Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2021-04-28
ECLI:NL:CRVB:2021:967
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
4,870 tokens
Inleiding
192274 ZW
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 11 april 2019, 18/2985 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[naam B.V. 1] te [vestigingsplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 28 april 2021
Procesverloop
Namens appellante heeft mr. E.M. Doorn hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Onder toepassing van artikel 8:57, eerste lid van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is een (nader) onderzoek ter zitting achterwege gebleven, waarna de Raad het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, van de Awb heeft gesloten.
Overwegingen
1.1.
[naam ex-werknemer] (ex-werknemer) was als uitzendkracht via [naam B.V. 2] (dochteronderneming van appellante) werkzaam als productiemedewerker voor 38 uur per week. Ex-werknemer heeft zich op 6 september 2014 voor dit werk ziek gemeld. Het Uwv heeft ex-werknemer ziekengeld toegekend. Appellante, die eigenrisicodrager is in de zin van Hoofstuk IIIA van de Ziektewet (ZW), heeft dit ziekengeld betaald.
1.2.
Na een eerstejaars ZW-beoordeling (EZWb) heeft het Uwv bij besluit van 2 december 2015 het recht op ziekengeld van ex-werknemer met ingang van 2 januari 2016 beëindigd omdat hij meer dan 65% kan verdienen van het loon dat hij verdiende voordat hij ziek werd.
1.3.
Bij brief van 16 juni 2016 heeft appellante het Uwv aansprakelijk gesteld voor de door haar geleden schade tot een bedrag van € 93.060,88 als gevolg van het niet tijdig beslissen in het kader van eerstejaars ZW-beoordelingen van meerdere ex-werknemers. De onder 1.2 genoemde beoordeling maakt daar deel van uit.
1.4.
Het Uwv heeft in brieven van 2 december 2016 en 22 december 2016 laten weten dat de schade gedeeltelijk zal worden vergoed. In het geval van ex-werknemer heeft het Uwv de door appellante te veel betaalde ZW-uitkering vergoed, maar de door appellante krachtens de CAO betaalde aanvulling op de uitkering boven 70% van het dagloon niet.
1.5.
Bij brief van 23 april 2018 heeft appellante de rechtbank verzocht om het Uwv te veroordelen tot het vergoeden van de schade die appellante heeft geleden in het geval van exwerknemer, omdat het Uwv niet tijdig een besluit heeft genomen in het kader van zijn EZWb. Naast de al door het Uwv vergoedde te veel betaalde ZW-uitkering, omvat de schade volgens appellante ook de aanvullingen op deze uitkering die eigenrisicodragers verschuldigd zijn op grond van de CAO voor uitzendkrachten. In het geval van ex-werknemer betreft dit een bedrag van € 627,75.
2. De rechtbank heeft het verzoek van appellante bij de aangevallen uitspraak afgewezen. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat de in geschil zijnde vergoeding van het bovenwettelijke ziekengeld niet is gebaseerd op de ZW, maar op de CAO. Indien in de CAO niet een verplichting tot betaling daarvan was opgenomen, zou appellante ook niet met het financiële nadeel geconfronteerd zijn. Deze verplichting staat dus los van het handelen van het Uwv. Dit staat volgens de rechtbank in de weg aan het aannemen van het door appellante gestelde causaal verband. Of de CAO algemeen verbindend is verklaard of niet, maakt daarbij geen verschil. Het Uwv heeft er volgens de rechtbank voorts terecht op gewezen dat appellante haar risico had kunnen beperken door ook te kiezen voor het verrichten van een eigen zelfstandig medische beoordeling. De keuze van appellante om af te gaan op het oordeel van het Uwv is ook geen keuze die is overeengekomen met het Uwv, maar één die zelfstandig door appellante is gemaakt. De gevolgen van die keuze kunnen niet worden afgewenteld op het Uwv.
3.1.
Appellante heeft zich niet kunnen verenigen met de aangevallen uitspraak en heeft in hoger beroep samengevat aangevoerd dat de schade die is ontstaan door de betaalde aanvulling op de toegekende ZW-uitkering in een zodanig verband staat tot het te laat genomen besluit van 2 december 2015 dat het Uwv de schade moet vergoeden. Appellante heeft erop gewezen dat zij op grond van artikel 53, tweede lid, van de Collectieve Arbeidsovereenkomst voor uitzendkrachten 2012-2017 (CAO), gehouden was om een aanvulling boven op de onnodig uitbetaalde ZW-uitkering aan ex-werknemer te betalen.
3.2.
Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen. Het Uwv heeft naar voren gebracht dat zij niet verplicht is om ook de krachtens CAO aan ex-werknemer betaalde aanvulling te vergoeden, omdat deze gestelde schade in een zodanig verwijderd verband staat tot het onrechtmatige besluit dat deze in redelijkheid niet aan het Uwv moet worden toegerekend. Deze schade heeft immers als grondslag de afspraken die appellante en werknemer in het kader van de arbeidsrechtelijke relatie hebben gemaakt, zonder dat het Uwv daar enige invloed of zeggenschap over heeft. De schade is volgens het Uwv dus niet het gevolg van het onrechtmatige besluit. Vergelijking met de door appellante aangehaalde loonsanctierechtspraak gaat volgens het Uwv in dit geval niet op.
4. De Raad oordeelt als volgt.
4.1.
Op grond van artikel 8:88 van de Awb is de bestuursrechter bevoegd op verzoek van een belanghebbende een bestuursorgaan te veroordelen tot vergoeding van schade die de belanghebbende lijdt of zal lijden als gevolg van, onder meer, een onrechtmatig besluit, een andere onrechtmatige handeling ter voorbereiding van een onrechtmatig besluit of het niet tijdig nemen van een besluit.
4.2.
Het is vaste rechtspraak dat de bestuursrechter bij het beantwoorden van de vraag of er voldoende aanleiding is om een gevraagde schadevergoeding toe te kennen, zoveel mogelijk aansluiting moet zoeken bij het civielrechtelijke schadevergoedingsrecht. Voor vergoeding van schade is, in aansluiting op de artikelen 6:162 en 6:98 van het Burgerlijk Wetboek, vereist dat de gestelde schade verband houdt met een onrechtmatig besluit en dat vervolgens alleen die schadeposten voor vergoeding in aanmerking komen die in een zodanig verband staan met dat besluit, dat zij het bestuursorgaan, mede gezien de aard van de aansprakelijkheid en van de schade, als een gevolg van dat besluit kunnen worden toegerekend (onder meer de uitspraak van de Raad van 18 februari 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:446).
4.3.
Met de brief van 2 december 2016, zoals nader is verwoord in het verweerschrift van het Uwv van 5 juli 2018, heeft het Uwv erkend dat het besluit van 2 december 2015 niet op het in de ZW voorgeschreven moment, maar later en mitsdien niet tijdig is genomen. Tussen partijen is niet in geschil dat het genoemde besluit onrechtmatig is voorzover het Uwv te laat heeft beslist en dat het Uwv de als gevolg van dat besluit geleden schade aan appellante dient te vergoeden. Wat partijen verdeeld houdt is de vraag of er sprake is van een zodanig causaal verband tussen de gestelde schade van de door appellante betaalde aanvullingen op de ZWuitkering en het onrechtmatige besluit, dat die schade aan het Uwv moet worden toegerekend en dus door het Uwv aan appellante moet worden vergoed.
4.4.
Als beginsel geldt dat de schadevergoeding de schuldeiser zoveel mogelijk in de toestand moet brengen waarin hij zou verkeren indien het schadeveroorzakende feit niet zou hebben plaatsgevonden. Dat beginsel brengt mee dat de omvang van de schade wordt bepaald door een vergelijking van de toestand zoals deze in werkelijkheid is met de toestand zoals die (vermoedelijk) zou zijn geweest indien het schadeveroorzakende feit niet zou hebben plaatsgevonden (vergelijk ECLI:NL:HR:2010:BL0539).
4.5.
De Raad heeft eerder overwogen dat betalingen die voortvloeien uit afspraken die werkgever en werknemer hebben gemaakt over de verplichtingen en inspanningen waartoe hij op grond van een individuele of (algemeen verbindend verklaarde) collectieve arbeidsovereenkomst gehouden was en die voldoende concreet zijn en door de werknemer zijn af te dwingen, kunnen leiden tot een op het Uwv te verhalen schadepost (zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Raad van 9 december 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:4236 en van 29 januari 2020, ECLI:NL:CRVB:2020197).
4.6.
Artikel 53, tweede lid, van de CAO luidt:
“De uitzendovereenkomst met uitzendbeding eindigt bij het intreden van arbeidsongeschiktheid op grond van artikel 14 lid 4 van de cao.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep
- vernietigt de aangevallen uitspraak;
- veroordeelt het Uwv tot vergoeding aan appellante van de schade tot een bedrag van € 627,75;
- veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 1.602,-;
- bepaalt dat het Uwv het door appellante in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 857,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door E.W. Akkerman als voorzitter en J. Brand en A.T. de Kwaasteniet als leden, in tegenwoordigheid van B.V.K. de Louw als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 april 2021.
(getekend) E.W. Akkerman
(getekend) B.V.K. de Louw
Inleiding
192274 ZW
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 11 april 2019, 18/2985 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[naam B.V. 1] te [vestigingsplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 28 april 2021
Procesverloop
Namens appellante heeft mr. E.M. Doorn hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Onder toepassing van artikel 8:57, eerste lid van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is een (nader) onderzoek ter zitting achterwege gebleven, waarna de Raad het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, van de Awb heeft gesloten.
Overwegingen
1.1.
[naam ex-werknemer] (ex-werknemer) was als uitzendkracht via [naam B.V. 2] (dochteronderneming van appellante) werkzaam als productiemedewerker voor 38 uur per week. Ex-werknemer heeft zich op 6 september 2014 voor dit werk ziek gemeld. Het Uwv heeft ex-werknemer ziekengeld toegekend. Appellante, die eigenrisicodrager is in de zin van Hoofstuk IIIA van de Ziektewet (ZW), heeft dit ziekengeld betaald.
1.2.
Na een eerstejaars ZW-beoordeling (EZWb) heeft het Uwv bij besluit van 2 december 2015 het recht op ziekengeld van ex-werknemer met ingang van 2 januari 2016 beëindigd omdat hij meer dan 65% kan verdienen van het loon dat hij verdiende voordat hij ziek werd.
1.3.
Bij brief van 16 juni 2016 heeft appellante het Uwv aansprakelijk gesteld voor de door haar geleden schade tot een bedrag van € 93.060,88 als gevolg van het niet tijdig beslissen in het kader van eerstejaars ZW-beoordelingen van meerdere ex-werknemers. De onder 1.2 genoemde beoordeling maakt daar deel van uit.
1.4.
Het Uwv heeft in brieven van 2 december 2016 en 22 december 2016 laten weten dat de schade gedeeltelijk zal worden vergoed. In het geval van ex-werknemer heeft het Uwv de door appellante te veel betaalde ZW-uitkering vergoed, maar de door appellante krachtens de CAO betaalde aanvulling op de uitkering boven 70% van het dagloon niet.
1.5.
Bij brief van 23 april 2018 heeft appellante de rechtbank verzocht om het Uwv te veroordelen tot het vergoeden van de schade die appellante heeft geleden in het geval van exwerknemer, omdat het Uwv niet tijdig een besluit heeft genomen in het kader van zijn EZWb. Naast de al door het Uwv vergoedde te veel betaalde ZW-uitkering, omvat de schade volgens appellante ook de aanvullingen op deze uitkering die eigenrisicodragers verschuldigd zijn op grond van de CAO voor uitzendkrachten. In het geval van ex-werknemer betreft dit een bedrag van € 627,75.
2. De rechtbank heeft het verzoek van appellante bij de aangevallen uitspraak afgewezen. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat de in geschil zijnde vergoeding van het bovenwettelijke ziekengeld niet is gebaseerd op de ZW, maar op de CAO. Indien in de CAO niet een verplichting tot betaling daarvan was opgenomen, zou appellante ook niet met het financiële nadeel geconfronteerd zijn. Deze verplichting staat dus los van het handelen van het Uwv. Dit staat volgens de rechtbank in de weg aan het aannemen van het door appellante gestelde causaal verband. Of de CAO algemeen verbindend is verklaard of niet, maakt daarbij geen verschil. Het Uwv heeft er volgens de rechtbank voorts terecht op gewezen dat appellante haar risico had kunnen beperken door ook te kiezen voor het verrichten van een eigen zelfstandig medische beoordeling. De keuze van appellante om af te gaan op het oordeel van het Uwv is ook geen keuze die is overeengekomen met het Uwv, maar één die zelfstandig door appellante is gemaakt. De gevolgen van die keuze kunnen niet worden afgewenteld op het Uwv.
3.1.
Appellante heeft zich niet kunnen verenigen met de aangevallen uitspraak en heeft in hoger beroep samengevat aangevoerd dat de schade die is ontstaan door de betaalde aanvulling op de toegekende ZW-uitkering in een zodanig verband staat tot het te laat genomen besluit van 2 december 2015 dat het Uwv de schade moet vergoeden. Appellante heeft erop gewezen dat zij op grond van artikel 53, tweede lid, van de Collectieve Arbeidsovereenkomst voor uitzendkrachten 2012-2017 (CAO), gehouden was om een aanvulling boven op de onnodig uitbetaalde ZW-uitkering aan ex-werknemer te betalen.
3.2.
Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen. Het Uwv heeft naar voren gebracht dat zij niet verplicht is om ook de krachtens CAO aan ex-werknemer betaalde aanvulling te vergoeden, omdat deze gestelde schade in een zodanig verwijderd verband staat tot het onrechtmatige besluit dat deze in redelijkheid niet aan het Uwv moet worden toegerekend. Deze schade heeft immers als grondslag de afspraken die appellante en werknemer in het kader van de arbeidsrechtelijke relatie hebben gemaakt, zonder dat het Uwv daar enige invloed of zeggenschap over heeft. De schade is volgens het Uwv dus niet het gevolg van het onrechtmatige besluit. Vergelijking met de door appellante aangehaalde loonsanctierechtspraak gaat volgens het Uwv in dit geval niet op.
4. De Raad oordeelt als volgt.
4.1.
Op grond van artikel 8:88 van de Awb is de bestuursrechter bevoegd op verzoek van een belanghebbende een bestuursorgaan te veroordelen tot vergoeding van schade die de belanghebbende lijdt of zal lijden als gevolg van, onder meer, een onrechtmatig besluit, een andere onrechtmatige handeling ter voorbereiding van een onrechtmatig besluit of het niet tijdig nemen van een besluit.
4.2.
Het is vaste rechtspraak dat de bestuursrechter bij het beantwoorden van de vraag of er voldoende aanleiding is om een gevraagde schadevergoeding toe te kennen, zoveel mogelijk aansluiting moet zoeken bij het civielrechtelijke schadevergoedingsrecht. Voor vergoeding van schade is, in aansluiting op de artikelen 6:162 en 6:98 van het Burgerlijk Wetboek, vereist dat de gestelde schade verband houdt met een onrechtmatig besluit en dat vervolgens alleen die schadeposten voor vergoeding in aanmerking komen die in een zodanig verband staan met dat besluit, dat zij het bestuursorgaan, mede gezien de aard van de aansprakelijkheid en van de schade, als een gevolg van dat besluit kunnen worden toegerekend (onder meer de uitspraak van de Raad van 18 februari 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:446).
4.3.
Met de brief van 2 december 2016, zoals nader is verwoord in het verweerschrift van het Uwv van 5 juli 2018, heeft het Uwv erkend dat het besluit van 2 december 2015 niet op het in de ZW voorgeschreven moment, maar later en mitsdien niet tijdig is genomen. Tussen partijen is niet in geschil dat het genoemde besluit onrechtmatig is voorzover het Uwv te laat heeft beslist en dat het Uwv de als gevolg van dat besluit geleden schade aan appellante dient te vergoeden. Wat partijen verdeeld houdt is de vraag of er sprake is van een zodanig causaal verband tussen de gestelde schade van de door appellante betaalde aanvullingen op de ZWuitkering en het onrechtmatige besluit, dat die schade aan het Uwv moet worden toegerekend en dus door het Uwv aan appellante moet worden vergoed.
4.4.
Als beginsel geldt dat de schadevergoeding de schuldeiser zoveel mogelijk in de toestand moet brengen waarin hij zou verkeren indien het schadeveroorzakende feit niet zou hebben plaatsgevonden. Dat beginsel brengt mee dat de omvang van de schade wordt bepaald door een vergelijking van de toestand zoals deze in werkelijkheid is met de toestand zoals die (vermoedelijk) zou zijn geweest indien het schadeveroorzakende feit niet zou hebben plaatsgevonden (vergelijk ECLI:NL:HR:2010:BL0539).
4.5.
De Raad heeft eerder overwogen dat betalingen die voortvloeien uit afspraken die werkgever en werknemer hebben gemaakt over de verplichtingen en inspanningen waartoe hij op grond van een individuele of (algemeen verbindend verklaarde) collectieve arbeidsovereenkomst gehouden was en die voldoende concreet zijn en door de werknemer zijn af te dwingen, kunnen leiden tot een op het Uwv te verhalen schadepost (zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Raad van 9 december 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:4236 en van 29 januari 2020, ECLI:NL:CRVB:2020197).
4.6.
Artikel 53, tweede lid, van de CAO luidt:
“De uitzendovereenkomst met uitzendbeding eindigt bij het intreden van arbeidsongeschiktheid op grond van artikel 14 lid 4 van de cao.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep
- vernietigt de aangevallen uitspraak;
- veroordeelt het Uwv tot vergoeding aan appellante van de schade tot een bedrag van € 627,75;
- veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 1.602,-;
- bepaalt dat het Uwv het door appellante in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 857,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door E.W. Akkerman als voorzitter en J. Brand en A.T. de Kwaasteniet als leden, in tegenwoordigheid van B.V.K. de Louw als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 april 2021.
(getekend) E.W. Akkerman
(getekend) B.V.K. de Louw