Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2022-07-12
ECLI:NL:CRVB:2022:1547
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
2,261 tokens
Inleiding
213948 ZW
Datum uitspraak: 12 juli 2022
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 26 oktober 2021, 21/719 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Procesverloop
Namens appellant heeft mr. B.B.A. Willering, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 juni 2022. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Willering. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A.M.M. Schalkwijk.
Overwegingen
1.1.
Appellant is laatstelijk werkzaam geweest als orderpicker voor 31,90 uur per week. Op 3 september 2019 heeft hij zich ziekgemeld met fysieke klachten. Het Uwv heeft appellant in aanmerking gebracht voor ziekengeld op grond van de Ziektewet (ZW).
1.2.
In het kader van een eerstejaars ZW-beoordeling (EZWb) heeft een verzekeringsarts appellant op 20 augustus 2020 op het spreekuur gezien. Deze arts heeft appellant belastbaar geacht met inachtneming van de beperkingen die zijn neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 20 augustus 2020. Een arbeidsdeskundige heeft vastgesteld dat appellant niet in staat is tot zijn eigen werk, maar wel de functies medewerker tandtechiek, monteur printplaten en administratief ondersteunend medewerker kan verrichten. Berekend is dat appellant nog 90,68% van zijn maatmaninkomen kan verdienen. Het Uwv heeft bij besluit van 31 augustus 2020 vastgesteld dat appellant met ingang van 2 oktober 2020 geen recht meer heeft op ziekengeld, omdat hij meer dan 65% kan verdienen van het loon dat hij verdiende voordat hij ziek werd.
1.3.
In het bezwaar van appellant tegen dit besluit heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep, na de telefonische hoorzitting, aanleiding gezien appellant op een nader spreekuur te onderzoeken. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft vervolgens de FML op 8 december 2020 aangevuld met beperkingen verbonden aan de klachten van appellant aan de rechterhand en linkerknie. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft in het rapport van 8 december 2020 geconcludeerd dat appellant niet in staat is de functies van medewerker tandtechniek en monteur printplaten te vervullen. Omdat de door de arbeidsdeskundige geselecteerde reservefuncties volgens hem ook niet langer geschikt zijn, zijn de functies administratief medewerker (document scannen) en huishoudelijk medewerker gebouwen aanvullend voor appellant geselecteerd. Op basis daarvan en de onverminderd geschikt geachte functie van administratief ondersteunend medewerker is berekend dat appellant nog 70,19% van zijn maatmaninkomen kan verdienen. Het Uwv heeft appellant bij brief van 11 december 2020 op de hoogte gesteld van het voornemen tot wijziging van het besluit van 31 augustus 2020, inhoudende dat de ZW-uitkering van appellant per 12 januari 2021 zal worden beëindigd. Appellant heeft zich hiertegen gekeerd bij brief van 6 januari 2021. Door het Uwv is vervolgens een tweede hoorzitting gehouden op 14 januari 2021. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft bij rapport van 28 januari 2021 gereageerd op het standpunt van appellant en geconcludeerd dat hierin geen aanleiding wordt gezien voor wijzigingen. Het Uwv heeft vervolgens bij besluit van 29 januari 2021 (bestreden besluit) het bezwaar van appellant tegen het besluit van 31 augustus 2020 gegrond verklaard en de ZWuitkering van appellant per 12 januari 2021 beëindigd.
2. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond
verklaard. De rechtbank heeft geoordeeld dat het medisch onderzoek zorgvuldig is geweest en er geen aanleiding bestaat de uitkomst ervan voor onjuist te houden. Overwogen is dat appellant geen medische gronden heeft ingediend. Uitgaande van de juistheid van de FML moet appellant volgens de rechtbank in staat worden geacht de geselecteerde functies te verrichten. Volgens de rechtbank heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep in de rapporten van 28 januari 2021 en 16 februari 2021 voldoende gemotiveerd dat de functies de belastbaarheid van appellant niet overschrijden.
3.1.
In hoger beroep heeft appellant de gronden van beroep gehandhaafd. Hij houdt kort gezegd staande dat hij niet in staat is de geselecteerde functies te verrichten en concludeert dat zijn recht op ZW-uitkering per 12 januari 2021 moet worden voortgezet.
3.2.
Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Op grond van artikel 19aa, eerste lid, van de ZW heeft een verzekerde zonder werkgever, na 52 weken ongeschiktheid tot werken, recht op ziekengeld als hij nog steeds ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid en hij als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebrek slechts in staat is met arbeid ten hoogste 65% te verdienen van het maatmaninkomen per uur. Op grond van artikel 19aa, vijfde lid, van de ZW wordt onder het maatmaninkomen verstaan hetgeen gezonde personen met soortgelijke opleiding en ervaring, ter plaatse waar hij arbeid verricht of het laatst heeft verricht, of in de omgeving daarvan met arbeid gewoonlijk verdienen. Op grond van artikel 19ab, eerste en derde lid, van de ZW wordt het percentage van het maatmaninkomen dat de verzekerde kan verdienen, bedoeld in artikel 19aa van de ZW, vastgesteld op basis van een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek en wordt onder arbeid als bedoeld in artikel 19aa van de ZW verstaan alle algemeen geaccepteerde arbeid waartoe een verzekerde met zijn krachten en bekwaamheden in staat is. Voor de beoordelingssystematiek waarmee de verdiencapaciteit na het eerste ziektejaar wordt bepaald, wordt zoveel mogelijk aangesloten bij de huidige uitvoeringssystematiek van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, waarbij aan de hand van geschikte functies wordt vastgesteld of de betrokkene beschikt over resterende verdiencapaciteit (zie de uitspraak van de Raad van 30 december 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:4920).
4.2.
Wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd is een herhaling van wat hij in beroep heeft aangevoerd en geeft geen aanleiding om anders te oordelen dan de rechtbank heeft gedaan.
4.3.1.
De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak terecht geoordeeld dat het medisch
onderzoek zorgvuldig is geweest. De overwegingen die de rechtbank hieraan ten grondslag heeft gelegd, worden onderschreven.
4.3.2.
Voor zover appellant ter zitting heeft gesteld dat het medisch onderzoek onzorgvuldig is geweest omdat de verzekeringsarts bezwaar en beroep hem slechts kort heeft onderzocht, medische informatie niet heeft meegenomen bij de beoordeling en informatie had moeten opvragen bij de behandelend sector, wordt hij daarin niet gevolgd. Hiertoe wordt als volgt overwogen.
4.3.3.
De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in de uitingen van appellant tijdens de telefonische hoorzitting op 8 november 2020 uit zorgvuldigheidsoverwegingen reden gezien een aanvullend fysiek spreekuur te plannen. Uit het rapport van 8 december 2020 blijkt dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep tijdens dat spreekuur een anamnese heeft afgenomen en appellant lichamelijk en psychisch heeft onderzocht, waarna aanvullende beperkingen zijn aangenomen. Van een onzorgvuldig onderzoek is aldus niet gebleken.
4.3.4.
Voorts is niet gebleken dat appellant in de bezwaarfase medische informatie heeft ingebracht waarmee de verzekeringsarts bezwaar en beroep rekening had moeten houden. De gronden van bezwaar waren uitsluitend gericht tegen de arbeidskundige grondslag van het besluit van 31 oktober 2020. In de primaire fase heeft de verzekeringsarts bovendien de wel beschikbare medische informatie, van de bedrijfsarts van 7 juli 2020 en de reumatoloog van 29 april 2020, bij de beoordeling betrokken. De grond van appellant dat ten onrechte geen rekening is gehouden met de door hem ingebrachte medische informatie slaagt daarom niet.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door mr. F.M. Rijnbeek, in tegenwoordigheid van E.X.R. Yi als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 juli 2022.
(getekend) F.M. Rijnbeek
(getekend) E.X.R. Yi