Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2022-10-13
ECLI:NL:CRVB:2022:2203
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
957 tokens
Inleiding
213784 AKW
Datum uitspraak: 13 oktober 2022
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het verzoek om herziening van de uitspraak van de Raad van 29 juli 2021, 20/1956 AKW
Partijen:
[verzoeker] te [woonplaats], Marokko (verzoeker)
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)
Procesverloop
Verzoeker heeft gevraagd om herziening van de uitspraak van de Raad van 29 juli 2021 (ECLI:NL:CRVB:2021:2078).
De Svb heeft een reactie ingezonden op het herzieningsverzoek.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 september 2022. Partijen zijn niet verschenen.
Overwegingen
1.1.
De Svb heeft verzoeker op 2 mei 2017 laten weten dat hij vanaf het derde kwartaal van 2017 geen recht meer heeft op kinderbijslag op grond van de Algemene Kinderbijslagwet. In april 2018 en juli 2018 heeft verzoeker gevraagd waarom de kinderbijslag was opgeschort. Daarop heeft de Svb gereageerd in een brief van 3 augustus 2018 en daarbij een kopie van het besluit van 2 mei 2017 meegezonden. De reactie hierop van verzoeker van 12 september 2018 is door de Svb aangemerkt als bezwaarschrift en in een besluit van 28 november 2018 is dit bezwaar niet-ontvankelijk verklaard wegens niet verschoonbare overschrijding van de bezwaartermijn.
1.2.
De rechtbank Amsterdam heeft het beroep hiertegen, in een uitspraak van 15 april 2020, 18/7601, ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 29 juli 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:2078, waarvan nu herziening wordt gevraagd, heeft de Raad deze uitspraak bevestigd.
2. Verzoeker vraagt om herziening van deze uitspraak en wenst een positieve beslissing tegemoet te zien. De Svb ziet geen aanleiding het verzoek om herziening te honoreren.
3. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
3.1.
Op grond van artikel 8:119, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de Raad op verzoek van een partij een onherroepelijk geworden uitspraak herzien op grond van feiten en omstandigheden die:
a. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak;
b. bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en
c. waren ze bij de Raad eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden.
3.2.
De gronden van het verzoek om herziening komen erop neer dat verzoeker opnieuw de discussie probeert te voeren over de zaak waarover is beslist bij de uitspraak van de Raad van 29 juli 2021. Het is vaste rechtspraak van de Raad (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 13 maart 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:828) dat het (bijzondere) rechtsmiddel van herziening niet is gegeven om een hernieuwde discussie over een zaak te voeren en evenmin om een discussie over de juistheid van de betrokken uitspraak te openen terwijl geen sprake is van feiten en omstandigheden als bedoeld in artikel 8:119, eerste lid, van de Awb. Het verzoek om herziening dient te worden afgewezen, nu niet is gebleken dat verzoeker enig nieuw feit of enige nieuwe omstandigheid, zoals bedoeld in artikel 8:119 van de Awb, naar voren heeft gebracht.
4. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep wijst het verzoek om herziening af.
Deze uitspraak is gedaan door M. Wolfrat, in tegenwoordigheid van S.N. de Groot als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 oktober 2022.
(getekend) M. Wolfrat
(getekend) S.N. de Groot