Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2022-11-08
ECLI:NL:CRVB:2022:2453
Bestuursrecht
Hoger beroep
746 tokens
Inleiding
21243 PW-PV
Datum uitspraak: 8 november 2022
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 9 december 2020, 1/3045 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Opsterland (college)
Zitting heeft: M. Hillen
Griffier: Y.S.S. Fatni
Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. K.A. Faber, advocaat. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door J. Hiemstra.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.
In geding is de terugvordering van bijstand met toepassing van artikel 58, tweede lid, aanhef en onder f, ten eerste, van de Participatiewet (PW) tot een bedrag van € 1.233,10 van appellant na de ontvangst van een belastingteruggaaf van de Belastingdienst.
Appellant ontving, voor zover van belang, van 1 januari 2017 tot 17 oktober 2017 bijstand ingevolge de PW. Met ingang van 17 oktober 2017 ontvangt appellant een ouderdomspensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW).
Niet in geschil is dat appellant over het jaar 2017 van de Belastingdienst een teruggaaf inkomstenbelasting heeft ontvangen tot een bedrag van € 1.555,- en dat deze teruggaaf betrekking heeft op de zogeheten (alleenstaande) ouderenkorting. Het college heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat deze korting als heffingskorting moet worden toegerekend aan – in dit geval – het kalenderjaar 2017. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 21 juli 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:1537. Ingevolge artikel 31, eerste lid, derde volzin, van de PW behoort in elk geval tot de middelen de toepasselijke heffingskorting, zoals in dit geval de (alleenstaande) ouderenkorting. Het college heeft de door appellant ontvangen belastingteruggave in verband met deze heffingskorting naar rato toegerekend aan de periode waarover de bijstand is verleend. De beroepsgrond van appellant dat hij niet eerder dan bij het bereiken van de AOW-leeftijd recht had op de (alleenstaande) ouderenkorting en dat daarom geen sprake is van middelen over een periode waarin hij bijstand ontving, slaagt derhalve niet. Het college was bevoegd tot terugvordering.
Dit betekent dat het hoger beroep niet slaagt.
Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
Waarvan proces-verbaal.
De griffier Het lid van de enkelvoudige kamer
Y.S.S. Fatni (getekend) M. Hillen (getekend)