Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2021-04-28
ECLI:NL:CRVB:2021:955
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
4,906 tokens
Inleiding
19 3836 PW, 19/4135 PW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Datum uitspraak: 28 april 2021
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 27 augustus 2019, 19/2005 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college)
Procesverloop
Namens appellant heeft mr. A. El Idrissi, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Partijen hebben gereageerd op door de Raad gestelde vragen en nadere stukken ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft, via beeldverbinding, plaatsgevonden op 16 maart 2021. Namens appellant, daartoe opgeroepen, heeft mr. El Idrissi daaraan deelgenomen. Het college, daartoe eveneens opgeroepen, heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.M. Tang.
Overwegingen
1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1.
Appellant ontvangt sinds 20 augustus 2010 (aanvullende) bijstand, laatstelijk op grond van de Participatiewet (PW), naar de norm voor een alleenstaande.
1.2.
Naar aanleiding van een heronderzoek naar de rechtmatigheid van de aan appellant verstrekte bijstand heeft een medewerker van het college appellant uitgenodigd voor een gesprek op 29 oktober 2018. Appellant heeft tijdens dat gesprek onder meer afschriften van zijn bankrekening ingeleverd over de maanden juli 2018 tot en met september 2018. Appellant heeft op 1 november 2018 een verklaring gegeven voor de geconstateerde stortingen en bijschrijvingen op zijn bankrekening. De resultaten van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 5 november 2018.
1.3.
Bij besluit van 9 november 2018 (besluit 1) heeft het college het recht op bijstand van appellant over de periode van 1 november 2017 tot en met 3 september 2018 herzien. Hieraan heeft het college ten grondslag gelegd dat appellant de inlichtingenverplichting heeft geschonden door geen melding te maken van de stortingen en bijschrijvingen die hij in die periode op zijn rekening heeft ontvangen. Het college heeft de stortingen en bijschrijvingen aangemerkt als inkomsten en die in mindering gebracht op de verleende bijstand. Het college heeft verder de over deze periode gemaakte kosten van bijstand teruggevorderd tot een bedrag van € 838,12.
1.4.
Bij besluit van 14 november 2018 (besluit 2) heeft het college de vordering op appellant over het jaar 2017 gebruteerd. Het bruteringsbedrag bedraagt € 31,-.
1.5.
Bij besluit van 7 december 2018 (besluit 3) heeft het college appellant een boete opgelegd van € 419,06.
1.6.
Bij besluit van 2 januari 2019 (besluit 4) heeft het college de vordering op appellant over het jaar 2018 gebruteerd. Het bruteringsbedrag bedraagt € 348,60.
1.7.
Bij het besluit van 25 maart 2019 (bestreden besluit) heeft het college de bezwaren van appellant tegen de besluiten 1, 3 en 4 gedeeltelijk gegrond verklaard. Het college heeft de bijschrijving op 2 mei 2018 van € 30,- niet meer aangemerkt als inkomsten en om die reden de hoogte van de terugvordering verlaagd naar € 808,12, de boete verlaagd naar € 404,06 en de hoogte van de brutering over 2018 verlaagd naar € 343,36. Appellant heeft volgens het college de bijschrijving van € 30,- op 2 mei 2018 voldoende verklaard. Het college heeft verder aan appellant een vergoeding voor de kosten van rechtsbijstand in bezwaar toegekend van € 1.024,- voor drie samenhangende besluiten. Het bezwaar tegen besluit 2 heeft het college ongegrond verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij niet vrijelijk over de ontvangen stortingen en bijschrijvingen heeft kunnen beschikken. Appellant heeft zijn stelling dat de ontvangen bedragen bestemd waren voor boodschappen die appellant heeft gedaan voor zijn moeder en broer, niet met objectieve en verifieerbare gegevens onderbouwd. De verklaringen van de betreffende familieleden zijn daartoe niet voldoende. Ook de stelling dat de contante storting van € 210,- eigen geld van appellant betreft (namelijk een retour van de MediaMarkt van € 150,- aangevuld met eigen contanten) heeft appellant niet voldoende aannemelijk gemaakt. Voor zover appellant heeft betoogd dat de stortingen leningen betreffen, heeft de rechtbank onder verwijzing naar de vaste rechtspraak van de Raad overwogen dat leningen niet uitgezonderd zijn van het middelenbegrip. Het college heeft de bijschrijvingen en stortingen terecht als inkomsten aangemerkt. Omdat appellant van de stortingen en bijschrijvingen geen melding heeft gemaakt bij het college was het college op grond van artikel 54, derde lid, van de PW en artikel 58, eerste lid van de PW gehouden de bijstand te herzien en terug te vorderen.
Het college was op grond van artikel 18a, eerste lid, van de PW ook verplicht om appellant een boete op te leggen. De rechtbank acht de opgelegde boete, waarbij is uitgegaan van normale verwijtbaarheid en rekening is gehouden met de draagkracht van appellant, evenredig. De rechtbank heeft verder overwogen dat het college kon besluiten de vordering over de jaren 2017 en 2018 te bruteren, omdat de vordering niet buiten toedoen van appellant is ontstaan. Ten aanzien van de vergoeding van de kosten in bezwaar heeft de rechtbank overwogen dat het college terecht is uitgegaan van samenhangende zaken.
3. Bij besluit van 23 augustus 2019 (verrekeningsbesluit) heeft het college de onder 1.7 genoemde toegekende kosten in bezwaar met toepassing van artikel 60a, vierde lid, van de PW, verrekend met de openstaande vordering op appellant.
4. In hoger beroep heeft appellant zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.
5. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
5.1.
Op grond van artikel 4:125, eerste lid van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft het hoger beroep mede betrekking op het verrekeningsbesluit van 23 augustus 2019, zodat dit besluit in de beoordeling wordt betrokken.
Herziening en terugvordering
5.2.1.
Vaststaat dat in de periode in geding regelmatig stortingen en bijschrijvingen hebben plaatsgevonden op de bankrekening van appellant. Verder staat vast dat appellant van deze stortingen en bijschrijvingen geen melding heeft gemaakt bij het college.
5.2.2.
Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, worden volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 7 mei 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1450) stortingen en bijschrijvingen op een bankrekening van een bijstandontvanger in beginsel als in aanmerking te nemen middelen in de zin van artikel 31, eerste lid, van de PW beschouwd. Als deze betalingen een terugkerend of periodiek karakter hebben, door betrokkene kunnen worden aangewend voor de algemeen noodzakelijke bestaanskosten en zien op een periode waarover een beroep op bijstand wordt gedaan, is voorts sprake van inkomsten als bedoeld in artikel 32, eerste lid, van de PW. De kasstortingen en bijschrijvingen die appellant in de periode in geding op zijn bankrekening heeft ontvangen, heeft het college dan ook terecht als inkomsten in de zin van artikel 32, eerste lid, van de PW aangemerkt. De beroepsgrond van appellant dat de stortingen en bijschrijvingen geen inkomsten zijn, slaagt niet. De rechtbank heeft terecht overwogen dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij niet vrijelijk over de gestorte of bijgeschreven bedragen kon beschikken. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat de verklaringen die appellant voor de stortingen en bijschrijvingen heeft gegeven daartoe niet voldoende zijn.
5.2.3.
Tegen de terugvordering heeft appellant, zoals ter zitting besproken, geen zelfstandige gronden aangevoerd, zodat deze geen verdere bespreking behoeft.
Boete
5.3.
Uit 5.2.1 en 5.2.2 volgt dat het college ook heeft aangetoond dat appellant de op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden. Appellant kan van het niet nakomen van de inlichtingenverplichting een verwijt worden gemaakt. Het college was verplicht een boete op te leggen. De opgelegde boete is evenredig aan de ernst van de overtreding, de mate van verwijtbaarheid en de overige over appellant gebleken omstandigheden.
Conclusie
5.7.
Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak wordt daarom bevestigd en het beroep tegen het besluit van 23 augustus 2019 wordt ongegrond verklaard.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep
bevestigt de aangevallen uitspraak;
verklaart het beroep tegen het besluit van 23 augustus 2019 ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door A.M. Overbeeke, in tegenwoordigheid van J.B. Beerens als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 april 2021.
(getekend) A.M. Overbeeke
(getekend) J.B. Beerens
Inleiding
19 3836 PW, 19/4135 PW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Datum uitspraak: 28 april 2021
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 27 augustus 2019, 19/2005 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college)
Procesverloop
Namens appellant heeft mr. A. El Idrissi, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Partijen hebben gereageerd op door de Raad gestelde vragen en nadere stukken ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft, via beeldverbinding, plaatsgevonden op 16 maart 2021. Namens appellant, daartoe opgeroepen, heeft mr. El Idrissi daaraan deelgenomen. Het college, daartoe eveneens opgeroepen, heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.M. Tang.
Overwegingen
1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1.
Appellant ontvangt sinds 20 augustus 2010 (aanvullende) bijstand, laatstelijk op grond van de Participatiewet (PW), naar de norm voor een alleenstaande.
1.2.
Naar aanleiding van een heronderzoek naar de rechtmatigheid van de aan appellant verstrekte bijstand heeft een medewerker van het college appellant uitgenodigd voor een gesprek op 29 oktober 2018. Appellant heeft tijdens dat gesprek onder meer afschriften van zijn bankrekening ingeleverd over de maanden juli 2018 tot en met september 2018. Appellant heeft op 1 november 2018 een verklaring gegeven voor de geconstateerde stortingen en bijschrijvingen op zijn bankrekening. De resultaten van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 5 november 2018.
1.3.
Bij besluit van 9 november 2018 (besluit 1) heeft het college het recht op bijstand van appellant over de periode van 1 november 2017 tot en met 3 september 2018 herzien. Hieraan heeft het college ten grondslag gelegd dat appellant de inlichtingenverplichting heeft geschonden door geen melding te maken van de stortingen en bijschrijvingen die hij in die periode op zijn rekening heeft ontvangen. Het college heeft de stortingen en bijschrijvingen aangemerkt als inkomsten en die in mindering gebracht op de verleende bijstand. Het college heeft verder de over deze periode gemaakte kosten van bijstand teruggevorderd tot een bedrag van € 838,12.
1.4.
Bij besluit van 14 november 2018 (besluit 2) heeft het college de vordering op appellant over het jaar 2017 gebruteerd. Het bruteringsbedrag bedraagt € 31,-.
1.5.
Bij besluit van 7 december 2018 (besluit 3) heeft het college appellant een boete opgelegd van € 419,06.
1.6.
Bij besluit van 2 januari 2019 (besluit 4) heeft het college de vordering op appellant over het jaar 2018 gebruteerd. Het bruteringsbedrag bedraagt € 348,60.
1.7.
Bij het besluit van 25 maart 2019 (bestreden besluit) heeft het college de bezwaren van appellant tegen de besluiten 1, 3 en 4 gedeeltelijk gegrond verklaard. Het college heeft de bijschrijving op 2 mei 2018 van € 30,- niet meer aangemerkt als inkomsten en om die reden de hoogte van de terugvordering verlaagd naar € 808,12, de boete verlaagd naar € 404,06 en de hoogte van de brutering over 2018 verlaagd naar € 343,36. Appellant heeft volgens het college de bijschrijving van € 30,- op 2 mei 2018 voldoende verklaard. Het college heeft verder aan appellant een vergoeding voor de kosten van rechtsbijstand in bezwaar toegekend van € 1.024,- voor drie samenhangende besluiten. Het bezwaar tegen besluit 2 heeft het college ongegrond verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij niet vrijelijk over de ontvangen stortingen en bijschrijvingen heeft kunnen beschikken. Appellant heeft zijn stelling dat de ontvangen bedragen bestemd waren voor boodschappen die appellant heeft gedaan voor zijn moeder en broer, niet met objectieve en verifieerbare gegevens onderbouwd. De verklaringen van de betreffende familieleden zijn daartoe niet voldoende. Ook de stelling dat de contante storting van € 210,- eigen geld van appellant betreft (namelijk een retour van de MediaMarkt van € 150,- aangevuld met eigen contanten) heeft appellant niet voldoende aannemelijk gemaakt. Voor zover appellant heeft betoogd dat de stortingen leningen betreffen, heeft de rechtbank onder verwijzing naar de vaste rechtspraak van de Raad overwogen dat leningen niet uitgezonderd zijn van het middelenbegrip. Het college heeft de bijschrijvingen en stortingen terecht als inkomsten aangemerkt. Omdat appellant van de stortingen en bijschrijvingen geen melding heeft gemaakt bij het college was het college op grond van artikel 54, derde lid, van de PW en artikel 58, eerste lid van de PW gehouden de bijstand te herzien en terug te vorderen.
Het college was op grond van artikel 18a, eerste lid, van de PW ook verplicht om appellant een boete op te leggen. De rechtbank acht de opgelegde boete, waarbij is uitgegaan van normale verwijtbaarheid en rekening is gehouden met de draagkracht van appellant, evenredig. De rechtbank heeft verder overwogen dat het college kon besluiten de vordering over de jaren 2017 en 2018 te bruteren, omdat de vordering niet buiten toedoen van appellant is ontstaan. Ten aanzien van de vergoeding van de kosten in bezwaar heeft de rechtbank overwogen dat het college terecht is uitgegaan van samenhangende zaken.
3. Bij besluit van 23 augustus 2019 (verrekeningsbesluit) heeft het college de onder 1.7 genoemde toegekende kosten in bezwaar met toepassing van artikel 60a, vierde lid, van de PW, verrekend met de openstaande vordering op appellant.
4. In hoger beroep heeft appellant zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.
5. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
5.1.
Op grond van artikel 4:125, eerste lid van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft het hoger beroep mede betrekking op het verrekeningsbesluit van 23 augustus 2019, zodat dit besluit in de beoordeling wordt betrokken.
Herziening en terugvordering
5.2.1.
Vaststaat dat in de periode in geding regelmatig stortingen en bijschrijvingen hebben plaatsgevonden op de bankrekening van appellant. Verder staat vast dat appellant van deze stortingen en bijschrijvingen geen melding heeft gemaakt bij het college.
5.2.2.
Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, worden volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 7 mei 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1450) stortingen en bijschrijvingen op een bankrekening van een bijstandontvanger in beginsel als in aanmerking te nemen middelen in de zin van artikel 31, eerste lid, van de PW beschouwd. Als deze betalingen een terugkerend of periodiek karakter hebben, door betrokkene kunnen worden aangewend voor de algemeen noodzakelijke bestaanskosten en zien op een periode waarover een beroep op bijstand wordt gedaan, is voorts sprake van inkomsten als bedoeld in artikel 32, eerste lid, van de PW. De kasstortingen en bijschrijvingen die appellant in de periode in geding op zijn bankrekening heeft ontvangen, heeft het college dan ook terecht als inkomsten in de zin van artikel 32, eerste lid, van de PW aangemerkt. De beroepsgrond van appellant dat de stortingen en bijschrijvingen geen inkomsten zijn, slaagt niet. De rechtbank heeft terecht overwogen dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij niet vrijelijk over de gestorte of bijgeschreven bedragen kon beschikken. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat de verklaringen die appellant voor de stortingen en bijschrijvingen heeft gegeven daartoe niet voldoende zijn.
5.2.3.
Tegen de terugvordering heeft appellant, zoals ter zitting besproken, geen zelfstandige gronden aangevoerd, zodat deze geen verdere bespreking behoeft.
Boete
5.3.
Uit 5.2.1 en 5.2.2 volgt dat het college ook heeft aangetoond dat appellant de op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden. Appellant kan van het niet nakomen van de inlichtingenverplichting een verwijt worden gemaakt. Het college was verplicht een boete op te leggen. De opgelegde boete is evenredig aan de ernst van de overtreding, de mate van verwijtbaarheid en de overige over appellant gebleken omstandigheden.
Conclusie
5.7.
Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak wordt daarom bevestigd en het beroep tegen het besluit van 23 augustus 2019 wordt ongegrond verklaard.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep
bevestigt de aangevallen uitspraak;
verklaart het beroep tegen het besluit van 23 augustus 2019 ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door A.M. Overbeeke, in tegenwoordigheid van J.B. Beerens als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 april 2021.
(getekend) A.M. Overbeeke
(getekend) J.B. Beerens