Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2021-04-06
ECLI:NL:CRVB:2021:894
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
4,740 tokens
Inleiding
19 1787 PW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Datum uitspraak: 6 april 2021
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 22 maart 2019, 18/2954 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
het college van burgemeester en wethouders van Almere (college)
Procesverloop
Namens appellante heeft mr. T.E. van der Bent, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 februari 2021. Namens appellante hebben mr. Van der Bent en B. den Besten, bewindvoerder van appellante, door middel van videobellen aan de zitting deelgenomen. Het college heeft zich telefonisch laten vertegenwoordigen door M.K. Riemersma.
Overwegingen
1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1.
Appellante ontvangt sinds 22 oktober 2008 bijstand, laatstelijk op grond van de Participatiewet (PW) naar de norm voor een alleenstaande. Appellante staat in de basisregistratie personen (BRP) samen met haar minderjarige dochter ingeschreven op het door haar opgegeven adres in Almere (uitkeringsadres).
1.2.
Naar aanleiding van een tip dat appellante sinds oktober 2015 een kamer onderverhuurt aan X, heeft de sociale recherche van de gemeente Almere een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand. In dat kader hebben de sociaal rechercheurs onder meer dossieronderzoek verricht, de BRP geraadpleegd, internetonderzoek en buurtonderzoek gedaan, waarnemingen ter plaatse verricht en diverse getuigen gehoord. Appellante is op 6 maart 2017 gehoord. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 4 april 2017.
1.3.
De resultaten van het onderzoek zijn voor het college aanleiding geweest om bij besluit van 15 maart 2018, zoals na bezwaar gewijzigd besluit van 4 juli 2018 (bestreden besluit), voor zover hier van belang, de bijstand van appellante over de periode 1 oktober 2015 tot en met 4 oktober 2016 te herzien naar de norm voor een alleenstaande met één kostendelende medebewoner en de over die periode gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 5.304,02 van appellante terug te vorderen. Aan de herziening en de terugvordering ligt ten grondslag dat appellante de op haar rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden door niet te melden dat X in die periode zijn hoofdverblijf heeft gehad in haar woning, zodat de kostendelersnorm had moeten worden toegepast. Als gevolg daarvan heeft appellante te veel bijstand ontvangen.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. In hoger beroep heeft appellante zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
De te beoordelen periode loopt van 1 oktober 2015 tot en met 4 oktober 2016.
4.2.
Ingevolge artikel 22a, eerste lid, van de PW, is op de belanghebbende van 21 jaar of ouder de kostendelersnorm van toepassing indien de belanghebbende één of meer kostendelende medebewoners heeft.
4.2.1.
In het vierde lid van artikel 22a van de PW waren tot 1 januari 2016 de uitzonderingen opgenomen op de als hoofdregel in het eerste lid weergegeven kostendelersnorm. Het vierde lid, aanhef en onder b, luidde tot 1 januari 2016 als volgt:
“Tot de personen, bedoeld in het eerste lid, worden niet gerekend:
b. de persoon, niet zijnde een bloed- of aanverwant in de eerste of tweede graad van belanghebbende, die op basis van een schriftelijke overeenkomst met de belanghebbende, waarbij een commerciële prijs is overeengekomen, als verhuurder, huurder, onderverhuurder, onderhuurder, kostgever of kostganger in dezelfde woning als de belanghebbende zijn hoofdverblijf heeft.”
4.3.
Ingevolge het per 1 januari 2016 ingevoerde artikel 19a, eerste lid, aanhef en onder b, van de PW wordt onder kostendelende medebewoner verstaan de persoon van 21 jaar of ouder die in dezelfde woning als de belanghebbende zijn hoofdverblijf heeft en niet op basis van een schriftelijke overeenkomst met de belanghebbende, waarbij een commerciële prijs is overeengekomen, als verhuurder, huurder, onderverhuurder, onderhuurder, kostgever of kostganger, niet zijnde een bloed- of aanverwant in de eerste of tweede graad van de belanghebbende, in dezelfde woning als de belanghebbende zijn hoofdverblijf heeft.
4.4.
Herziening van bijstand is een voor de betrokkene belastend besluit. Daarom rust de bewijslast om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor herziening is voldaan in beginsel op de bijstandverlenende instantie. Aan de herziening ligt ten grondslag dat de kostendelersnorm had moeten worden toegepast. Dit betekent dat de last om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor toepassing van de kostendelersnorm is voldaan, in beginsel op het bijstandverlenend orgaan rust. Tot 1 januari 2016 lag de bewijslast op het bestaan van een uitzondering als bedoeld in het vierde lid van artikel 22a van de PW echter op de bijstandgerechtigde, ongeacht of het een belastend besluit is of niet. Vergelijk de uitspraak van 1 november 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:4138. Vanaf 1 januari 2016 omvat de bewijslast voor het college in het geval van een belastend besluit niet alleen het bestaan van één of meer medebewoners, maar ook dat dit kostendelers zijn en zij dus vallen binnen de definitie van artikel 19a, eerste lid, van de PW (vergelijk de uitspraak van 4 december 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:4201).
4.5.
Het hoofdverblijf van een betrokkene is daar waar het zwaartepunt van zijn persoonlijk leven is. Dit moet worden vastgesteld aan de hand van concrete feiten en omstandigheden.
4.6.
In geschil is uitsluitend of X in de te beoordelen periode zijn hoofdverblijf op het uitkeringsadres had. Appellante heeft aangevoerd dat de onderzoeksbevindingen hiervoor geen toereikende grondslag bieden.
4.7.
X heeft op 21 februari 2017 tegen de sociaal rechercheur onder meer verklaard dat hij vanaf midden september of oktober 2015 tot ongeveer 5 oktober 2016 een kamer heeft gehuurd bij appellante voor € 400,- per maand inclusief gas, water, licht en internet. X betaalde de huur contant en hij had geen huurcontract. Hij had de beschikking over een huissleutel. Op de kamer had hij zijn kleding, zijn computer, zijn bureau en zijn administratie. Omdat appellante bijstand ontving, stond X niet ingeschreven op het uitkeringsadres.
4.7.1.
De ex-schoondochter van appellante heeft op 23 augustus 2016 en 17 januari 2017 verklaringen afgelegd die overeenkomen met de verklaring van X. Ook zij heeft verklaard dat X in de door hem genoemde periode een kamer huurde bij appellante tegen contante betaling van € 400,- per maand, dat X daar zijn computer had en dat hij gebruik maakte van het internet.
4.7.2.
De verklaring van X wordt ondersteund door het proces-verbaal van de Politie eenheid Midden-Nederland van 6 december 2015 over een incident dat op die datum heeft plaatsgevonden op het uitkeringsadres, waarbij ook X was betrokken. In het proces-verbaal wordt één van de kamers op het uitkeringsadres aangeduid als ‘zijn kamer’ en staat vermeld dat X te kennen heeft gegeven ruzie te hebben gekregen over een huurachterstand.
4.8.
Zoals ter zitting is besproken is van het buurtonderzoek alleen de getuigenverklaring van Y van 31 januari 2017 relevant. Y woont tegenover het uitkeringsadres en heeft zicht op de voordeur. Y heeft na het zien van een foto van X verklaard dat zij X van december 2015 tot oktober 2016 X regelmatig, meestal dagelijks, heeft zien roken en drinken voor de woning op het uitkeringsadres.
4.9.
Appellante heeft in haar verklaring van 6 maart 2017 bevestigd dat X veel bij haar was, gemiddeld drie dagen in de week. Hij was er na zijn werk rond 15.00 uur tot ongeveer 23.00 ‑ 23.30 uur en ook in de weekenden na 12.00 uur. X was vaak bij appellante, omdat hij geen vrienden had. Volgens appellante overnachtte X niet bij haar en is dit hooguit drie keer voorgekomen.
4.9.1.
Over zijn verblijf op het uitkeringsadres heeft X verklaard dat als hij om 22.30 uur naar bed ging de zoon van appellante vaak nog beneden was. Ook heeft X verklaard dat de zoon van appellante weg was als hij in de nacht opstond en dat hij ’s ochtends om 5 uur naar zijn werk vertrok.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door M.F. Wagner, in tegenwoordigheid van Y.S.S. Fatni als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 april 2021.
(getekend) M.F. Wagner
(getekend) Y.S.S. Fatni
Inleiding
19 1787 PW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Datum uitspraak: 6 april 2021
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 22 maart 2019, 18/2954 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
het college van burgemeester en wethouders van Almere (college)
Procesverloop
Namens appellante heeft mr. T.E. van der Bent, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 februari 2021. Namens appellante hebben mr. Van der Bent en B. den Besten, bewindvoerder van appellante, door middel van videobellen aan de zitting deelgenomen. Het college heeft zich telefonisch laten vertegenwoordigen door M.K. Riemersma.
Overwegingen
1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1.
Appellante ontvangt sinds 22 oktober 2008 bijstand, laatstelijk op grond van de Participatiewet (PW) naar de norm voor een alleenstaande. Appellante staat in de basisregistratie personen (BRP) samen met haar minderjarige dochter ingeschreven op het door haar opgegeven adres in Almere (uitkeringsadres).
1.2.
Naar aanleiding van een tip dat appellante sinds oktober 2015 een kamer onderverhuurt aan X, heeft de sociale recherche van de gemeente Almere een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand. In dat kader hebben de sociaal rechercheurs onder meer dossieronderzoek verricht, de BRP geraadpleegd, internetonderzoek en buurtonderzoek gedaan, waarnemingen ter plaatse verricht en diverse getuigen gehoord. Appellante is op 6 maart 2017 gehoord. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 4 april 2017.
1.3.
De resultaten van het onderzoek zijn voor het college aanleiding geweest om bij besluit van 15 maart 2018, zoals na bezwaar gewijzigd besluit van 4 juli 2018 (bestreden besluit), voor zover hier van belang, de bijstand van appellante over de periode 1 oktober 2015 tot en met 4 oktober 2016 te herzien naar de norm voor een alleenstaande met één kostendelende medebewoner en de over die periode gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 5.304,02 van appellante terug te vorderen. Aan de herziening en de terugvordering ligt ten grondslag dat appellante de op haar rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden door niet te melden dat X in die periode zijn hoofdverblijf heeft gehad in haar woning, zodat de kostendelersnorm had moeten worden toegepast. Als gevolg daarvan heeft appellante te veel bijstand ontvangen.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. In hoger beroep heeft appellante zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
De te beoordelen periode loopt van 1 oktober 2015 tot en met 4 oktober 2016.
4.2.
Ingevolge artikel 22a, eerste lid, van de PW, is op de belanghebbende van 21 jaar of ouder de kostendelersnorm van toepassing indien de belanghebbende één of meer kostendelende medebewoners heeft.
4.2.1.
In het vierde lid van artikel 22a van de PW waren tot 1 januari 2016 de uitzonderingen opgenomen op de als hoofdregel in het eerste lid weergegeven kostendelersnorm. Het vierde lid, aanhef en onder b, luidde tot 1 januari 2016 als volgt:
“Tot de personen, bedoeld in het eerste lid, worden niet gerekend:
b. de persoon, niet zijnde een bloed- of aanverwant in de eerste of tweede graad van belanghebbende, die op basis van een schriftelijke overeenkomst met de belanghebbende, waarbij een commerciële prijs is overeengekomen, als verhuurder, huurder, onderverhuurder, onderhuurder, kostgever of kostganger in dezelfde woning als de belanghebbende zijn hoofdverblijf heeft.”
4.3.
Ingevolge het per 1 januari 2016 ingevoerde artikel 19a, eerste lid, aanhef en onder b, van de PW wordt onder kostendelende medebewoner verstaan de persoon van 21 jaar of ouder die in dezelfde woning als de belanghebbende zijn hoofdverblijf heeft en niet op basis van een schriftelijke overeenkomst met de belanghebbende, waarbij een commerciële prijs is overeengekomen, als verhuurder, huurder, onderverhuurder, onderhuurder, kostgever of kostganger, niet zijnde een bloed- of aanverwant in de eerste of tweede graad van de belanghebbende, in dezelfde woning als de belanghebbende zijn hoofdverblijf heeft.
4.4.
Herziening van bijstand is een voor de betrokkene belastend besluit. Daarom rust de bewijslast om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor herziening is voldaan in beginsel op de bijstandverlenende instantie. Aan de herziening ligt ten grondslag dat de kostendelersnorm had moeten worden toegepast. Dit betekent dat de last om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor toepassing van de kostendelersnorm is voldaan, in beginsel op het bijstandverlenend orgaan rust. Tot 1 januari 2016 lag de bewijslast op het bestaan van een uitzondering als bedoeld in het vierde lid van artikel 22a van de PW echter op de bijstandgerechtigde, ongeacht of het een belastend besluit is of niet. Vergelijk de uitspraak van 1 november 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:4138. Vanaf 1 januari 2016 omvat de bewijslast voor het college in het geval van een belastend besluit niet alleen het bestaan van één of meer medebewoners, maar ook dat dit kostendelers zijn en zij dus vallen binnen de definitie van artikel 19a, eerste lid, van de PW (vergelijk de uitspraak van 4 december 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:4201).
4.5.
Het hoofdverblijf van een betrokkene is daar waar het zwaartepunt van zijn persoonlijk leven is. Dit moet worden vastgesteld aan de hand van concrete feiten en omstandigheden.
4.6.
In geschil is uitsluitend of X in de te beoordelen periode zijn hoofdverblijf op het uitkeringsadres had. Appellante heeft aangevoerd dat de onderzoeksbevindingen hiervoor geen toereikende grondslag bieden.
4.7.
X heeft op 21 februari 2017 tegen de sociaal rechercheur onder meer verklaard dat hij vanaf midden september of oktober 2015 tot ongeveer 5 oktober 2016 een kamer heeft gehuurd bij appellante voor € 400,- per maand inclusief gas, water, licht en internet. X betaalde de huur contant en hij had geen huurcontract. Hij had de beschikking over een huissleutel. Op de kamer had hij zijn kleding, zijn computer, zijn bureau en zijn administratie. Omdat appellante bijstand ontving, stond X niet ingeschreven op het uitkeringsadres.
4.7.1.
De ex-schoondochter van appellante heeft op 23 augustus 2016 en 17 januari 2017 verklaringen afgelegd die overeenkomen met de verklaring van X. Ook zij heeft verklaard dat X in de door hem genoemde periode een kamer huurde bij appellante tegen contante betaling van € 400,- per maand, dat X daar zijn computer had en dat hij gebruik maakte van het internet.
4.7.2.
De verklaring van X wordt ondersteund door het proces-verbaal van de Politie eenheid Midden-Nederland van 6 december 2015 over een incident dat op die datum heeft plaatsgevonden op het uitkeringsadres, waarbij ook X was betrokken. In het proces-verbaal wordt één van de kamers op het uitkeringsadres aangeduid als ‘zijn kamer’ en staat vermeld dat X te kennen heeft gegeven ruzie te hebben gekregen over een huurachterstand.
4.8.
Zoals ter zitting is besproken is van het buurtonderzoek alleen de getuigenverklaring van Y van 31 januari 2017 relevant. Y woont tegenover het uitkeringsadres en heeft zicht op de voordeur. Y heeft na het zien van een foto van X verklaard dat zij X van december 2015 tot oktober 2016 X regelmatig, meestal dagelijks, heeft zien roken en drinken voor de woning op het uitkeringsadres.
4.9.
Appellante heeft in haar verklaring van 6 maart 2017 bevestigd dat X veel bij haar was, gemiddeld drie dagen in de week. Hij was er na zijn werk rond 15.00 uur tot ongeveer 23.00 ‑ 23.30 uur en ook in de weekenden na 12.00 uur. X was vaak bij appellante, omdat hij geen vrienden had. Volgens appellante overnachtte X niet bij haar en is dit hooguit drie keer voorgekomen.
4.9.1.
Over zijn verblijf op het uitkeringsadres heeft X verklaard dat als hij om 22.30 uur naar bed ging de zoon van appellante vaak nog beneden was. Ook heeft X verklaard dat de zoon van appellante weg was als hij in de nacht opstond en dat hij ’s ochtends om 5 uur naar zijn werk vertrok.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door M.F. Wagner, in tegenwoordigheid van Y.S.S. Fatni als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 april 2021.
(getekend) M.F. Wagner
(getekend) Y.S.S. Fatni