Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2022-05-25
ECLI:NL:CRVB:2022:1168
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
3,984 tokens
Inleiding
20 3225 ZW
Datum uitspraak: 25 mei 2022
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 3 augustus 2020, 19/4435 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Procesverloop
Namens appellant heeft mr. E.M. Prins, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 april 2022. Namens appellant is mr. Prins verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.C. Puister.
Overwegingen
1.1.
Appellant was werkzaam als administratief medewerker, voor 40 uur per week, toen hij zich op 28 augustus 2018 voor dit werk ziek meldde met knie-, rug- en psychische klachten. Zijn dienstverband is op 1 september 2018 geëindigd. Het Uwv heeft aan appellant met ingang van 3 september 2018 voorschotten van ziekengeld op grond van de Ziektewet (ZW) betaald.
1.2.
Op 25 maart 2019 heeft appellant het spreekuur bezocht van een arts. Deze arts heeft appellant per 28 augustus 2018 geschikt geacht voor de laatst verrichte arbeid in de functie van administratief medewerker. Vervolgens heeft het Uwv bij besluit van 25 maart 2019 vastgesteld dat appellant per 6 maart 2019 geen recht meer heeft op ziekengeld. Het bezwaar van appellant tegen dit besluit heeft het Uwv bij besluit van 13 juni 2019 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 12 juni 2019 ten grondslag.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft onder verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 30 juni 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:2226, naar aanleiding van het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 8 oktober 2015 (Korošec), als volgt overwogen. De rechtbank heeft geoordeeld dat sprake is van een zorgvuldig onderzoek. Er zijn geen aanknopingspunten om aan te nemen dat geen sprake is van een volledige heroverweging. Gezien de datum in geding en de aard van de klachten is een extra onderzoek na schorsing van het onderzoek ter zitting niet aangewezen. Daarnaast is het protocol angststoornissen niet van toepassing bij een ZW-beoordeling en is de duur van een onderzoek niet bepalend voor de zorgvuldigheid ervan. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft alle klachten van appellant erkend en gewogen bij de beoordeling. De rechtbank heeft verder geoordeeld dat appellant voldoende de mogelijkheid heeft gekregen om het standpunt van de verzekeringsartsen te betwisten. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft informatie van de orthopedisch chirurg en de huisarts ontvangen en ook bij de beoordeling betrokken. Ook ziet de rechtbank geen aanknopingspunten om te twijfelen aan de juistheid van de medische beoordeling van de verzekeringsartsen. Niet is gebleken van doorlopende arbeidsongeschiktheid voor maatgevende arbeid. De rechtbank ziet geen aanknopingspunten om aan te nemen dat meer beperkingen hadden moeten worden aangenomen, nu appellant geen medische stukken heeft overgelegd die daar aanleiding toe geven. De psychische klachten zijn door de verzekeringsarts bezwaar en beroep onderkend en gewogen. Ook de lage GAF-score kan op zichzelf niet leiden tot meer beperkingen. De rechtbank ziet geen aanleiding om een deskundige te benoemen, nu de medische grondslag van het bestreden besluit kan worden onderschreven.
3.1.
In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat het onderzoek niet zorgvuldig was. Het onderzoek voldoet niet aan de vereisten van het Schattingsbesluit. Ook is geen sprake van een volledige herbeoordeling, omdat geen beoordelingsgesprek heeft plaatsgevonden zoals hoort bij psychische klachten. Het onderzoek heeft bovendien niet conform het protocol angststoornissen plaatsgevonden. Hoewel dit protocol geschreven is voor WIAbeoordelingen, geeft het protocol wel aan hoe de belastbaarheid beoordeeld zou moeten worden. De rechtbank heeft dan ook ten onrechte verwezen naar de uitspraak van 15 januari 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:77, omdat in deze zaak is afgeweken van het protocol. Verder heeft appellant aangevoerd dat zijn beperkingen zijn onderschat, nu aannemelijk is dat sprake is van een onzorgvuldig onderzoek. De PTSS en angststoornissen van appellant zijn onderschat. Tot slot verzoekt appellant de Raad, onder verwijzing naar het Korošecarrest, een deskundige aan te wijzen.
3.2.
Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Op grond van artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW heeft een verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken, recht op ziekengeld. Volgens vaste rechtspraak van de Raad wordt onder “zijn arbeid” verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding verrichte arbeid. Op grond van artikel 19, vijfde lid, van de ZW wordt voor een verzekerde die geen werkgever heeft onder ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid verstaan: ongeschiktheid tot het verrichten van werkzaamheden die bij een soortgelijke werkgever gewoonlijk kenmerkend zijn voor zijn arbeid.
4.2.
In geschil is of het Uwv terecht per 6 maart 2019 de ZW-uitkering van appellant heeft beëindigd.
4.3.
Wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, is in essentie een herhaling van de gronden die hij bij de rechtbank heeft ingediend en vormt geen aanleiding om anders te oordelen dan de rechtbank heeft gedaan. De rechtbank wordt gevolgd in haar oordeel – en de daaraan ten grondslag liggende overwegingen – dat het medisch onderzoek voldoende zorgvuldig heeft plaatsgevonden en er geen aanleiding bestaat te twijfelen aan de juistheid van het medisch oordeel. De Raad voegt daar nog het volgende aan toe.
4.4.
De rechtbank wordt ook gevolgd in haar oordeel dat de subjectieve beleving van de klachten door appellant niet doorslaggevend is bij de objectieve beoordeling van de beperkingen. In wat appellant heeft aangevoerd, worden geen aanknopingspunten gevonden om aan te nemen dat dit niet zou gelden voor onderhavige situatie. Anders dan appellant heeft betoogd, volgt uit de door de rechtbank genoemde uitspraak van de Raad van 15 januari 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:77, niet dat het protocol angststoornissen als hulpmiddel toegepast had moeten worden. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft een eigen zelfstandige argumentatie gegeven, waarbij de aanwezigheid van PTSS, angstklachten, stemmingsstoornissen en slaapstoornissen wordt onderkend en is gewogen bij de beoordeling. In het niet toepassen van het protocol angststoornissen wordt daarom ook geen aanleiding gezien om aan te nemen dat het onderzoek onzorgvuldig is geweest.
4.5.
Nu de daarvoor noodzakelijke twijfel aan de juistheid van de medische beoordeling ontbreekt, wordt ook door de Raad geen aanleiding gezien over te gaan tot het inschakelen van een deskundige.
4.6.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door F.M. Rijnbeek, in tegenwoordigheid van L.R. Kokhuis als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 mei 2022.
(getekend) F.M. Rijnbeek
(getekend) L.R. Kokhuis
Inleiding
20 3225 ZW
Datum uitspraak: 25 mei 2022
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 3 augustus 2020, 19/4435 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Procesverloop
Namens appellant heeft mr. E.M. Prins, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 april 2022. Namens appellant is mr. Prins verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.C. Puister.
Overwegingen
1.1.
Appellant was werkzaam als administratief medewerker, voor 40 uur per week, toen hij zich op 28 augustus 2018 voor dit werk ziek meldde met knie-, rug- en psychische klachten. Zijn dienstverband is op 1 september 2018 geëindigd. Het Uwv heeft aan appellant met ingang van 3 september 2018 voorschotten van ziekengeld op grond van de Ziektewet (ZW) betaald.
1.2.
Op 25 maart 2019 heeft appellant het spreekuur bezocht van een arts. Deze arts heeft appellant per 28 augustus 2018 geschikt geacht voor de laatst verrichte arbeid in de functie van administratief medewerker. Vervolgens heeft het Uwv bij besluit van 25 maart 2019 vastgesteld dat appellant per 6 maart 2019 geen recht meer heeft op ziekengeld. Het bezwaar van appellant tegen dit besluit heeft het Uwv bij besluit van 13 juni 2019 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 12 juni 2019 ten grondslag.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft onder verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 30 juni 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:2226, naar aanleiding van het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 8 oktober 2015 (Korošec), als volgt overwogen. De rechtbank heeft geoordeeld dat sprake is van een zorgvuldig onderzoek. Er zijn geen aanknopingspunten om aan te nemen dat geen sprake is van een volledige heroverweging. Gezien de datum in geding en de aard van de klachten is een extra onderzoek na schorsing van het onderzoek ter zitting niet aangewezen. Daarnaast is het protocol angststoornissen niet van toepassing bij een ZW-beoordeling en is de duur van een onderzoek niet bepalend voor de zorgvuldigheid ervan. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft alle klachten van appellant erkend en gewogen bij de beoordeling. De rechtbank heeft verder geoordeeld dat appellant voldoende de mogelijkheid heeft gekregen om het standpunt van de verzekeringsartsen te betwisten. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft informatie van de orthopedisch chirurg en de huisarts ontvangen en ook bij de beoordeling betrokken. Ook ziet de rechtbank geen aanknopingspunten om te twijfelen aan de juistheid van de medische beoordeling van de verzekeringsartsen. Niet is gebleken van doorlopende arbeidsongeschiktheid voor maatgevende arbeid. De rechtbank ziet geen aanknopingspunten om aan te nemen dat meer beperkingen hadden moeten worden aangenomen, nu appellant geen medische stukken heeft overgelegd die daar aanleiding toe geven. De psychische klachten zijn door de verzekeringsarts bezwaar en beroep onderkend en gewogen. Ook de lage GAF-score kan op zichzelf niet leiden tot meer beperkingen. De rechtbank ziet geen aanleiding om een deskundige te benoemen, nu de medische grondslag van het bestreden besluit kan worden onderschreven.
3.1.
In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat het onderzoek niet zorgvuldig was. Het onderzoek voldoet niet aan de vereisten van het Schattingsbesluit. Ook is geen sprake van een volledige herbeoordeling, omdat geen beoordelingsgesprek heeft plaatsgevonden zoals hoort bij psychische klachten. Het onderzoek heeft bovendien niet conform het protocol angststoornissen plaatsgevonden. Hoewel dit protocol geschreven is voor WIAbeoordelingen, geeft het protocol wel aan hoe de belastbaarheid beoordeeld zou moeten worden. De rechtbank heeft dan ook ten onrechte verwezen naar de uitspraak van 15 januari 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:77, omdat in deze zaak is afgeweken van het protocol. Verder heeft appellant aangevoerd dat zijn beperkingen zijn onderschat, nu aannemelijk is dat sprake is van een onzorgvuldig onderzoek. De PTSS en angststoornissen van appellant zijn onderschat. Tot slot verzoekt appellant de Raad, onder verwijzing naar het Korošecarrest, een deskundige aan te wijzen.
3.2.
Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Op grond van artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW heeft een verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken, recht op ziekengeld. Volgens vaste rechtspraak van de Raad wordt onder “zijn arbeid” verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding verrichte arbeid. Op grond van artikel 19, vijfde lid, van de ZW wordt voor een verzekerde die geen werkgever heeft onder ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid verstaan: ongeschiktheid tot het verrichten van werkzaamheden die bij een soortgelijke werkgever gewoonlijk kenmerkend zijn voor zijn arbeid.
4.2.
In geschil is of het Uwv terecht per 6 maart 2019 de ZW-uitkering van appellant heeft beëindigd.
4.3.
Wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, is in essentie een herhaling van de gronden die hij bij de rechtbank heeft ingediend en vormt geen aanleiding om anders te oordelen dan de rechtbank heeft gedaan. De rechtbank wordt gevolgd in haar oordeel – en de daaraan ten grondslag liggende overwegingen – dat het medisch onderzoek voldoende zorgvuldig heeft plaatsgevonden en er geen aanleiding bestaat te twijfelen aan de juistheid van het medisch oordeel. De Raad voegt daar nog het volgende aan toe.
4.4.
De rechtbank wordt ook gevolgd in haar oordeel dat de subjectieve beleving van de klachten door appellant niet doorslaggevend is bij de objectieve beoordeling van de beperkingen. In wat appellant heeft aangevoerd, worden geen aanknopingspunten gevonden om aan te nemen dat dit niet zou gelden voor onderhavige situatie. Anders dan appellant heeft betoogd, volgt uit de door de rechtbank genoemde uitspraak van de Raad van 15 januari 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:77, niet dat het protocol angststoornissen als hulpmiddel toegepast had moeten worden. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft een eigen zelfstandige argumentatie gegeven, waarbij de aanwezigheid van PTSS, angstklachten, stemmingsstoornissen en slaapstoornissen wordt onderkend en is gewogen bij de beoordeling. In het niet toepassen van het protocol angststoornissen wordt daarom ook geen aanleiding gezien om aan te nemen dat het onderzoek onzorgvuldig is geweest.
4.5.
Nu de daarvoor noodzakelijke twijfel aan de juistheid van de medische beoordeling ontbreekt, wordt ook door de Raad geen aanleiding gezien over te gaan tot het inschakelen van een deskundige.
4.6.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door F.M. Rijnbeek, in tegenwoordigheid van L.R. Kokhuis als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 mei 2022.
(getekend) F.M. Rijnbeek
(getekend) L.R. Kokhuis