Rechtspraak Centrale Raad van Beroep 2022-09-29
ECLI:NL:CRVB:2022:2140
Bestuursrecht
214217 AW, 22/808 AW Datum uitspraak: 29 september 2022 Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de tussenuitspraak van de rechtbank Gelderland van 2 april 2021 (aangevallen tussenuitspraak) en de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 17 november 2021, 19/6306 (aangevallen uitspraak) Partijen: de korpschef van politie (korpschef) [betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene) De korpschef heeft hoger beroep ingesteld. Namens betrokkene heeft mr. W. de Klein een verweerschrift ingediend en voorwaardelijk incidenteel hoger beroep ingesteld. De korpschef heeft een zienswijze op het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 juli 2022. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.J.C. Garrels. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door mr. De Klein. De Centrale Raad van Beroep vernietigt de aangevallen tussenuitspraak en de aangevallen uitspraak; verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door J.T.H. Zimmerman als voorzitter en L.M. Tobé en M. Wolfrat als leden, in tegenwoordigheid van M.E. van Donk als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 september 2022. (getekend) J.T.H. Zimmerman De griffier is verhinderd te ondertekenen. 1.1. Betrokkene verricht sinds 1 februari 2008 werkzaamheden als [naam functie 1] van de [commissie 1] . Daarnaast verricht hij vanaf 1 maart 2012 werkzaamheden als [naam functie 2] en sinds 1 november 2016 werkzaamheden als [naam functie 3] Commissie [commissie 2] . Sinds 1 april 2020 verricht betrokkene ook werkzaamheden als [naam functie 4] Commissie [commissie 3] . 1.2. Op 1 januari 2012 is in het kader van de reorganisatie van de Nationale Politie het Landelijk Functiegebouw Nederlandse Politie (LFNP) ingevoerd. Betrokkene is met ingang van 1 juli 2016 in het kader van het LFNP geplaatst in de functie van Bedrijfsvoeringspecialist A, schaal 9, bij de [eenheid] , team [team] , te [plaatsnaam] . 1.3. Op 15 november 2017 heeft betrokkene een aanvraag op grond van de Regeling aanvraag plaatsing op een andere dan de ambtenaar opgedragen functie (RAAF) ingediend met als oogmerk te worden geplaatst in de functie van Bedrijfsvoeringspecialist B, schaal 10. Bij besluit van 20 maart 2019 heeft de korpschef die aanvraag afgewezen. Het bezwaar daartegen is bij besluit van 26 september 2019 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. 2.1. Bij de aangevallen tussenuitspraak heeft de rechtbank – samengevat – het volgende overwogen. Niet in geschil is dat in dit geval is voldaan aan de voorwaarden die zijn beschreven in artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a, b en d, van de RAAF. Betrokkene betwist niet langer dat niet is voldaan aan de voorwaarde van artikel 3, eerste lid, aanhef en onder c, van de RAAF, inhoudende dat zijn feitelijke werkzaamheden wezenlijk afwijken van de voor hem geldende functiebeschrijving. Hij doet alleen nog een beroep op de hardheidsclausule. Volgens de korpschef is bij de matching van functies gekeken naar de meest passende LFNP-functie bij de salarisschaal. Als gevolg van het matchen op schaal en niet op basis van de feitelijke werkzaamheden, bestaat de mogelijkheid dat [functiegroep] met dezelfde feitelijke werkzaamheden naar verschillende LFNP-functies zijn overgaan en vervolgens in verschillende LFNP-functies zijn geplaatst. In die situatie bestaat geen aanleiding voor toepassing van de hardheidsclausule, omdat geen sprake is van een situatie die bij de totstandkoming van de RAAF niet is voorzien. Volgens de rechtbank is dit anders in de situatie dat [functiegroep] ná 1 juli 2016, de datum met ingang waarvan politieambtenaren in een LFNP-functie zijn geplaatst, na een sollicitatie zijn geplaatst in de functie van Bedrijfsvoeringspecialist B of C, omdat ervan kan worden uitgegaan dat de kern van de functie van [naam functie 1] klachtencommissie, die niveaubepalend is, in alle eenheden gelijk is. [functiegroep] verrichten dezelfde niveaubepalende werkzaamheden en kunnen daarnaast verschillende andere werkzaamheden, die niet niveaubepalend zijn, doen. Betrokkene heeft al bij zijn aanvraag vacatures van andere eenheden voor de functie van [naam functie 1] klachtencommissie overgelegd waarin is aangegeven dat de LFNP-functie van Bedrijfsvoeringspecialist B van toepassing is. De rechtbank heeft geoordeeld dat de korpschef onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar de feiten en omstandigheden die het verschil in LFNP-functie kunnen verklaren. Dat andere eenheden dan de eenheid van appellant ervoor gekozen hebben om de functie van [naam functie 1] klachtencommissie te laten vervullen door een Bedrijfsvoeringspecialist B of C, kan het verschil niet rechtvaardigen, omdat in alle eenheden de korpschef het bevoegd gezag is. Volgens de rechtbank is het bestreden besluit op dit punt onzorgvuldig voorbereid en ondeugdelijk gemotiveerd. De rechtbank heeft de korpschef opgedragen dit gebrek te herstellen. De korpschef heeft vervolgens het bestreden besluit bij brief van 2 juni 2021 nader onderbouwd. 2.2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dit besluit vernietigd en het besluit van 20 maart 2019 herroepen. De rechtbank heeft zelf in de zaak voorzien door betrokkene met ingang van 15 november 2017 de functie van Bedrijfsvoeringspecialist B, schaal 10, toe te kennen en te bepalen dat de uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit. Daartoe heeft de rechtbank, kort samengevat, het volgende overwogen. Appellant heeft geen nader onderzoek gedaan naar de feiten en omstandigheden die het verschil in functie kunnen verklaren. De argumenten die de korpschef in dit verband heeft genoemd snijden naar het oordeel van de rechtbank geen hout. Daarbij is onder meer overwogen dat betrokkene zich uitsluitend op de hardheidsclausule en niet (mede) op het gelijkheidsbeginsel heeft beroepen. De rechtbank is tot de conclusie gekomen dat de korpschef de in de tussenuitspraak geconstateerde gebreken niet heeft hersteld en dat er reden is voor toewijzing van de functie Bedrijfsvoeringspecialist B op grond van de hardheidsclausule. 3. In hoger beroep heeft de korpschef zich op hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen tussenuitspraak en de aangevallen uitspraak gekeerd. 4. De Raad komt tot de volgende beoordeling. Hoger beroep 4.1.1. In artikel 6, negende lid, van het Besluit bezoldiging politie is bepaald dat de ambtenaar een aanvraag kan indienen bij het bevoegd gezag wanneer zijn feitelijke werkzaamheden ten minste één jaar wezenlijk afwijken van zijn huidige, aan hem opgedragen LFNP-functie, om de feitelijke werkzaamheden overeen te laten komen met een andere LFNP-functie. Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld. Deze ministeriële regeling is de RAAF (Regeling van de Minister van Veiligheid en Justitie van 4 juli 2016,Staatscourant 2016 nr. 38696, gewijzigd op 2 december 2016, Staatscourant 2016 nr. 67383), die op 26 juli 2016 in werking is getreden. 4.1.2. Op grond van artikel 1, aanhef en onder i, van de RAAF wordt onder wezenlijk afwijken verstaan: in overwegende mate voldoen aan de niveaubepalende elementen van een andere functie als omschreven in het onderdeel 'kern van de functie' van de betreffende functie, dan wel overeenkomen met de definitie van het werkterrein, het aandachtsgebied of de specifieke functionaliteit behorende bij de huidige functie opgenomen in de bijlage 4, horende bij artikel 3, vierde lid, van de Regeling vaststelling LFNP. 4.1.3. Op grond van artikel 3, eerste lid, van de RAAF wijst het bevoegd gezag de aanvraag toe, indien de feitelijke werkzaamheden: a. zijn opgedragen; b. gedurende ten minste één jaar voorafgaand aan de aanvraag tot wijziging van de functie dan wel wijziging of toekenning van het werkterrein, aandachtsgebied of specifieke functionaliteit zijn verricht; c. wezenlijk afwijken van de huidige functie dan wel van een werkterrein, een aandachtsgebied of een specifieke functionaliteit van de ambtenaar en d. niet van kennelijk tijdelijke aard zijn. 4.1.4. Op grond van artikel 7 van de RAAF kan het bevoegd gezag een bijzondere voorziening treffen in individuele gevallen waarin de RAAF niet of niet naar billijkheid voorziet (de hardheidsclausule). 4.2. De korpschef stelt zich op het standpunt dat de rechtbank hem ten onrechte heeft opgedragen nader onderzoek te doen naar de feiten en omstandigheden die het verschil in LFNP-functie kunnen verklaren en (vervolgens) ten onrechte heeft geoordeeld dat het beroep van betrokkene op de hardheidsclausule van artikel 7 van de RAAF slaagt. De Raad begrijpt het betoog van de korpschef aldus dat de rechtbank ten onrechte toepassing aan artikel 7 van de Raaf heeft gegeven, omdat geen sprake is van hardheid als bedoeld in de uitspraken van de Raad van 10 december 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:3156 en ECLI:NL:CRVB:2020:3157. 4.5. Uit 4.1 tot en met 4.4 volgt dat het hoger beroep van de korpschef slaagt en het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep van betrokkene niet slaagt. De aangevallen tussenuitspraak en de aangevallen uitspraak moeten worden vernietigd en het beroep van betrokkene dient ongegrond te worden verklaard. 5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Toegepaste wetsartikelen
- Artikel 3 — Regeling vaststelling LFNP
- Artikel 7 — Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar gemeente Landgraaf 2019
- Artikel 7 — Instelling Adviescommissie milieutoets en milieuparagraaf beleidsvoornemens Rijksoverheid
- Artikel 1 — Instelling Adviescommissie milieutoets en milieuparagraaf beleidsvoornemens Rijksoverheid
- Artikel 3 — Instelling Adviescommissie milieutoets en milieuparagraaf beleidsvoornemens Rijksoverheid
- Artikel 6 — Besluit bezoldiging politie