Rechtspraak Centrale Raad van Beroep 2022-05-25
ECLI:NL:CRVB:2022:1188
Bestuursrecht
204351 WSF, 21/1112 WSF Datum uitspraak: 25 mei 2022 Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 1 december 2020, 19/5028 (aangevallen uitspraak) Partijen: de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (minister) [betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene) De minister heeft hoger beroep ingesteld. Namens betrokkene heeft mr. M.G. van Westrenen, advocaat, een verweerschrift ingediend en incidenteel hoger beroep ingesteld onder de voorwaarde dat het hoger beroep gegrond is. De minister heeft een zienswijze ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 maart 2022. Betrokkene is niet verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. B.C. Rots. De Centrale Raad van Beroep - vernietigt de aangevallen uitspraak; - verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door J. Brand, in tegenwoordigheid van R. van Doorn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 mei 2022. (getekend) J. Brand (getekend) R. van Doorn 1.1. Betrokkene, geboren op [geboortedatum] 2000, heeft de Russische nationaliteit. Aan betrokkene is een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000), onder de beperking verblijf als familie- of gezinslid bij [vader betrokkene] (vader van betrokkene), verleend met ingang van 2 augustus 2013. Deze vergunning was, na verlenging, geldig tot 30 juni 2019. Met ingang van 14 februari 2019, geldig tot 14 februari 2024, is de verblijfsvergunning van betrokkene gewijzigd in een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 van de Vw 2000, onder de beperking niet-tijdelijke humanitaire gronden. Aan de vader van betrokkene is een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 Vw 2000, onder de beperking arbeid als kennismigrant, verleend met ingang van 2 augustus 2013. Deze vergunning is, na verlenging, geldig tot 30 juni 2024. 1.2. Betrokkene heeft van augustus 2017 tot en met december 2020 een opleiding in het middelbaar beroepsonderwijs gevolgd. Hij heeft, voor zover hier van belang, per 1 augustus 2018 studiefinanciering op grond van de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000) aangevraagd. 1.3. Bij besluit van 24 mei 2019 (besluit 1) heeft de minister vastgesteld dat betrokkene van augustus 2018 tot en met december 2018 geen recht heeft op studiefinanciering. 1.4. Bij een tweede besluit van 24 mei 2019 (besluit 2) heeft de minister vastgesteld dat betrokkene over het jaar 2019 geen recht heeft op studiefinanciering. 1.5. Betrokkene heeft bezwaar gemaakt tegen de besluiten 1 en 2. 1.6. Bij beslissing op bezwaar van 26 juli 2019 heeft de minister het bezwaar gegrond verklaard, voor zover betreft het recht op studiefinanciering van betrokkene vanaf 1 maart 2019. Voor het overige is het bezwaar ongegrond verklaard. 1.7. Bij besluit van 30 augustus 2019 (bestreden besluit) heeft de minister, onder intrekking van de beslissing op bezwaar van 26 juli 2019, het bezwaar van betrokkene ongegrond verklaard. Daaraan is ten grondslag gelegd dat betrokkene niet voldoet aan het in artikel 2.2, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wsf 2000 neergelegde nationaliteitsvereiste en hij niet valt onder één van de in artikel 3 van het Besluit studiefinanciering 2000 (Bsf 2000) beschreven categorieën waarin gelijkstelling met een Nederlander plaatsvindt. Ten aanzien van de periode augustus 2018 tot en met februari 2019 heeft de minister zich op het standpunt gesteld dat nu de vader van betrokkene, bij wie appellant volgens zijn verblijfsvergunning verblijft, geen Nederlander is en hij geen verblijfsvergunning heeft die valt onder artikel 3 van het Bsf 2000, betrokkene niet onder de gelijkstellingsregeling valt. De verblijfsvergunning regulier bepaalde tijd met de beperking kennismigrant hoort namelijk niet tot de in artikel 3 van het Bsf 2000 genoemde beperkingen. Voor wat betreft de periode vanaf maart 2019 heeft de minister zich op het standpunt gesteld dat evenmin recht op studiefinanciering bestaat. Voor het recht op studiefinanciering dat is verbonden aan de met ingang van 14 februari 2019 aan betrokkene verleende verblijfsvergunning onder de beperking niet-tijdelijke humanitaire gronden, moet namelijk gekeken worden naar de beperking van de oorspronkelijk verleende vergunning: verblijf als familie- of gezinslid bij vader. Nu de verblijfsvergunning van vader niet valt onder artikel 3 van het Bsf 2000 valt betrokkene ook voor de periode vanaf maart 2019 niet onder de gelijkstellingsregeling. Van de wet- en regelgeving kan niet worden afgeweken. 2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard en dat besluit vernietigd. De rechtbank is van oordeel dat het beroep van betrokkene op het vertrouwensbeginsel slaagt. Daartoe is overwogen dat niet in geschil is dat de minister bij betrokkene verwachtingen heeft gewekt door de beslissing op bezwaar van 26 juli 2019, waarbij het bezwaar gegrond is verklaard voor zover het betreft het recht op studiefinanciering vanaf 1 maart 2019. Betrokkene heeft zich in dat vertrouwen in de 35 dagen tussen de beslissing op bezwaar van 26 juli 2019 en het bestreden besluit op die verworvenheid ingesteld. Als gevolg van de door de minister gewekte verwachtingen is betrokkene getroffen in zijn toekomstperspectief en is hij een opleiding gestart waarvoor hij kosten heeft gemaakt, zodat aan het dispositievereiste is voldaan. Er zijn verder geen contraire derde-belangen in het geding en de minister heeft geen zwaarwegende belangen gesteld die nopen tot het oordeel dat niet moet worden voldaan aan de gerechtvaardigde verwachtingen. Nu het bestreden besluit geen stand houdt behoeven de overige gronden geen bespreking meer. Dit betekent dat de beslissing op bezwaar van 26 juli 2019, welke is ingetrokken bij het bestreden besluit, herleeft. 3.1. De minister heeft in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte geoordeeld heeft dat aan het dispositievereiste is voldaan en daarmee het beroep op het vertrouwensbeginsel slaagt. Niet is gebleken dat betrokkene ten gevolge van de onterechte toekenning van studiefinanciering een handeling heeft verricht of heeft nagelaten te verrichten waardoor hij schade heeft geleden. De rechtbank heeft ten onrechte overwogen dat betrokkene als gevolg van door de minister gewekte verwachtingen is getroffen in zijn toekomstperspectief en een opleiding is aangevangen waarvoor hij kosten heeft gemaakt. Betrokkene is namelijk reeds in augustus 2017 gestart met de opleiding bedrijfsadministrateur en hij heeft deze opleiding in december 2020 beëindigd. Vanaf september 2020 volgt betrokkene een hoger beroepsopleiding. Er is geen enkel bewijs voorhanden dat betrokkene een opleiding is aangevangen op grond van de onterechte toekenning van studiefinanciering of dat anderszins aan het dispositievereiste is voldaan. Nu bovendien de onterechte toekenning van studiefinanciering na korte tijd is gecorrigeerd, er sprake is van een toekenning die in strijd is met een dwingendrechtelijke bepaling en honorering van het vertrouwensbeginsel mogelijkerwijs zal leiden tot een jarenlange toekenning van studiefinanciering die in strijd is met de wet, bestaat er geen grondslag voor honorering van het beroep op het vertrouwensbeginsel. 3.2. In het voorwaardelijk ingestelde incidentele hoger beroep heeft betrokkene verwezen naar de in beroep aangevoerde gronden waar de rechtbank door de gegrondverklaring van het beroep niet aan toe is gekomen. Dat is in de eerste plaats de grond dat de weigering toekenning van studiefinanciering op basis van het type verblijfsvergunning van de vader van betrokkene een schrijnende situatie oplevert nu betrokkene geen invloed heeft op de verblijfsstatus van zijn vader en hij verstoten is door zijn ouders. De tweede grond is dat sprake is van schending van het gelijkheidsbeginsel, omdat hij ongelijk behandeld wordt ten opzichte van studenten aan wie wel studiefinanciering wordt toegekend. 4. De Raad oordeelt als volgt. 4.1. Betrokkene heeft in zijn incidenteel hoger beroepschrift van 29 maart 2021 geen gronden aangevoerd die zich richten tegen de rechtbank uitspraak, maar uitsluitend gewezen op de door de rechtbank onbesproken beroepsgronden. Dat stuk kan dan ook niet gekwalificeerd worden als een voorwaardelijk incidenteel hoger beroep als bedoeld in de artikelen 8:110, eerste lid, en 8:112, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.