Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2022-06-21
ECLI:NL:CRVB:2022:1352
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
2,450 tokens
Inleiding
194913 PW
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van
17 oktober 2019, 19/2719 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] , woonplaats onbekend (appellante)
het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college)
Datum uitspraak: 21 juni 2022
Procesverloop
Namens appellante heeft mr. J.J.E. Stout, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Bij faxbericht van 3 mei 2021 heeft mr. V.C.D. Klaassen, advocaat en kantoorgenoot van mr. Stout, zich als gemachtigde gesteld.
Bij faxbericht van 20 mei 2021 heeft mr. N. Roos, advocaat en kantoorgenoot van mr. Klaassen, zich als opvolgend gemachtigde gesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 mei 2022. Namens appellante is
mr. Roos verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A. Zonneveld.
Overwegingen
1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1.
Bij besluit van 12 juli 2016 heeft het college aan appellante per 29 februari 2016 bijstand ingevolge de Participatiewet (PW) toegekend naar de norm voor een alleenstaande ouder. Op grond van de door appellante bij de aanvraag aangeleverde gegevens heeft het college het vermogen van appellante ten tijde van de aanvraag vastgesteld op € 279,18 negatief. Het vrij te laten vermogen voor een alleenstaande ouder bedroeg in 2016 € 11.840,-.
1.2.
Op 17 februari 2017 heeft het college van de Belastingdienst het signaal ontvangen dat de inwonende minderjarige zoon van appellante op 31 december 2015 op bankrekening *8241 een tegoed van meer dan € 10.500,- had staan. Naar aanleiding van dit signaal heeft een medewerker van het college een onderzoek ingesteld. Daaruit is het volgende naar voren gekomen. Appellante heeft bankrekening *8241 bij haar aanvraag niet opgegeven. Op
28 februari 2016 heeft appellante het gehele saldo van deze bankrekening, ten bedrage van € 16.890,02, overgeschreven naar haar betaalrekening *1070 (betaalrekening). Bankrekening *8241 is op 29 februari 2016 opgeheven. Op 28 februari 2016 heeft appellante van haar betaalrekening een bedrag van € 16.500,- naar de zakelijke bankrekening *8745 van haar bedrijf “[naam bedrijf]” overgemaakt. Deze zakelijke rekening had appellante evenmin bij haar aanvraag opgegeven. Appellante heeft op 2 maart 2016 het bedrag van € 16.450,- contant van bankrekening *8745 opgenomen. Bankrekening *8745 is op 21 juni 2016 opgeheven. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapportage Bestuursrechtelijk onderzoek van 23 maart 2018.
1.3.
In de resultaten van het onderzoek heeft het college aanleiding gezien om bij besluit van
25 mei 2018 (besluit 1) de bijstand van appellante over de periode van 29 februari 2016 tot en met 31 juli 2016 te herzien (lees: in te trekken) en de over die periode gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 6.041,76 bruto van appellante terug te vorderen.
1.4.
Bij besluit van 7 augustus 2018 (besluit 2) heeft het college aan appellante een boete opgelegd van € 2.385,51.
1.5.
Bij besluit van 18 april 2019 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen besluit 1 ongegrond verklaard, het bezwaar tegen besluit 2 gegrond verklaard en de hoogte van de boete vastgesteld op € 1.172,58. Daaraan ligt ten grondslag dat appellante bij haar aanvraag om bijstand ten onrechte geen melding heeft gedaan van bankrekening *8241 van haar zoon, zodat zij haar inlichtingenverplichting heeft geschonden. Het saldo van deze rekening bedroeg op 28 februari 2016 € 16.890,02. Dit overschreed het vrij te laten vermogen met € 4.771,02. Appellante had met dit bedrag zelf in haar levensonderhoud kunnen voorzien van 29 februari 2016 tot en met 31 juli 2016. Het recht op bijstand over die periode is daarom herzien en de betaalde bijstand is bruto teruggevorderd. Bij de opgelegde boete is het college uitgegaan van normale verwijtbaarheid en heeft het college 50% van het netto benadelingsbedrag als grondslag gehanteerd. Rekening houdend met de beperkte draagkracht van appellante ten tijde van het opleggen van de boete heeft het college de hoogte van de boete gematigd naar € 1.172,58 (12 x 10% van de voor appellante geldende bijstandsnorm van € 977,15).
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank het volgende overwogen, waarbij voor eiseres appellante en voor verweerder het college moet worden gelezen.
“6. Verweerder stelt zich terecht op het standpunt dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij ten tijde van de bijstandsaanvraag haar studieschuld aan de Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO) moest terugbetalen. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.
6.1.
In artikel 6.2, eerste lid, van de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000) is de verplichting opgenomen tot terugbetaling van leningen van degene die studiefinanciering heeft ontvangen.
Op grond van artikel 6.7 van de Wsf 2000 bedroeg voor studiefinanciering betaald vóór 1 januari 2018 de aflosfase maximaal 15 jaar.
Artikel 6.16 van de Wsf 2000 voorziet in het van rechtswege tenietgaan van de resterende studieschuld bij het einde van de aflosfase.
Op grond van artikel 10a.7, eerste lid, van de Wsf 2000 kan de debiteur, indien hij niet in staat is de vastgestelde termijn te voldoen, gedurende de aflosfase bij DUO een aanvraag indienen om zijn draagkracht vast te stellen voor de resterende aflosfase.
6.2.
Eiseres heeft een brief van DUO overgelegd waarin wordt bericht dat voor haar studieschuld van € 47.984,- per 1 januari 2016 de aflosfase begint en zij op basis van de door DUO gemaakte draagkrachtberekening per die datum € 283,13 per maand moet terugbetalen. Hieruit volgt echter niet zonder meer dat eiseres gehouden was deze studieschuld geheel af te lossen. Op grond van artikel 10a van de Wsf 2000 wordt immers het aflosbedrag per maand steeds aangepast op de draagkracht van de betrokkene. Daarmee is bij het einde van de aflosfase, als de resterende studieschuld van rechtswege tenietgaat, niet zeker dat de gehele studieschuld zal zijn terugbetaald. Naar vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (de Raad, zie bijvoorbeeld de uitspraken van 11 mei 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BM4124, en 6 oktober 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:3394) maakt dit dat de omvang van de schuld niet op voorhand kan worden bepaald en daarom niet bij de omvang van het vermogen behoeft te worden betrokken.
7. Verweerder stelt zich verder terecht op het standpunt dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij ten tijde van de bijstandsaanvraag een schuld aan Wehkamp had. Zij heeft immers ter onderbouwing alleen een overzicht van 2017 overgelegd. Daaruit kan niet worden afgeleid dat zij deze schuld al had ten tijde van de bijstandsaanvraag.
8. Hetzelfde geldt voor de schuld die eiseres stelt te hebben gehad ten tijde van de bijstandsaanvraag aan haar ex-partner. De enkele schriftelijke verklaring van haar ex-partner dat er een niet nader omschreven schuld was die in februari 2016 met
€ 12.000,- aan contant geld door eiseres is terugbetaald, is bij gebreke aan een nadere onderbouwing onvoldoende om het bestaan van deze schuld, de terugbetalingsverplichting en de gestelde vermogensoverdracht te kunnen aannemen.
9. Uit het voorgaande volgt dat verweerder bij het bestreden besluit het vermogen van eiseres na herziening op juiste wijze heeft bepaald. Vast staat dat eiseres met het bedrag dat het vrij te laten bedrag te boven ging, in de periode van 29 februari 2016 tot en met 31 juli 2016 zelf in haar levensonderhoud had kunnen voorzien. Verweerder heeft voor deze periode daarom terecht de bijstandsuitkering herzien, de teveel betaalde bijstand bepaald op met € 4.771,02 en na brutering € 6.041,76 van haar teruggevorderd.
De boete
10. Uit r.o. 4 tot en met 9 volgt dat verweerder heeft aangetoond dat eiseres de op haar rustende inlichtingenplicht heeft geschonden. Niet is gebleken dat elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt. Daarmee is de verwijtbaarheid van de schending van de inlichtingenplicht is gegeven, zodat verweerder in beginsel gehouden was met toepassing van artikel 18a van de Pw een boete op te leggen van ten hoogste het vastgestelde benadelingsbedrag.
11. Verweerder is terecht uitgegaan van normale verwijtbaarheid. Er zijn geen omstandigheden aannemelijk geworden die meebrengen dat sprake is van verminderde verwijtbaarheid.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J.L. Boxum als voorzitter en J.J. Janssen en
A.B.J. van der Ham als leden, in tegenwoordigheid van B. van Dijk als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 juni 2022.
(getekend) J.L. Boxum
(getekend) B. van Dijk