Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2022-07-26
ECLI:NL:CRVB:2022:1723
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
2,629 tokens
Inleiding
19 1614 PW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Datum uitspraak: 26 juli 2022
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 28 februari 2019, 18/1365 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
het college van burgemeester en wethouders van Sittard-Geleen (college)
Procesverloop
Namens appellante heeft mr. F.E.H.M. van Aken, advocaat, hoger beroep ingesteld en verzocht het college te veroordelen tot vergoeding van schade in de vorm van wettelijke rente.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 februari 2021. Appellante heeft door middel van videobellen aan de zitting deelgenomen, bijgestaan door mr. Van Aken. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door J.E. Day.
De Raad heeft geoordeeld dat nader onderzoek geboden is en heeft daarom het onderzoek heropend.
Op verzoek van de Raad heeft het college het vermogen van appellante opnieuw vastgesteld. Hierop heeft de gemachtigde van appellante gereageerd.
Partijen hebben niet binnen de gestelde termijn te kennen gegeven gebruik te willen maken van het recht op een nadere zitting te worden gehoord. De Raad heeft vervolgens met toepassing van artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaald dat een nader onderzoek ter zitting achterwege blijft en heeft het onderzoek gesloten.
Overwegingen
1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1.
Appellante ontving sinds 13 oktober 2003 bijstand naar de norm voor een alleenstaande, laatstelijk ingevolge de Participatiewet (PW). Het vermogen van appellante is bij aanvang van de bijstand vastgesteld op € 3.132,-. Op 15 april 2017 is de vader van appellante overleden. Appellante heeft op 2 augustus 2017 een bedrag van € 5.489,77 uit de nalatenschap van haar vader ontvangen.
1.2.
Bij besluit van 15 december 2017, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 15 mei 2018 (bestreden besluit), heeft het college de bijstand van appellante over de periode van 15 april 2017 tot 9 juli 2017 ingetrokken en de over die periode gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 2.440,59 van appellante teruggevorderd. Aan de besluitvorming ligt ten grondslag dat appellante vanaf 15 april 2017 een aanspraak had op een erfenis van € 5.489,77 en dat, rekening houdend met het bij aanvang van de bijstand vastgestelde vermogen, per 15 april 2017 sprake is van overschrijding van de grens van het vrij te laten vermogen met een bedrag van € 2.681,77.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. In hoger beroep heeft appellante zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Zoals de rechtbank in beroep heeft overwogen en ook ter zitting bij de Raad is besproken, heeft het college de gemaakte kosten van bijstand over de hier in geding zijnde periode van 15 april 2017 tot 9 juli 2017 teruggevorderd op grond van artikel 58, tweede lid, aanhef en onder f, ten eerste, van de PW.
4.2.
Het bestreden besluit omvat, zoals ter zitting namens het college ook is erkend, naast het terugvorderingsbesluit, ook een intrekkingsbesluit. Het besluit tot terugvordering op grond van artikel 58, tweede lid, aanhef en onder f, ten eerste, van de PW is een zelfstandig terugvorderingsbesluit. Voor intrekking of herziening voorafgaand aan de terugvordering bestaat geen grondslag, omdat de bijstand destijds rechtmatig is verleend. Het college heeft de bijstand van appellante daarom ten onrechte ingetrokken over de periode van 15 april 2017 tot 9 juli 2017. De rechtbank heeft dit niet onderkend.
4.3.
Appellante heeft, kort gezegd, aangevoerd dat het college ten onrechte acht weken te lang bijstand heeft teruggevorderd, omdat het college nadat appellante had geërfd van haar vader van een onjuiste vermogensvaststelling is uitgegaan.
4.4.1.
Deze beroepsgrond slaagt. Daartoe is het volgende redengevend.
4.4.2.
Terugvordering van bijstand met toepassing van artikel 58, tweede lid, aanhef en onder f, ten eerste, van de PW is mogelijk, indien de betrokkene op een eerder tijdstip in de periode waarover bijstand is verleend (aanspraak op) bepaalde middelen had, maar daarover op dat moment feitelijk nog niet (volledig) kon beschikken. Zodra de betrokkene wel over die middelen kan beschikken, kan de bijstandverlenende instantie de bijstand terugvorderen. Dit hangt samen met het aanvullend karakter van de bijstand.
4.4.3.
Niet in geschil is dat appellante vanaf de datum van overlijden van haar vader, op 15 april 2017 (de peildatum), aanspraak had op een vermogensbestanddeel in de vorm van een aandeel in de nalatenschap van haar vader. Appellante heeft op 2 augustus 2017 feitelijk de beschikking gekregen over een bedrag van € 5.489,77 als haar aandeel in deze nalatenschap, zodat vanaf dat moment sprake is van in aanmerking te nemen middelen als bedoeld in artikel 58, tweede lid, aanhef en onder f, ten eerste, van de PW met betrekking tot een periode waarover bijstand is verleend.
4.4.4.
Volgens vaste rechtspraak komt slechts voor terugvordering in aanmerking de verleende bijstand vanaf de peildatum tot het moment waarop de betrokkene de beschikking heeft gekregen over het vermogen, ter hoogte van maximaal het bedrag waarmee de toen geldende vrijlatingsgrens voor het vermogen werd overschreden. Of een bijstandverlenende instantie op basis van artikel 58, tweede lid, aanhef en onder f, ten eerste, van de PW kan overgaan tot terugvordering, hangt dus mede af van de vraag of de ontvangen middelen, teruggerekend naar het tijdstip waarop de aanspraken op die middelen ontstonden, tezamen met de toen aanwezige overige vermogensbestanddelen en met inachtneming van de toen geldende vrijlatingsgrens, de grens van het vrij te laten vermogen overschrijden. Vergelijk de uitspraak van 13 augustus 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:2780.
4.4.5.
Voor de toepassing van artikel 58, tweede lid, onderdeel f, ten eerste, van de PW en het bepalen van de hoogte van de terugvordering dient aldus achteraf op de peildatum een fictieve vermogensvaststelling plaats te vinden, waarbij de ontvangen middelen, teruggerekend naar de peildatum, opgeteld bij de op dat moment aanwezige overige vermogensbestanddelen moeten worden betrokken. Deze beoordeling dient te geschieden aan de hand van artikel 34 van de PW.
4.4.6.
Bij brief van 24 juni 2021 heeft de Raad het college in de gelegenheid gesteld de vermogenssituatie van appellante te beoordelen naar de peildatum en mee te delen of de middelen op dat moment, tezamen met de toen aanwezige overige vermogensbestanddelen en met inachtneming van de toen geldende vrijlatingsgrens, de grens van het vrij te laten vermogen overschreden.
4.4.7.
Bij brief van 24 augustus 2021 heeft het college aan de Raad meegedeeld dat hij aan de hand van door appellante op verzoek van het college verstrekte gegevens haar vermogenssituatie naar de peildatum heeft beoordeeld, dat het vermogen van appellante op de peildatum € 751,87 bedroeg, zodat het totale vermogen van appellante op de peildatum, tezamen met het in 4.4.3 bedoelde bedrag van € 5.489,77, moet worden vastgesteld op een bedrag van € 6.241,64. Verder heeft het college meegedeeld dat het aldus vastgestelde vermogen de op de peildatum geldende grens van het vrij te laten vermogen (te weten: € 5.940,-) met een bedrag van € 301,64 overschreed.
4.5.
Appellante heeft bij brief van 11 oktober 2021 meegedeeld dat zij het eens is met de waardering van haar vermogen door het college, zoals in 4.4.7 is weergegeven. Maar appellante is van mening dat, aangezien zij het bedrag van € 5.489,77 heeft uitgegeven aan noodzakelijke bestaanskosten, dit bedrag niet geheel dient te worden meegenomen in de vermogensopstelling. Deze beroepsgrond slaagt niet. Dat is alleen al het geval omdat appellante daadwerkelijk over het volledige bedrag van € 5.489,77 heeft kunnen beschikken.
Voor het ter zitting bij de Raad door appellante nog ingenomen standpunt, dat het college geheel of gedeeltelijk van terugvordering had moeten afzien, omdat appellante financiële middelen nodig heeft voor toekomstige bestedingen, bestaat geen wettelijke grondslag. Appellante kan bovendien voor toekomstige noodzakelijke kosten reserveren uit het inkomen op het niveau van de bijstandsnorm. Indien sprake is van bijzondere omstandigheden kan appellante voorts voor onvoorziene kosten bijzondere bijstand aanvragen.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep
vernietigt de aangevallen uitspraak;
verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 15 mei 2018;
herroept het besluit van 15 december 2017;
stelt het terugvorderingsbedrag vast op € 301,64;
bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit van 15 mei 2018;
veroordeelt het college tot vergoeding aan appellante van de wettelijke rente zoals onder 5 vermeld;
veroordeelt het college in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 3.425,30;
bepaalt dat het college aan appellante het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 174,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door M.F. Wagner, in tegenwoordigheid van J.E. Mink als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 juli 2022.
(getekend) M.F. Wagner
(getekend) J.E. Mink