Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2022-11-24
ECLI:NL:CRVB:2022:2505
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
4,774 tokens
Inleiding
21473 WLZ
Datum uitspraak: 24 november 2022
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 21 december 2020, 20/1112 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellante] te [woonplaats] (Suriname) (appellante)
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)
Procesverloop
Namens appellante heeft I.R. Tjon-Fo hoger beroep ingesteld.
De Svb heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 september 2022. Appellante heeft zich laten vertegenwoordigen door [X] De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. N. Diamant.
Overwegingen
1.1.
Appellante heeft op 25 juni 2018 aan de Svb doorgegeven dat zij op 28 juni 2018 met haar partner verhuist naar Suriname. Op 25 juli 2018 heeft zij aan de Svb meegedeeld dat zij en haar man vanaf 28 juni woonachtig zijn in Suriname. De partner van appellante is in 2018 overleden.
1.2.
Appellante heeft op 9 februari 2019 bij de Svb een onderzoek verzekering Wet langdurige zorg (Wlz) aangevraagd. Op 9 februari 2019 heeft zij een formulier Onderzoek verzekering Wlz ingevuld en gemeld dat zij vanaf 26 juni 2018 niet in Nederland woont maar in Suriname. Bij besluit van 26 juni 2019 heeft de Svb beslist dat appellante met ingang van 28 juni 2018 niet verzekerd is voor de Wlz omdat zij niet in Nederland woont. Appellante heeft daartegen op 16 augustus 2019 bezwaar gemaakt. Zij heeft gesteld dat het voor haar gezondheid beter is om in een tropisch klimaat te verblijven. Haar pijnklachten verminderen daardoor. Vanwege gezondheidsredenen kan appellante niet meer zelfstandig in Nederland wonen. In Suriname heeft zij familie om zich heen die zorgt voor eerste levensbehoeften zoals wassen, aankleden en voeding. Bij besluit van 21 augustus 2019 heeft de Svb het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard omdat het te laat is ingediend en er geen geldige reden is voor de termijnoverschrijding.
1.3.
Appellante heeft in een telefoongesprek op 19 augustus 2019 verzocht om haar bezwaarschrift als herzieningsverzoek aan te merken. Bij besluit van 30 augustus 2019 heeft de Svb dit herzieningsverzoek onder verwijzing naar artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) afgewezen omdat appellante in haar verzoek geen nieuwe informatie heeft vermeld. In haar bezwaarschrift dat appellante heeft ingediend tegen het besluit van 30 augustus 2019 heeft appellante vermeld dat zij tachtig jaar is en het niet kan opbrengen om permanent in Nederland te wonen. Zij komt minimaal twee maal per jaar naar Nederland.
1.4.
Bij besluit van 7 november 2019 (bestreden besluit) heeft de Svb het bezwaar tegen het besluit van 30 augustus 2019 ongegrond verklaard. De Svb heeft daaraan ten grondslag gelegd dat het besluit van 26 juni 2019 niet kan worden herzien omdat appellante geen nieuwe feiten of omstandigheden heeft aangevoerd. De beslissing van 26 juni 2019 was ook niet onmiskenbaar onjuist. Daarnaast heeft de Svb beoordeeld of appellante vanaf 16 augustus 2019, de datum van het herzieningsverzoek, als ingezetene van Nederland kan worden aangemerkt. Dit is volgens de Svb niet het geval. Appellante staat niet meer in Nederland ingeschreven, beschikt niet meer over zelfstandige woonruimte en heeft geen bezittingen meer in Nederland. Als appellante in Nederland is verblijft zij op het adres van haar dochter. Verder heeft appellante meerdere keren aangegeven dat zij ervoor heeft gekozen om in Suriname te gaan wonen en dat zij daar ook ingeschreven staat. Dat zij in Nederland naar de huisarts gaat en hier haar medicijnen ophaalt, maakt dit niet anders.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank leidt uit de verklaringen van appellante af dat zij de intentie had om definitief naar Suriname te vertrekken. Het totaalbeeld van alle relevante omstandigheden bevestigt dat het vertrek een definitief karakter heeft. Appellante woont in Suriname bij een neef die haar ook verzorgt, samen met een elders wonende dochter, en heeft een huisarts in Suriname. Appellante heeft wisselende verklaringen afgelegd over de vraag hoe vaak zij naar Nederland komt. Op de zitting is komen vast te staan dat zij sinds haar vertrek eenmaal in Nederland is geweest voor een periode van iets langer dan een maand. Appellante wil naar Nederland blijven komen om contact te houden met haar kinderen en kleinkinderen. De feitelijke periode die appellante bij haar dochter in Nederland is, is naar het oordeel van de rechtbank zo kort dat er niet kan worden gesproken van inwoning. Er zijn verder geen andere omstandigheden aangevoerd, waaruit blijkt dat appellante een duurzame band van persoonlijke aard met Nederland heeft. De Svb heeft de persoonlijke omstandigheden van appellante in de besluitvorming betrokken en terecht geconcludeerd dat appellante niet als ingezetene kan worden aangemerkt. Als eenmaal is vastgesteld dat appellante niet is verzekerd voor de Wlz, is er geen ruimte om op grond van bijzondere omstandigheden appellante alsnog als verzekerde aan te merken. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel slaagt niet, omdat appellante dit niet voldoende heeft onderbouwd. Ook het beroep op het vertrouwensbeginsel slaagt niet. Van een toezegging waaraan appellante het vertrouwen heeft kunnen ontlenen dat zij in Suriname verzekerd kon zijn voor de Wlz, is niet gebleken. Een schriftelijke toezegging hiertoe is niet gedaan en uit de door appellante aangevoerde feiten en omstandigheden is een mondelinge ondubbelzinnige toezegging niet af te leiden.
3. Appellante heeft zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd en gesteld dat de onvoldoende rekening is gehouden met de reisbeperkingen als gevolg van covid-19. Voorts hebben de rechtbank en de Svb geen maatwerk geleverd terwijl sprake is van een wereldwijde noodsituatie.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Ingevolge artikel 2.1.3. van de Wlz stelt de Svb op aanvraag vast of een natuurlijke persoon voldoet aan de bij of krachtens de artikelen 2.1.1 of 2.1.2 vastgestelde voorwaarden voor het verzekerd zijn ingevolge deze wet. In artikel 2.1.1. is bepaald – voor zover hier van belang – dat verzekerd is degene, die ingezetene is. Ingezetene is degene die in Nederland woont (artikel 1.2.1. van de Wlz) en waar iemand woont wordt naar de omstandigheden beoordeeld (artikel 1.2.2. van de Wlz).
4.2.
In het besluit van 26 juni 2019 heeft de Svb beslist dat appellante met ingang van 28 juni 2018 niet verzekerd is voor de Wlz omdat zij niet in Nederland woont. Het verzoek van 16 augustus 2019 strekt ertoe dat de Svb terugkomt van het besluit van 26 juni 2019. Op een dergelijk verzoek is artikel 4:6 van de Awb van overeenkomstige toepassing.
4.3.
Uit de uitspraak van de Raad van 20 december 2016 (ECLI:NL:CRVB:2016:4872) vloeit het volgende voort. Uitgangspunt is dat een bestuursorgaan in het algemeen bevoegd is om, naar aanleiding van een verzoek om terug te komen van een besluit, het oorspronkelijke besluit in volle omvang te heroverwegen. Het bestuursorgaan kan zo’n verzoek inwilligen of afwijzen, ook als de rechtzoekende aan zijn verzoek geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden ten grondslag heeft gelegd. Het bestuursorgaan kan er ingevolge artikel 4:6, tweede lid, van de Awb ook nog steeds voor kiezen om, als er volgens hem geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn, het verzoek om terug te komen van een besluit af te wijzen onder verwijzing naar het eerdere besluit. Als het bestuursorgaan aldus – overeenkomstige – toepassing geeft aan artikel 4:6, tweede lid, van de Awb, dan toetst de bestuursrechter aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden en het eventueel door het bestuursorgaan gevoerde beleid, of het bestuursorgaan zich terecht, en zorgvuldig voorbereid en deugdelijk gemotiveerd, op het standpunt heeft gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn. Als de bestuursrechter tot het oordeel komt dat het bestuursorgaan zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn, dan kan dat de afwijzing van het verzoek om terug te komen van een besluit in beginsel dragen. De bestuursrechter kan aan de hand van wat de rechtzoekende heeft aangevoerd evenwel tot het oordeel komen dat het besluit op het verzoek om terug te komen van een eerder besluit evident onredelijk is.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door E.E.V. Lenos, in tegenwoordigheid van L.C. van Bentum als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 november 2022.
(getekend) E.E.V. Lenos
(getekend) L.C. van Bentum
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH Den Haag) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over het begrip ingezetene.
Inleiding
21473 WLZ
Datum uitspraak: 24 november 2022
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 21 december 2020, 20/1112 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellante] te [woonplaats] (Suriname) (appellante)
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)
Procesverloop
Namens appellante heeft I.R. Tjon-Fo hoger beroep ingesteld.
De Svb heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 september 2022. Appellante heeft zich laten vertegenwoordigen door [X] De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. N. Diamant.
Overwegingen
1.1.
Appellante heeft op 25 juni 2018 aan de Svb doorgegeven dat zij op 28 juni 2018 met haar partner verhuist naar Suriname. Op 25 juli 2018 heeft zij aan de Svb meegedeeld dat zij en haar man vanaf 28 juni woonachtig zijn in Suriname. De partner van appellante is in 2018 overleden.
1.2.
Appellante heeft op 9 februari 2019 bij de Svb een onderzoek verzekering Wet langdurige zorg (Wlz) aangevraagd. Op 9 februari 2019 heeft zij een formulier Onderzoek verzekering Wlz ingevuld en gemeld dat zij vanaf 26 juni 2018 niet in Nederland woont maar in Suriname. Bij besluit van 26 juni 2019 heeft de Svb beslist dat appellante met ingang van 28 juni 2018 niet verzekerd is voor de Wlz omdat zij niet in Nederland woont. Appellante heeft daartegen op 16 augustus 2019 bezwaar gemaakt. Zij heeft gesteld dat het voor haar gezondheid beter is om in een tropisch klimaat te verblijven. Haar pijnklachten verminderen daardoor. Vanwege gezondheidsredenen kan appellante niet meer zelfstandig in Nederland wonen. In Suriname heeft zij familie om zich heen die zorgt voor eerste levensbehoeften zoals wassen, aankleden en voeding. Bij besluit van 21 augustus 2019 heeft de Svb het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard omdat het te laat is ingediend en er geen geldige reden is voor de termijnoverschrijding.
1.3.
Appellante heeft in een telefoongesprek op 19 augustus 2019 verzocht om haar bezwaarschrift als herzieningsverzoek aan te merken. Bij besluit van 30 augustus 2019 heeft de Svb dit herzieningsverzoek onder verwijzing naar artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) afgewezen omdat appellante in haar verzoek geen nieuwe informatie heeft vermeld. In haar bezwaarschrift dat appellante heeft ingediend tegen het besluit van 30 augustus 2019 heeft appellante vermeld dat zij tachtig jaar is en het niet kan opbrengen om permanent in Nederland te wonen. Zij komt minimaal twee maal per jaar naar Nederland.
1.4.
Bij besluit van 7 november 2019 (bestreden besluit) heeft de Svb het bezwaar tegen het besluit van 30 augustus 2019 ongegrond verklaard. De Svb heeft daaraan ten grondslag gelegd dat het besluit van 26 juni 2019 niet kan worden herzien omdat appellante geen nieuwe feiten of omstandigheden heeft aangevoerd. De beslissing van 26 juni 2019 was ook niet onmiskenbaar onjuist. Daarnaast heeft de Svb beoordeeld of appellante vanaf 16 augustus 2019, de datum van het herzieningsverzoek, als ingezetene van Nederland kan worden aangemerkt. Dit is volgens de Svb niet het geval. Appellante staat niet meer in Nederland ingeschreven, beschikt niet meer over zelfstandige woonruimte en heeft geen bezittingen meer in Nederland. Als appellante in Nederland is verblijft zij op het adres van haar dochter. Verder heeft appellante meerdere keren aangegeven dat zij ervoor heeft gekozen om in Suriname te gaan wonen en dat zij daar ook ingeschreven staat. Dat zij in Nederland naar de huisarts gaat en hier haar medicijnen ophaalt, maakt dit niet anders.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank leidt uit de verklaringen van appellante af dat zij de intentie had om definitief naar Suriname te vertrekken. Het totaalbeeld van alle relevante omstandigheden bevestigt dat het vertrek een definitief karakter heeft. Appellante woont in Suriname bij een neef die haar ook verzorgt, samen met een elders wonende dochter, en heeft een huisarts in Suriname. Appellante heeft wisselende verklaringen afgelegd over de vraag hoe vaak zij naar Nederland komt. Op de zitting is komen vast te staan dat zij sinds haar vertrek eenmaal in Nederland is geweest voor een periode van iets langer dan een maand. Appellante wil naar Nederland blijven komen om contact te houden met haar kinderen en kleinkinderen. De feitelijke periode die appellante bij haar dochter in Nederland is, is naar het oordeel van de rechtbank zo kort dat er niet kan worden gesproken van inwoning. Er zijn verder geen andere omstandigheden aangevoerd, waaruit blijkt dat appellante een duurzame band van persoonlijke aard met Nederland heeft. De Svb heeft de persoonlijke omstandigheden van appellante in de besluitvorming betrokken en terecht geconcludeerd dat appellante niet als ingezetene kan worden aangemerkt. Als eenmaal is vastgesteld dat appellante niet is verzekerd voor de Wlz, is er geen ruimte om op grond van bijzondere omstandigheden appellante alsnog als verzekerde aan te merken. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel slaagt niet, omdat appellante dit niet voldoende heeft onderbouwd. Ook het beroep op het vertrouwensbeginsel slaagt niet. Van een toezegging waaraan appellante het vertrouwen heeft kunnen ontlenen dat zij in Suriname verzekerd kon zijn voor de Wlz, is niet gebleken. Een schriftelijke toezegging hiertoe is niet gedaan en uit de door appellante aangevoerde feiten en omstandigheden is een mondelinge ondubbelzinnige toezegging niet af te leiden.
3. Appellante heeft zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd en gesteld dat de onvoldoende rekening is gehouden met de reisbeperkingen als gevolg van covid-19. Voorts hebben de rechtbank en de Svb geen maatwerk geleverd terwijl sprake is van een wereldwijde noodsituatie.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Ingevolge artikel 2.1.3. van de Wlz stelt de Svb op aanvraag vast of een natuurlijke persoon voldoet aan de bij of krachtens de artikelen 2.1.1 of 2.1.2 vastgestelde voorwaarden voor het verzekerd zijn ingevolge deze wet. In artikel 2.1.1. is bepaald – voor zover hier van belang – dat verzekerd is degene, die ingezetene is. Ingezetene is degene die in Nederland woont (artikel 1.2.1. van de Wlz) en waar iemand woont wordt naar de omstandigheden beoordeeld (artikel 1.2.2. van de Wlz).
4.2.
In het besluit van 26 juni 2019 heeft de Svb beslist dat appellante met ingang van 28 juni 2018 niet verzekerd is voor de Wlz omdat zij niet in Nederland woont. Het verzoek van 16 augustus 2019 strekt ertoe dat de Svb terugkomt van het besluit van 26 juni 2019. Op een dergelijk verzoek is artikel 4:6 van de Awb van overeenkomstige toepassing.
4.3.
Uit de uitspraak van de Raad van 20 december 2016 (ECLI:NL:CRVB:2016:4872) vloeit het volgende voort. Uitgangspunt is dat een bestuursorgaan in het algemeen bevoegd is om, naar aanleiding van een verzoek om terug te komen van een besluit, het oorspronkelijke besluit in volle omvang te heroverwegen. Het bestuursorgaan kan zo’n verzoek inwilligen of afwijzen, ook als de rechtzoekende aan zijn verzoek geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden ten grondslag heeft gelegd. Het bestuursorgaan kan er ingevolge artikel 4:6, tweede lid, van de Awb ook nog steeds voor kiezen om, als er volgens hem geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn, het verzoek om terug te komen van een besluit af te wijzen onder verwijzing naar het eerdere besluit. Als het bestuursorgaan aldus – overeenkomstige – toepassing geeft aan artikel 4:6, tweede lid, van de Awb, dan toetst de bestuursrechter aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden en het eventueel door het bestuursorgaan gevoerde beleid, of het bestuursorgaan zich terecht, en zorgvuldig voorbereid en deugdelijk gemotiveerd, op het standpunt heeft gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn. Als de bestuursrechter tot het oordeel komt dat het bestuursorgaan zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn, dan kan dat de afwijzing van het verzoek om terug te komen van een besluit in beginsel dragen. De bestuursrechter kan aan de hand van wat de rechtzoekende heeft aangevoerd evenwel tot het oordeel komen dat het besluit op het verzoek om terug te komen van een eerder besluit evident onredelijk is.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door E.E.V. Lenos, in tegenwoordigheid van L.C. van Bentum als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 november 2022.
(getekend) E.E.V. Lenos
(getekend) L.C. van Bentum
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH Den Haag) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over het begrip ingezetene.