Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2022-06-30
ECLI:NL:CRVB:2022:1512
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
2,383 tokens
Inleiding
201622 WW
Datum uitspraak: 30 juni 2022
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 12 maart 2020, 19/2328 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Procesverloop
Namens appellant heeft mr. S. Maachi, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en naar aanleiding van een vraagstelling van de Raad nadere stukken ingediend. Partijen hebben over en weer gereageerd.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 mei 2022. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Maachi. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door R.D. van den Heuvel.
Overwegingen
1.1
Appellant is tot en met 31 januari 2019 werkzaam geweest als fulltime schadebehandelaar bij een verzekeringsmaatschappij. Het Uwv heeft appellant bij besluit van 26 februari 2019 per 1 februari 2019 een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) toegekend.
1.2.
Via een adviseur werk van het Uwv Werkbedrijf (adviseur werk) is appellant op gesprek geweest voor een (tijdelijke) functie als schadebehandelaar bij [verzekeringsmaatschappij] ( [verzekeringsmaatschappij] ). Bij e-mailbericht van 13 mei 2019 heeft [verzekeringsmaatschappij] aan de adviseur werk laten weten dat appellant het aanbod om bij hen per direct te kunnen beginnen niet heeft aangenomen.
1.3.
Bij besluit 22 mei 2019 heeft het Uwv besloten dat de WW-uitkering per 1 mei 2019 blijvend niet meer tot uitbetaling komt op de grond dat appellant zonder geldige reden heeft geweigerd passende arbeid te aanvaarden. Appellant heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Volgens appellant heeft hij met de adviseur werk besproken wat voor hem passend werk zou zijn en daarbij is gesproken over een baan buiten de financiële dienstverlening. Appellant wist daardoor niet dat de aangeboden functie passende arbeid betrof en ook niet welke consequenties waren verbonden aan het weigeren hiervan.
1.4.
Bij beslissing op bezwaar van 29 juli 2019 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant gegrond verklaard en het besluit van 22 mei 2019 herroepen wat betreft de ingangsdatum van de maatregel. Aangezien appellant op 13 mei 2019 had kunnen beginnen bij [verzekeringsmaatschappij] komt de WW-uitkering per deze datum blijvend niet meer tot uitbetaling. Hieraan heeft het Uwv ten grondslag gelegd dat de functie van schadebehandelaar als passende arbeid wordt aangemerkt omdat appellant al eerder werkzaam is geweest in de financiële dienstverlening, ondanks dat appellant kenbaar heeft gemaakt liever niet meer te willen werken in deze sector. Appellant is er in het besluit van 26 februari 2019 op gewezen dat aan het ontvangen van een WW-uitkering plichten zijn verbonden. Daarbij is de website van het Uwv vermeld waarop een overzicht van deze plichten is te vinden, waaronder het accepteren van passend werk.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat de door Aevitea aangeboden baan als schadebehandelaar passende arbeid is, aangezien appellant ook werkzaam was als schadebehandelaar voordat hij werkloos raakte. Eventuele onduidelijkheid over de urenomvang van de aangeboden arbeid is daarbij niet van belang, dit is wel van belang voor de berekening van het bedrag dat als maatregel op de WW-uitkering in mindering wordt gebracht. In dit verband blijkt uit een e-mailbericht van 10 juli 2019 van de adviseur werk dat het werkaanbod een fulltime functie betreft. Onder verwijzing naar vaste rechtspraak (bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 8 mei 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:1597) heeft de rechtbank geoordeeld dat ook sprake is van een concreet werkaanbod. Appellant wist dat het om een functie als schadebehandelaar ging en uit een e-mailbericht van 13 mei 2019 van [verzekeringsmaatschappij] aan de adviseur werk blijkt dat aan appellant kenbaar is gemaakt dat hij bij [verzekeringsmaatschappij] kon beginnen. De beroepsgrond van appellant dat hij met zijn adviseur werk heeft afgesproken dat een baan in de financiële dienstverlening niet passend is, heeft de rechtbank opgevat als een beroep op het vertrouwensbeginsel. De rechtbank heeft verwezen naar vaste rechtspraak (bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 31 december 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:4351) en geoordeeld dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij een afspraak heeft gemaakt met het Uwv over de passendheid van het werk in de financiële dienstverlening. Het beroep op het vertrouwensbeginsel slaagt daarom niet. De rechtbank komt tot het oordeel dat appellant een aanbod voor passende arbeid heeft geweigerd. Dit betekent dat het Uwv op grond van artikel 27, tweede lid, van de WW een maatregel moet opleggen. Het Uwv heeft geen bevoegdheid om op grond van het proportionaliteitsbeginsel van het opleggen van een maatregel af te zien of de hoogte van de maatregel te matigen, zoals appellant heeft aangevoerd. Artikel 27, tweede lid, van de WW biedt hiervoor geen ruimte omdat het een dwingendrechtelijke bepaling betreft.
3.1.
Appellant heeft in hoger beroep in essentie de in beroep aangevoerde gronden herhaald. Deze komen erop neer dat appellant zich primair op het standpunt stelt dat geen sprake is van het weigeren van passende arbeid. Appellant heeft namelijk met de adviseur werk besproken dat een baan in de financiële dienstverlening voor hem niet passend is. Ook is geen sprake van een voldoende concreet werkaanbod omdat onder meer het salaris en de urenomvang nog niet waren besproken met appellant. Subsidiair heeft appellant aangevoerd dat van het opleggen van een maatregel moet worden afgezien of de hoogte van de maatregel moet worden gematigd. Hiertoe heeft appellant aangevoerd dat het hem niet of niet in overwegende mate valt te verwijten dat hij niet is ingegaan op het aanbod van [verzekeringsmaatschappij] . Ook heeft het Uwv volgens appellant niet aangetoond dat [verzekeringsmaatschappij] hem een aanbod heeft gedaan voor 38 uur per week. Daarom is een maatregel voor dit aantal uren onterecht. Tot slot heeft appellant gesteld dat de opgelegde maatregel in strijd is met het evenredigheidsbeginsel. Daarbij heeft hij ter zitting een beroep gedaan op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 2 februari 2022 (ECLI:NL:RVS:2022:285).
3.2.
Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit. Het Uwv handhaaft zijn standpunt dat sprake is geweest van een concreet werkaanbod van passende arbeid door [verzekeringsmaatschappij] . Appellant was bekend met de aard van de werkzaamheden en [verzekeringsmaatschappij] heeft kenbaar gemaakt dat hij appellant in dienst wilde nemen. Artikel 27, tweede lid, van de WW kent niet de mogelijkheid om rekening te houden met de mate van verwijtbaarheid. Daarom kan volgens het Uwv een matiging niet aan de orde zijn.
4. De Raad oordeelt als volgt.
4.1.1.
Op grond van artikel 24, eerste lid, aanhef en onder b, ten tweede, van de WW rust op de werknemer de verplichting te voorkomen dat hij werkloos is of blijft doordat hij nalaat passende arbeid te aanvaarden of door eigen toedoen geen passende arbeid verkrijgt.
4.1.2.
In artikel 27, tweede lid, van de WW is bepaald dat het Uwv bij het niet nakomen van de verplichting uit artikel 24, eerste lid, onderdeel b, onder 2, van de WW een bedrag blijvend op de WW-uitkering in mindering brengt.
4.1.3.
In artikel 27, elfde lid, van de WW is een formule weergegeven voor de berekening van het bedrag dat op de WW-uitkering moet worden gematigd. Het komt erop neer dat de uitkering blijvend niet tot uitbetaling komt over de uren die de werknemer had kunnen werken bij aanvaarding van het aanbod.
4.2.
Ter beoordeling ligt voor of het Uwv terecht heeft besloten dat de WW-uitkering van appellant per 13 mei 2019 blijvend niet meer tot uitbetaling komt op de grond dat appellant per deze datum heeft geweigerd passende arbeid te aanvaarden.
4.3.
Appellant heeft in hoger beroep in essentie dezelfde gronden aangevoerd als in beroep. De rechtbank heeft de beroepsgronden afdoende besproken en heeft overtuigend gemotiveerd waarom deze niet slagen. Het oordeel van de rechtbank en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen worden onderschreven. Gelet op de door appellant in hoger beroep gegeven nadere toelichting op zijn gronden wordt hieraan het volgende toegevoegd.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier als voorzitter en S. Wijna en G.A.J. van den Hurk als leden, in tegenwoordigheid van M.C.G. van Dijk als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 juni 2022.
(getekend) H.G. Rottier
(getekend) M.C.G. van Dijk