Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2022-10-19
ECLI:NL:CRVB:2022:2258
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
2,340 tokens
Inleiding
21 1794 WIA
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 29 maart 2021, 20/3396 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 13 oktober 2022
Procesverloop
Namens appellant heeft [gemachtigde] hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 augustus 2022. Namens appellant is [gemachtigde] verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A.M.M. Schalkwijk .
Overwegingen
1.1.
Appellant is werkzaam geweest als marketing-, relatie- en kwaliteitsmanager voor 40,62 uur per week. Op 24 augustus 2006 heeft hij zich ziekgemeld vanwege whiplashklachten als gevolg van een verkeersongeval op 31 maart 2004. In het kader van een aanvraag op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) heeft appellant het spreekuur van een verzekeringsarts bezocht. Deze arts heeft na onderzoek vastgesteld dat appellant belastbaar is met inachtneming van de beperkingen, zoals neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 10 november 2008. In het rapport van 10 november 2008, onder punt 6 “Planning”, heeft de verzekeringsarts vermeld dat de casus wordt overgedragen aan een arbeidsdeskundige en dat een heronderzoek aan de orde is over één jaar. Vervolgens heeft een arbeidsdeskundige geen passende functies kunnen selecteren en is aan appellant met ingang van 21 augustus 2008 een loongerelateerde WGA-uitkering toegekend, waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op 100%. Na het einde van de loongerelateerde WGA-uitkering is deze uitkering bij besluit van 24 november 2009 met ingang van 21 mei 2010 omgezet in een WGA-loonaanvullingsuitkering, eveneens naar volledige arbeidsongeschiktheid. Tegen dit besluit is geen bezwaar gemaakt.
1.2.
Naar aanleiding van een herbeoordeling in 2014 heeft het Uwv na een verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek bij besluit van 26 februari 2014 vastgesteld dat het arbeidsongeschiktheidspercentage is gewijzigd naar 47,53% en daarbij bepaald dat de hoogte van WGA-loonaanvullingsuitkering niet wijzigt tot 1 maart 2016. Het bezwaar van appellant tegen dit besluit heeft het Uwv bij besluit van 28 oktober 2014 ongegrond verklaard, waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid is gewijzigd naar 49,75%. Tegen dit besluit is geen beroep ingesteld.
1.3.
Bij besluit van 2 februari 2016 heeft het Uwv de WGA-loonaanvullingsuitkering met ingang van 1 maart 2016 beëindigd en met ingang van die datum omgezet naar een WGAvervolguitkering. De vervolgens door appellant ingestelde bezwaar-, beroeps- en hogerberoepsprocedure heeft geleid tot de uitspraak van de Raad van 8 maart 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:489, waarin is bepaald dat het Uwv een nieuwe beslissing op bezwaar dient te nemen met inachtneming van wat in de uitspraak is overwogen. Ter uitvoering van deze uitspraak heeft het Uwv bij gewijzigd besluit van 21 april 2021 aan appellant met ingang van 1 maart 2016 een IVA-uitkering toegekend.
1.4.
Bij brief van 4 augustus 2019 heeft appellant, voor zover in deze hogerberoepsprocedure van belang, het Uwv verzocht alsnog de in het rapport van 10 november 2008 door de verzekeringsarts aangezegde herbeoordeling uit te voeren per november 2009. Appellant heeft daarbij opgemerkt dat in 2008 ten onrechte niet is beoordeeld of de volledige arbeidsongeschiktheid ook als duurzaam moet worden beschouwd en dat daarom per november 2009 alsnog de duurzaamheid van de arbeidsbeperkingen beoordeeld dient te worden. Bij besluit van 11 december 2019 heeft het Uwv geen aanleiding gezien de herbeoordeling per november 2009 uit te voeren, omdat appellant geen nieuw medisch feit heeft aangedragen waaruit zou blijken dat sprake zou zijn van een wijziging in de medische situatie van appellant per november 2009.
1.5.
Appellant heeft daartegen aangevoerd dat een aangezegde herbeoordeling dient plaats te vinden en dat het Uwv onzorgvuldig heeft gehandeld door deze herbeoordeling niet uit te voeren. Bij besluit van 4 augustus 2020 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant ongegrond verklaard. Daartoe heeft het Uwv overwogen dat appellant geen procesbelang heeft bij zijn verzoek om een herbeoordeling in 2009, omdat door de rechtens vaststaande mate van arbeidsongeschiktheid in 2014 van 49,75% een herbeoordeling over de situatie in 2009 niet kan leiden tot de toekenning van een IVA-uitkering.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd voor zover het ziet op de dwangsom voor het niet tijdig beslissen op bezwaar en bepaald dat de uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het bestreden besluit. Omtrent het verzoek om alsnog een herbeoordeling per november 2009 uit te voeren heeft de rechtbank geoordeeld dat de beroepsgronden van appellante niet slagen. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat het Uwv wordt gevolgd in het standpunt dat appellant geen procesbelang heeft bij een herbeoordeling per november 2009. De rechtbank heeft de redenering van het Uwv, inhoudende dat de wetenschap van nu dat de mate van arbeidsongeschiktheid in 2014 minder bedraagt dan 80-100% kan niet leiden tot toekenning van een IVA-uitkering in 2009, gevolgd. Hierbij heeft de rechtbank meegewogen dat de verzekeringsarts in 2008 heeft overwogen dat appellant niet op medische gronden volledig arbeidsongeschikt (geen benutbare mogelijkheden) te beschouwen is en dat de verzekeringsarts in 2008 heeft overwogen dat de verwachting is dat de medische situatie op lange termijn wezenlijk zal verbeteren en de functionele mogelijkheden op lange termijn wezenlijk zullen toenemen. De door de verzekeringsarts aangezegde herbeoordeling had dus als doel om te beoordelen of sprake was van een verbetering van de functionele mogelijkheden. Appellant heeft niet aangevoerd dat zijn situatie in 2009 dusdanig was veranderd dat zijn belastbaarheid destijds anders zou zijn. Ten overvloede heeft de rechtbank overwogen dat de besluiten over de mate van arbeidsongeschiktheid in 2008 als ook in 2014 in rechte vast staan, nu niet is gebleken dat daartegen bezwaar respectievelijk beroep is ingesteld. Als appellant van mening is dat de besluiten uit 2008 en 2014 onjuist zijn en het Uwv daarop dient terug te komen, dan is het aan appellant om in een verzoek aan het Uwv nieuwe feiten en omstandigheden aan te voeren en te onderbouwen.
3.1.
Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd procesbelang te hebben bij het besluit van 11 december 2019, omdat hij meent dat hij reeds per november 2009 in aanmerking dient te komen voor een IVA-uitkering. Ook heeft appellant het standpunt van het Uwv bestreden dat hij geen feiten heeft aangevoerd op grond waarvan hij per november 2009 al dusdanige medische problemen met een blijvend karakter had waardoor hij recht dient te hebben op een IVA-uitkering. In dit verband heeft appellant verwezen naar een expertise van psychiater dr. N. Kaymaz, ingebracht in de procedure omtrent de beëindiging van de uitkering per 1 maart 2016. Ook de door de Raad in die procedure ingestelde deskundige prof. dr. Van Marle kan worden verzocht over de situatie per november 2009 te rapporteren. Appellant was vanaf 2008 al volledig arbeidsongeschikt. De verzekeringsarts heeft toen nagelaten om de duurzaamheid van de klachten vast te stellen en daarom heeft de verzekeringsarts in het rapport van 10 november 2008 een herbeoordeling aangezegd. Deze herbeoordeling is ten onrechte niet uitgevoerd in 2009. In de Memorie van Toelichting bij de Wet WIA (Tweede Kamer, vergaderjaar 2004-2005, 30 034, nr. 3. p. 34) is volgens appellant de rechtsplicht gelegen om alsnog een aangezegde herbeoordeling uit te voeren. Hieruit blijkt dat de zogenaamde professionele herbeoordelingen blijven bestaan op grond waarvan aangezegde herbeoordeling ook moet worden uitgevoerd.
3.2.
Het Uwv heeft opgemerkt dat vanwege de verwachting dat de medische situatie op lange termijn wezenlijk zal verbeteren en de functionele mogelijkheden tot het verrichten van arbeid op lange termijn wezenlijk zullen toenemen, de verzekeringsarts in het rapport van 10 november 2008 een herbeoordeling heeft gepland over één jaar. Deze herbeoordeling was niet ingegeven om de duurzaamheid van de volledige arbeidsongeschiktheid te beoordelen.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.
Deze uitspraak is gedaan door M.E. Fortuin voorzitter, in tegenwoordigheid van K.M. Geerman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 oktober 2022.
(getekend) M.E. Fortuin
(getekend) K.M. Geerman