Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2022-10-06
ECLI:NL:CRVB:2022:2177
Bestuursrecht; Ambtenarenrecht
Hoger beroep
2,375 tokens
Inleiding
212212 AW
Datum uitspraak: 6 oktober 2022
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 11 mei 2021, 20/1926 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Directeur van de Politieacademie (directeur)
Procesverloop
Namens appellante heeft mr. C. Pol hoger beroep ingesteld en nadere stukken ingediend.
Namens de directeur heeft mr. C.M.I. Huijts, advocaat, een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 juni 2022. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. M. Hendriks. De directeur heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Huijts, J.C. Vennekamp en G. Weij-van der Veen.
Overwegingen
1.1.
Appellante is in oktober 2016 gediagnosticeerd met de aandoening fibromyalgie, als gevolg waarvan zij chronische pijnklachten heeft in de spieren en bindweefsel. Appellante is in mei 2017 gestart met de opleiding niveau 4 ‘Allround politiemedewerker’ aan de Politieacademie te [vestigingsplaats]. Een verplicht onderdeel van die opleiding is de Professioneel fit toets (de toets).
1.2.
Appellante bleef bij trainingen voor de toets lichamelijke klachten houden. Daarom is zij door haar trajectbegeleider naar de bedrijfsarts gestuurd voor een verwijzing naar het Militair Revalidatie Centrum (MRC) in Doorn voor een reguliere Quickscan. In de Eindrapportage Quickscan van 29 januari 2019 heeft de revalidatiearts geconcludeerd dat appellante door de pijnklachten als gevolg van de fibromyalgie niet in staat is de toets te halen op verschillende onderdelen, en dat gezien de klachten niet valt te verwachten dat zij met aangepaste training de toets zal kunnen halen. Ondanks dit advies is de opleiding hervat, omdat appellante de kans wilde krijgen alles eraan te doen om de toets te halen.
1.3.
Appellante heeft op 27 mei 2019 (zevende tertiel) een onvoldoende gehaald voor de toets. Op 16 juli 2019 is met appellante besproken dat zij uiterlijk in het achtste tertiel de toets moet hebben behaald. Op 13 januari 2020 (achtste tertiel) heeft zij opnieuw een onvoldoende gehaald voor de toets.
1.4.
Op 27 januari 2020 is in een zienswijzegesprek aan appellante het voornemen meegedeeld dat haar opleiding zou worden beëindigd.
1.5.
Bij besluit van 4 februari 2020 is de opleiding van appellante op grond van artikel 35.2, tweede lid, aanhef en onder b, van de Onderwijs en Examenregeling 2020 (OER 2020) beëindigd, omdat zij niet in staat is gebleken binnen de toegestane tijd de toets met goed gevolg af te leggen. Hiertegen heeft appellante beroep ingesteld bij de Commissie van Beroep voor de Examens (de Commissie). Bij uitspraak van 18 mei 2020 heeft de Commissie het beroep gegrond verklaard, het besluit van 4 februari 2020 vernietigd en bepaald dat het sectorhoofd een nieuw zorgvuldig gemotiveerd besluit dient te nemen.
1.6.
Bij besluit van 19 mei 2020 (bestreden besluit) is de directeur bij zijn standpunt gebleven om de opleiding van appellante met onmiddellijke ingang te beëindigen. De directeur heeft zich op het standpunt gesteld dat in het advies van het MRC is vastgesteld dat appellante vanwege haar beperkingen niet in staat is om (aangepaste) trainingen te volgen om uiteindelijk (het niveau van) de toets te halen. Het beleid is om het onafhankelijk advies van het MRC te volgen. De directeur heeft het niet verantwoord geacht om appellante op alle testonderdelen vervangende opdrachten te laten afleggen en haar daarvoor te laten trainen. Het afnemen van vervangende, fysieke minder zware testen zou volgens de directeur afbreuk doen aan de veiligheid.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft vastgesteld dat de directeur de beëindiging van de opleiding van appellante heeft gebaseerd op het advies van het MRC van 19 januari 2019. In dat onafhankelijk advies is voldoende en inzichtelijk gemotiveerd waarom appellante niet in staat is de toets te halen op verschillende onderdelen, en dat gezien haar klachten niet te verwachten is dat zij met aangepaste training de toets wel zal kunnen halen. Appellante heeft het MRC-advies niet gemotiveerd betwist. De rechtbank heeft geoordeeld dat de directeur niet gehouden was appellante een aangepaste toets te laten maken. Zoals de directeur heeft gesteld volgt uit artikel 4 van Regeling B: Studeren met een functiebeperking, behorende bij de OER, dat een aanpassing van een examenopdracht alleen mogelijk is wanneer met de aanpassing dezelfde competenties worden getoetst als in de oorspronkelijke toets. Dit betekent dat de aangepaste toets dezelfde spiergroepen moet aanspreken en dezelfde zwaarte moet hebben. Voor appellante is dat niet mogelijk, alleen al omdat het MRC heeft vastgesteld dat appellante vanwege haar beperkingen de toets ook niet met een aangepaste training zou kunnen halen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de directeur terecht gesteld dat het afnemen van vervangende, minder zware testen afbreuk zou doen aan de veiligheid. De rechtbank heeft appellante verder niet gevolgd in het betoog dat met voldoende inzet en doorzettingsvermogen een positieve beoordeling dient te worden gegeven. Zoals de directeur heeft toegelicht is de toets een verplicht onderdeel van de opleiding en moeten studenten aantonen dat zij alle testonderdelen kunnen halen. Appellante heeft dat echter niet kunnen aantonen. Naar het oordeel van de rechtbank behoort het tot de bevoegdheden van de directeur om de toets op te nemen in het curriculum.
3. In hoger beroep heeft appellante zich op hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.1.
Artikel 90 Politiewet bepaalt het volgende. De directeur van de Politieacademie stelt tijdig, ten behoeve van de studenten, voor elke politieopleiding en voor elke overige opleiding als bedoeld in artikel 74, eerste lid, onder a, onder 2°, die wordt afgesloten met een examen een onderwijs- en examenregeling vast. De artikelen 7.13 en 7.14 van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek zijn van overeenkomstige toepassing op de onderwijs- en examenregeling.
4.1.2.
Op grond van artikel 90 van de Politiewet heeft de directeur van de politieacademie de Onderwijs- en Examenregeling (OER) vastgesteld. Het gaat om een algemeen verbindend voorschrift.
4.1.3.
Op grond van artikel 28, vierde lid, van de OER 2020 moet de student van een basispolitieopleiding die een examenopdracht nog niet met een voldoende heeft afgerond in de onderwijsperiode (o.a. kwartiel/tertiel) waarin de opdracht voor het eerst werd aangeboden, binnen de twee daaropvolgende onderwijsperiodes alsnog een voldoende resultaat behalen, mits de maximaal toegestane doorlooptijd nog niet verstreken is.
4.1.4.
Op grond van artikel 35, tweede lid, aanhef en onder b, van de OER 2020 wordt in afwijking van het eerste lid, de inschrijving van de student door het sectorhoofd BPO/VPO beëindigd als de student van een basispolitie opleiding niet binnen de toegestane tijd zoals bedoeld in 28.4 een voldoende resultaat heeft bereikt. Het sectorhoofd BPO/VPO mag de opleiding alleen beëindigen als de opleiding voor zodanige voorzieningen heeft gezorgd dat de mogelijkheden voor een goede studievoortgang zijn gewaarborgd.
4.1.5.
Op grond van artikel 37, eerste lid, van de OER ontvangt de student een diploma als hij alle examenopdrachten behorende bij een kwalificerende opleiding met voldoende resultaat geeft afgerond en geen bepalingen van deze regeling zich tegen het afgeven van een diploma verzetten.
4.2.
Vast staat dat aan de voorwaarden voor beëindiging van de inschrijving is voldaan omdat appellante de toets niet binnen de in artikel 28, vierde lid, bedoelde termijn met voldoende resultaat heeft behaald. Appellante heeft primair aangevoerd dat de directeur op onderdelen van de toets alternatieve opdrachten had moeten aanbieden, dan wel had moeten onderzoeken of er alternatieve opdrachten waren, zodat appellante met haar beperkingen de toets met goed resultaat kon afleggen. Aan het MRC is niet gevraagd of er alternatieve manieren waren om de toets af te nemen. Dit kon van de directeur worden verwacht om de studievoortgang van appellante te waarborgen. Nu de directeur dit heeft nagelaten, was er geen grondslag om haar opleiding te beëindigen.
4.2.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J.T.H. Zimmerman als voorzitter en J.J.T. van den Corput en A.T. Marseille als leden, in tegenwoordigheid van G.F. Telci als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 oktober 2022.
(getekend) J.T.H. Zimmerman
(getekend) G.F. Telci