Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2022-10-13
ECLI:NL:CRVB:2022:2202
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
1,232 tokens
Inleiding
22740 AKW
Datum uitspraak: 13 oktober 2022
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het verzoek om herziening van de uitspraak van de Raad van 15 november 2018, 18/3102
Partijen:
[verzoekster] te [woonplaats], Marokko (verzoekster)
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)
Procesverloop
Verzoekster heeft gevraagd om herziening van de uitspraak van de Raad van 15 november 2018 (ECLI:NL:CRVB:2018:3625).
De Svb heeft een reactie ingezonden op het herzieningsverzoek.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 september 2022. Partijen zijn niet verschenen.
Overwegingen
1.1.
Bij besluit van 14 december 2016 heeft de Svb de aanvraag om kinderbijslag voor de zoon van verzoekster ingevolge de Algemene Kinderbijslagwet afgewezen, omdat de zoon ouder is dan 18 jaar. Bij beslissing op bezwaar van 16 augustus 2017 heeft de Svb het bezwaar van verzoekster tegen het besluit van 16 december 2016 niet-ontvankelijk verklaard, omdat verzoekster te laat bezwaar heeft gemaakt tegen dat besluit.
1.2.
Het door verzoekster tegen het besluit van 16 augustus 2017 ingestelde beroep is door de rechtbank Amsterdam bij uitspraak van 23 april 2018, 17/5265, ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 15 november 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:3625, waarvan nu herziening wordt gevraagd, heeft de Raad deze uitspraak bevestigd.
1.3.
Het eerste verzoek om herziening van de uitspraak van de Raad van 15 november 2018 heeft de Raad afgewezen bij uitspraak van 23 oktober 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:2610. Een volgend verzoek om herziening is door de Raad, bij uitspraak van 18 november 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:2858, niet-ontvankelijk verklaard, omdat het verzoek onredelijk laat was ingediend, zonder dat er nieuwe feiten en omstandigheden waren aangevoerd.
2. Bij brief van 13 december 2021 heeft verzoekster weer gevraagd om herziening van de uitspraak van 15 november 2018 en verzocht haar recht op kinderbijslag opnieuw te beoordelen. Zij heeft in dat verband medische stukken overgelegd van een ziekenhuisopname van haar in november 2021.
3. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
3.1.
Op grond van artikel 8:119, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de Raad op verzoek van een partij een onherroepelijk geworden uitspraak herzien op grond van feiten en omstandigheden die:
a. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak;
b. bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en
c. waren ze bij de Raad eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden.
3.2.
Volgens vaste rechtspraak (zie onder meer de uitspraken van 20 maart 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1055, en van 21 november 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:4060) geldt dat van degene die herziening vraagt van een uitspraak mag worden verlangd dat hij niet onredelijk lang wacht met de indiening van dat verzoek. Een onredelijk laat ingediend verzoek om herziening moet niet-ontvankelijk worden verklaard.
3.3.
Een verzoek om herziening wordt in de regel geacht onredelijk laat te zijn ingediend, als het verzoek is ingediend meer dan één jaar nadat de indiener bekend is geworden met de daarin gestelde nieuwe feiten of omstandigheden dan wel, indien geen nieuwe feiten of omstandigheden zijn gesteld, na de openbaarmaking van de uitspraak waarvan herziening wordt verzocht.
3.4.
De Raad begrijpt verzoekster aldus dat zij zich met de overgelegde medische stukken met betrekking tot een ziekenhuisopname in 2021 op het standpunt stelt dat sprake is van nieuwe feiten en omstandigheden. Verzoekster heeft echter met de overgelegde stukken geen feiten en omstandigheden genoemd, als bedoeld in artikel 8:119, eerste lid, van de Awb. Verzoekster beoogt in feite een hernieuwde discussie te voeren over de uitspraak van de Raad van 15 november 2018. Uit wat in 3.2 is overwogen volgt dat het middel van herziening daarvoor niet is bedoeld.
3.5.
Uit 3.1 tot en met 3.4 volgt dat het verzoek om herziening moet worden afgewezen.
4. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep wijst het verzoek om herziening af.
Deze uitspraak is gedaan door M. Wolfrat, in tegenwoordigheid van S.N. de Groot als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 oktober 2022.
(getekend) M. Wolfrat
(getekend) S.N. de Groot