Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2022-05-25
ECLI:NL:CRVB:2022:1167
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
4,710 tokens
Inleiding
201881 WIA
Datum uitspraak: 25 mei 2022
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van
3 april 2020, 19/4432 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Procesverloop
Namens appellante heeft mr. M.M. van Daalhuizen, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en op verzoek van de Raad nadere stukken overgelegd.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 maart 2022. Namens appellante is mr. Van Daalhuizen verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.J.H.H. Fuchs.
Overwegingen
1.1.
Bij besluit van 17 september 2015 heeft het Uwv appellante per 26 oktober 2015 een loongerelateerde WGA-uitkering (LGU-uitkering) op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) toegekend, waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op 80 tot 100%. Na afloop van de LGU-uitkering is aan appellante bij besluit van 17 oktober 2018 een WGA-loonaanvullingsuitkering toegekend. De ex-werkgever van appellante heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit. Naar aanleiding hiervan heeft het Uwv een herbeoordeling laten verrichten.
1.2.
In het kader van deze herbeoordeling heeft appellante op 28 januari 2019 het spreekuur bezocht van een verzekeringsarts. Deze arts heeft vastgesteld dat appellante belastbaar is met inachtneming van de beperkingen die zijn neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 30 januari 2019. Een arbeidsdeskundige heeft vervolgens functies geselecteerd en op basis van de drie functies met de hoogste lonen de mate van arbeidsongeschiktheid berekend op 0%. Bij besluit van 13 maart 2019 heeft het Uwv de WGA-uitkering beëindigd per 14 mei 2019 op de grond dat appellante minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Het bezwaar van appellante tegen dit besluit heeft het Uwv bij besluit van 19 juli 2019 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit liggen rapporten van 8 juni 2019 van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en van 9 juli 2019 van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag.
2.1.1.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geoordeeld dat het betoog van appellante dat zij heeft afgezien van een hoorzitting omdat zij door het Uwv op het verkeerde been is gezet, niet slaagt. Het komt naar het oordeel van de rechtbank voor risico van appellante dat zij na telefonisch contact met het Uwv heeft besloten om geen gebruik te maken van de gelegenheid om te worden gehoord. Daarbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat appellante, eventueel na raadpleging van een rechtsbijstandverlener, alsnog ervoor had kunnen kiezen om gebruik te maken van het recht te worden gehoord.
2.1.2.
Over de medische grondslag van het bestreden besluit heeft de rechtbank geoordeeld dat het medisch onderzoek door het Uwv zorgvuldig is geweest en dat er geen aanleiding is om te twijfelen aan de juistheid van het medisch oordeel van het Uwv. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat de in het dossier aanwezige medische informatie is meegenomen bij de beoordeling van de belastbaarheid van appellante. Wat betreft de door appellante gestelde korte duur van het onderzoek door de verzekeringsarts heeft de rechtbank overwogen dat naar vaste rechtspraak (bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 28 november 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:3962) uit de duur van het medisch onderzoek niet zonder meer conclusies kunnen worden getrokken over de volledigheid en zorgvuldigheid daarvan. De door appellante in beroep overgelegde brief van de huisarts van 14 februari 2019 heeft de rechtbank geen aanleiding gegeven voor twijfel aan de juistheid van de FML van 30 januari 2019. Tot slot heeft de rechtbank overwogen dat, uitgaande van de FML van 30 januari 2019, het Uwv voldoende heeft gemotiveerd dat de functies in medisch opzicht geschikt zijn voor appellante.
3.1.1.
Appellante heeft in hoger beroep de in beroep aangevoerde gronden herhaald. Zij handhaaft haar standpunt dat zij heeft afgezien van een hoorzitting omdat zij door het Uwv op het verkeerde been is gezet. Volgens appellante heeft de medewerker bezwaar van het Uwv, die zij telefonisch heeft gesproken, gezegd dat een hoorzitting niet nodig is als alle argumenten al in het bezwaarschrift zijn genoemd. Op grond van die mededeling heeft appellante geantwoord dat er geen hoorzitting hoefde plaats te vinden. Ter zitting van de Raad heeft de gemachtigde van appellante toegelicht dat vooral van belang is dat bij een hoorzitting vaak een verzekeringsarts bezwaar en beroep aanwezig is en dat die gelegenheid er nu niet is geweest.
3.1.2.
Wat betreft de medische grondslag van het bestreden besluit heeft appellante aangevoerd dat het Uwv haar belastbaarheid heeft overschat. Haar klachten zijn niet afgenomen en voorheen werd zij volledig arbeidsongeschikt geacht. Volgens appellante had de rechtbank meer waarde moeten hechten aan de bevindingen van haar huisarts, vermeld in een brief van 14 februari 2019, die volgens appellante haaks staan op de conclusie van het Uwv over haar belastbaarheid. De brief van de huisarts is door de verzekeringsarts niet meegenomen in de beoordeling aangezien deze is gedateerd op een latere datum dan de FML van 30 januari 2019.
3.2.
Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen. Het Uwv heeft toegelicht dat uit de contacthistorie blijkt dat een medewerker van de afdeling Bezwaar en Beroep (medewerker B en B) op 27 maart 2019 telefonisch heeft gesproken met de dochter van appellante. De medewerker B&B heeft de bezwaarprocedure toegelicht, waarbij ook is gesproken over de hoorzitting.De dochter van appellante heeft diezelfde dag nog teruggebeld en aan de medewerker B en B meegedeeld dat een hoorzitting niet nodig is. Het Uwv heeft de notities van beide telefoongesprekken op 27 maart 2019 overgelegd.
4. De Raad oordeelt als volgt.
4.1.1.
Op grond van artikel 7:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) stelt een bestuursorgaan, voordat het op het bezwaar beslist, de belanghebbende in de gelegenheid om te worden gehoord. Op grond van artikel 7:3, aanhef en onder c, van de Awb kan van het horen worden afgezien indien de belanghebbende heeft verklaard geen gebruik te willen maken van het recht om te worden gehoord.
4.1.2.
Van gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid van een verzekerde is op grond van artikel 5 van de Wet WIA sprake als hij als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van onder meer ziekte of gebrek slechts in staat is met arbeid ten hoogste 65% te verdienen van het maatmaninkomen per uur, maar niet volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is. Op grond van artikel 6, eerste lid, van de Wet WIA wordt de beoordeling van de arbeidsongeschiktheid gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek.
4.2.
In geschil is de vraag of het Uwv de WGA-uitkering van appellante terecht per 14 mei 2019 heeft beëindigd op de grond dat haar mate van arbeidsongeschiktheid in de zin van de Wet WIA is vastgesteld op minder dan 35%.
4.3.
Met de rechtbank wordt geoordeeld dat het Uwv op goede gronden heeft afgezien van een hoorzitting. Hiertoe wordt overwogen dat uit de overgelegde telefoonnotities blijkt dat de dochter van appellante op 27 maart 2019 met een medewerker B en B van het Uwv heeft gesproken en dat in dat gesprek de bezwaarprocedure is toegelicht. De dochter van appellante heeft aangegeven dat zij twijfelt of appellante gebruik wil maken van een hoorzitting en afgesproken is dat de medewerker B en B de volgende week zou terugbellen. De dochter van appellante heeft echter dezelfde dag de medewerker B en B teruggebeld en gemeld dat een hoorzitting niet nodig is. In de telefoonnotities is geen steun te vinden voor de stelling van appellante dat de medewerker B en B zou hebben gezegd dat een hoorzitting geen toegevoegde waarde zou hebben. Nu appellante ook niet op enig later moment alsnog heeft kenbaar gemaakt dat zij een hoorzitting wilde, heeft het Uwv terecht aangenomen dat appellante heeft afgezien van haar recht om te worden gehoord. Tot slot wordt overwogen dat het ter beoordeling van de verzekeringsarts bezwaar en beroep is of hij al dan niet aanwezig moet zijn bij de hoorzitting, zoals het Uwv heeft opgemerkt in het verweerschrift.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door S. Wijna, in tegenwoordigheid van M.C.G. van Dijk als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 mei 2022.
(getekend) S. Wijna
(getekend) M.C.G. van Dijk
Inleiding
201881 WIA
Datum uitspraak: 25 mei 2022
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van
3 april 2020, 19/4432 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Procesverloop
Namens appellante heeft mr. M.M. van Daalhuizen, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en op verzoek van de Raad nadere stukken overgelegd.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 maart 2022. Namens appellante is mr. Van Daalhuizen verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.J.H.H. Fuchs.
Overwegingen
1.1.
Bij besluit van 17 september 2015 heeft het Uwv appellante per 26 oktober 2015 een loongerelateerde WGA-uitkering (LGU-uitkering) op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) toegekend, waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op 80 tot 100%. Na afloop van de LGU-uitkering is aan appellante bij besluit van 17 oktober 2018 een WGA-loonaanvullingsuitkering toegekend. De ex-werkgever van appellante heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit. Naar aanleiding hiervan heeft het Uwv een herbeoordeling laten verrichten.
1.2.
In het kader van deze herbeoordeling heeft appellante op 28 januari 2019 het spreekuur bezocht van een verzekeringsarts. Deze arts heeft vastgesteld dat appellante belastbaar is met inachtneming van de beperkingen die zijn neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 30 januari 2019. Een arbeidsdeskundige heeft vervolgens functies geselecteerd en op basis van de drie functies met de hoogste lonen de mate van arbeidsongeschiktheid berekend op 0%. Bij besluit van 13 maart 2019 heeft het Uwv de WGA-uitkering beëindigd per 14 mei 2019 op de grond dat appellante minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Het bezwaar van appellante tegen dit besluit heeft het Uwv bij besluit van 19 juli 2019 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit liggen rapporten van 8 juni 2019 van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en van 9 juli 2019 van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag.
2.1.1.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geoordeeld dat het betoog van appellante dat zij heeft afgezien van een hoorzitting omdat zij door het Uwv op het verkeerde been is gezet, niet slaagt. Het komt naar het oordeel van de rechtbank voor risico van appellante dat zij na telefonisch contact met het Uwv heeft besloten om geen gebruik te maken van de gelegenheid om te worden gehoord. Daarbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat appellante, eventueel na raadpleging van een rechtsbijstandverlener, alsnog ervoor had kunnen kiezen om gebruik te maken van het recht te worden gehoord.
2.1.2.
Over de medische grondslag van het bestreden besluit heeft de rechtbank geoordeeld dat het medisch onderzoek door het Uwv zorgvuldig is geweest en dat er geen aanleiding is om te twijfelen aan de juistheid van het medisch oordeel van het Uwv. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat de in het dossier aanwezige medische informatie is meegenomen bij de beoordeling van de belastbaarheid van appellante. Wat betreft de door appellante gestelde korte duur van het onderzoek door de verzekeringsarts heeft de rechtbank overwogen dat naar vaste rechtspraak (bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 28 november 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:3962) uit de duur van het medisch onderzoek niet zonder meer conclusies kunnen worden getrokken over de volledigheid en zorgvuldigheid daarvan. De door appellante in beroep overgelegde brief van de huisarts van 14 februari 2019 heeft de rechtbank geen aanleiding gegeven voor twijfel aan de juistheid van de FML van 30 januari 2019. Tot slot heeft de rechtbank overwogen dat, uitgaande van de FML van 30 januari 2019, het Uwv voldoende heeft gemotiveerd dat de functies in medisch opzicht geschikt zijn voor appellante.
3.1.1.
Appellante heeft in hoger beroep de in beroep aangevoerde gronden herhaald. Zij handhaaft haar standpunt dat zij heeft afgezien van een hoorzitting omdat zij door het Uwv op het verkeerde been is gezet. Volgens appellante heeft de medewerker bezwaar van het Uwv, die zij telefonisch heeft gesproken, gezegd dat een hoorzitting niet nodig is als alle argumenten al in het bezwaarschrift zijn genoemd. Op grond van die mededeling heeft appellante geantwoord dat er geen hoorzitting hoefde plaats te vinden. Ter zitting van de Raad heeft de gemachtigde van appellante toegelicht dat vooral van belang is dat bij een hoorzitting vaak een verzekeringsarts bezwaar en beroep aanwezig is en dat die gelegenheid er nu niet is geweest.
3.1.2.
Wat betreft de medische grondslag van het bestreden besluit heeft appellante aangevoerd dat het Uwv haar belastbaarheid heeft overschat. Haar klachten zijn niet afgenomen en voorheen werd zij volledig arbeidsongeschikt geacht. Volgens appellante had de rechtbank meer waarde moeten hechten aan de bevindingen van haar huisarts, vermeld in een brief van 14 februari 2019, die volgens appellante haaks staan op de conclusie van het Uwv over haar belastbaarheid. De brief van de huisarts is door de verzekeringsarts niet meegenomen in de beoordeling aangezien deze is gedateerd op een latere datum dan de FML van 30 januari 2019.
3.2.
Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen. Het Uwv heeft toegelicht dat uit de contacthistorie blijkt dat een medewerker van de afdeling Bezwaar en Beroep (medewerker B en B) op 27 maart 2019 telefonisch heeft gesproken met de dochter van appellante. De medewerker B&B heeft de bezwaarprocedure toegelicht, waarbij ook is gesproken over de hoorzitting.De dochter van appellante heeft diezelfde dag nog teruggebeld en aan de medewerker B en B meegedeeld dat een hoorzitting niet nodig is. Het Uwv heeft de notities van beide telefoongesprekken op 27 maart 2019 overgelegd.
4. De Raad oordeelt als volgt.
4.1.1.
Op grond van artikel 7:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) stelt een bestuursorgaan, voordat het op het bezwaar beslist, de belanghebbende in de gelegenheid om te worden gehoord. Op grond van artikel 7:3, aanhef en onder c, van de Awb kan van het horen worden afgezien indien de belanghebbende heeft verklaard geen gebruik te willen maken van het recht om te worden gehoord.
4.1.2.
Van gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid van een verzekerde is op grond van artikel 5 van de Wet WIA sprake als hij als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van onder meer ziekte of gebrek slechts in staat is met arbeid ten hoogste 65% te verdienen van het maatmaninkomen per uur, maar niet volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is. Op grond van artikel 6, eerste lid, van de Wet WIA wordt de beoordeling van de arbeidsongeschiktheid gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek.
4.2.
In geschil is de vraag of het Uwv de WGA-uitkering van appellante terecht per 14 mei 2019 heeft beëindigd op de grond dat haar mate van arbeidsongeschiktheid in de zin van de Wet WIA is vastgesteld op minder dan 35%.
4.3.
Met de rechtbank wordt geoordeeld dat het Uwv op goede gronden heeft afgezien van een hoorzitting. Hiertoe wordt overwogen dat uit de overgelegde telefoonnotities blijkt dat de dochter van appellante op 27 maart 2019 met een medewerker B en B van het Uwv heeft gesproken en dat in dat gesprek de bezwaarprocedure is toegelicht. De dochter van appellante heeft aangegeven dat zij twijfelt of appellante gebruik wil maken van een hoorzitting en afgesproken is dat de medewerker B en B de volgende week zou terugbellen. De dochter van appellante heeft echter dezelfde dag de medewerker B en B teruggebeld en gemeld dat een hoorzitting niet nodig is. In de telefoonnotities is geen steun te vinden voor de stelling van appellante dat de medewerker B en B zou hebben gezegd dat een hoorzitting geen toegevoegde waarde zou hebben. Nu appellante ook niet op enig later moment alsnog heeft kenbaar gemaakt dat zij een hoorzitting wilde, heeft het Uwv terecht aangenomen dat appellante heeft afgezien van haar recht om te worden gehoord. Tot slot wordt overwogen dat het ter beoordeling van de verzekeringsarts bezwaar en beroep is of hij al dan niet aanwezig moet zijn bij de hoorzitting, zoals het Uwv heeft opgemerkt in het verweerschrift.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door S. Wijna, in tegenwoordigheid van M.C.G. van Dijk als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 mei 2022.
(getekend) S. Wijna
(getekend) M.C.G. van Dijk