakter kent. Daarnaast moet met name om preventieve redenen een urenrestrictie worden aangenomen. In haar rapport van 1 december 2021 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep geconcludeerd dat de expertise van Batelaan geen aanleiding is om ten aanzien van de beperkingen een ander standpunt in te nemen.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door E. Dijt, in tegenwoordigheid van A.M. Geurtsen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 november 2022.
(getekend) E. Dijt
(getekend) A.M. Geurtsen