Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2022-07-26
ECLI:NL:CRVB:2022:1716
Bestuursrecht
Hoger beroep
2,403 tokens
Inleiding
202204 PW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 21 mei 2020, 19/3866, gerectificeerd bij uitspraak van 11 juni 2020 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college)
Datum uitspraak: 26 juli 2022
Procesverloop
Namens appellant heeft mr. P.E. Epping, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Naar aanleiding brieven van de Raad van 17 mei 2022 en 23 mei 2022 hebben partijen nadere stukken overgelegd.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 juni 2022. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Epping. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.F. Jim.
Overwegingen
1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1.
Appellant ontvangt sinds 17 augustus 2014 bijstand van het college, laatstelijk op grond van de Participatiewet (PW) naar de norm voor een alleenstaande.
1.2.
Bij besluit van 13 maart 2018 heeft het college aan appellant een ondersteuningsarrangement op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015) toegekend voor de periode van 1 januari 2018 tot en met 22 december 2019. Dit betreft een maatwerkvoorziening in natura waarvoor appellant maandelijks een eigen bijdrage van € 17,60 aan het Centraal Administratie Kantoor (CAK) betaalt.
1.3.
Bij besluiten van 19 juni 2016 en 21 mei 2017 heeft het college aan appellant op grond van de regeling Tegemoetkoming meerkosten zorg (Tmz), een regeling op grond van de Wmo 2015, een vergoeding van € 275,- toegekend. Bij besluit van 1 april 2018 heeft het college aan appellant op grond van dezelfde regeling een bedrag van € 200,- toegekend voor het jaar 2018.
1.4.
Bij brief van 18 december 2018 heeft het college appellant geïnformeerd dat de Tmz met ingang van 1 januari 2019 wordt beëindigd.
1.5.
Op 2 januari 2019 heeft appellant, in verband met de beëindiging van de Tmz, een aanvraag ingediend om bijzondere bijstand voor de kosten van de eigen bijdrage van de maatwerkvoorziening van € 17,60 per maand, in totaal € 211,- per jaar.
1.6.
Bij besluit van 20 februari 2019, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 4 juli 2019 (bestreden besluit), heeft het college de aanvraag om bijzondere bijstand afgewezen. Hieraan heeft het college ten grondslag gelegd dat de Zorgverzekeringswet (Zvw) de voorliggende voorziening is die passend en toereikend is en er geen sprake is van dringende redenen als bedoeld in artikel 16 van de PW.
1.7.
Bij brief van 11 december 2019 aan de rechtbank heeft het college de grondslag van het bestreden besluit gewijzigd en zich op het standpunt gesteld dat de Wmo 2015 de voorliggende voorziening is. De voorliggende voorziening is passend en toereikend zodat de kosten van de eigen bijdrage voor de maatwerkvoorziening niet voor vergoeding in aanmerking komen.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard in verband met de wijziging van de grondslag van het bestreden besluit en het bestreden besluit vernietigd met instandlating van de rechtsgevolgen.
3. In hoger beroep heeft appellant zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Tussen partijen is niet langer in geding dat de Wmo 2015 de voorliggende voorziening is.
4.2.
Op grond van artikel 15, eerste lid, eerste volzin, van de PW bestaat geen recht op bijstand voor zover een beroep kan worden gedaan op een voorliggende voorziening die, gezien haar aard en doel, wordt geacht voor de belanghebbende toereikend en passend te zijn.
4.3.
Op grond van artikel 15, eerste lid, tweede volzin, van de PW bestaat geen recht op bijstand voor kosten die in de voorliggende voorziening als niet noodzakelijk zijn aangemerkt. Als in de voorliggende voorziening de bewuste keus is gemaakt dat het vergoeden van deze kosten niet noodzakelijk is, kan de bijstandverlenende instantie daarvoor in beginsel geen bijzondere bijstand toekennen.
4.4.
Appellant heeft zich op het standpunt gesteld dat de voorliggende voorziening niet passend en toereikend is omdat hij er door de afschaffing van de regeling Tmz financieel op achteruit is gegaan.
4.5.
Aan het vragen van eigen bijdragen van ontvangers van voorzieningen in het kader van de Wmo 2015 ligt een bewuste keuze van de wetgever ten grondslag. Die keuze leidt ertoe dat sprake is van een uitputtende – passende en toereikende – regeling, die een voorliggende voorziening oplevert in de zin van artikel 15, eerste lid, van de PW. Dit is vaste rechtspraak (uitspraken van 14 december 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BO6734 en van 7 april 2015, ECLI:NL:CRVB:2012:BY4808).
4.6.
Volgens vaste rechtspraak, bijvoorbeeld de uitspraak van 22 december 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:4735, behoren de kosten van de eigen bijdrage in het kader van de Wmo tot de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan die uit de bijstandsnorm moeten worden voldaan. Ook na inwerkingtreding van de Wmo 2015 heeft deze rechtspraak zijn gelding behouden. Appellant voert aan dat door de afschaffing van de Tmz de Wmo niet meer een passende en toereikende voorziening is wat betreft de eigen bijdrage.
4.7.
Op grond van artikel 2.1.7 van de Wmo 2015 kan de gemeenteraad bij verordening bepalen dat het college aan personen met een beperking of chronische psychische of psychosociale problemen, die daarmee verband houdende aannemelijke meerkosten hebben, een tegemoetkoming verstrekt ter ondersteuning van de zelfredzaamheid en de participatie. Uit artikel 22 van de Verordening maatschappelijke ondersteuning Rotterdam 2015 (verordening) blijkt dat de gemeenteraad van deze bevoegdheid gebruik heeft gemaakt in de vorm van de Tmz. Dit betrof een forfaitair bedrag. Daarmee kon appellant zijn eigen bijdrage voor de maatwerkvoorziening (grotendeels) voldoen. Maar voor personen met veel meer eigen bijdragen vormde dit bedrag slechts een beperkte tegemoetkoming in de totale kosten van de eigen bedragen. De gemeenteraad heeft deze regeling met ingang van 1 januari 2019 afgeschaft. Dit was uitvloeisel van een coalitieakkoord, in ruil waarvoor een premiebijdrage van € 10,- per maand is toegekend bij deelname aan de collectieve ziektekostenverzekering. Deze afschaffing behoort tot de uit genoemd artikel 2.1.7 volgende regelgevende vrijheid van de gemeenteraad. Dat appellant als gevolg hiervan financieel nadeel heeft ondervonden, brengt niet met zich mee dat de gevolgen hiervan op de bijstand kunnen worden afgewenteld. Het wegnemen van een forfaitaire tegemoetkoming brengt geen verandering in het karakter van de Wmo 2015 en haar eigen bijdrage als voorliggende voorziening. Het CAK, dat belast is met de inning van eigen bijdragen, heeft op grond van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 de hoogte van de eigen bijdrage van appellant vastgesteld op grond van de door het college en de Belastingdienst aangeleverde gegevens. Appellant heeft geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid om de hoogte van de eigen bijdrage bij het college aan te vechten en heeft de eigen bijdrage ook steeds voldaan.
4.8.
Appellant heeft nog aangevoerd dat hem in afwijking van het beleid toch bijzondere bijstand moet worden verleend voor de eigen bijdrage.
4.9.
Op grond van de Beleidsregels bijzondere bijstand Rotterdam 2018 (beleidsregels) heeft appellant geen recht op de gevraagde bijzondere bijstand. Het college voerde ten tijde van belang op grond van artikel 6.2, onder a, van de beleidsregels het beleid dat geen bijzondere bijstand wordt verleend voor de wettelijke eigen bijdrage op grond van de Wmo 2015. Er bestaat dus geen buitenwettelijk (begunstigend) beleid tot verlening van gevraagde bijzondere bijstand in weerwil van het bestaan van een voorliggende voorziening. Volgens vaste rechtspraak (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 16 januari 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BY9166) wordt een dergelijk beleid als gegeven aanvaard en dient de door de bestuursrechter te verrichten toetsing zich te beperken tot de vraag of het beleid op consistente wijze is toegepast. Bij het ontbreken van dergelijk begunstigend beleid kan de afwijzing van de aanvraag niet verder in het kader van de beleidsregels getoetst worden.
4.10.
Ingevolge artikel 16, eerste lid, van de PW kan toch bijstand worden verleend, indien zeer dringende redenen daartoe noodzaken.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door O.L.H.W.I. Korte, in tegenwoordigheid van B. van Dijk als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 juli 2022.
(getekend) O.L.H.W.I. Korte
(getekend) B. van Dijk