Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2021-04-14
ECLI:NL:CRVB:2021:826
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
4,680 tokens
Inleiding
2069 ZW
Datum uitspraak: 14 april 2021
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van
10 december 2019, 19/2239 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Procesverloop
Appellante heeft hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 maart 2021. Appellante is verschenen, bijgestaan door [naam] . Het Uwv heeft zich via videobellen laten vertegenwoordigen door R.D. van den Heuvel.
Overwegingen
1.1.
Appellante is laatstelijk werkzaam geweest als telefoniste/receptioniste voor 27,82 uur per week. Appellante heeft zich op 25 oktober 2017 ziek gemeld met hoofdpijnklachten en fysieke klachten. Op dat moment ontving zij een uitkering op grond van de Werkloosheidswet. Het Uwv heeft appellante in aanmerking gebracht voor ziekengeld op grond van de Ziektewet (ZW).
1.2.
In het kader van een eerstejaars ZW-beoordeling (EZWb) heeft een bij het Uwv werkzame arts appellante op spreekuur gezien. Deze arts heeft appellante belastbaar geacht met inachtneming van de beperkingen die zijn neergelegd in een zogenoemde Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 6 november 2018. Een arbeidsdeskundige heeft functies geselecteerd en op basis van de drie functies met de hoogste lonen berekend dat appellante in het kader van de ZW nog 70,95% van haar zogeheten maatmaninkomen zou kunnen verdienen.
1.3.
Het Uwv heeft bij besluit van 26 november 2018 vastgesteld dat appellante met ingang van 27 december 2018 geen recht meer heeft op ziekengeld, omdat zij per
22 november 2018 meer dan 65% kan verdienen van het loon dat zij verdiende voordat zij ziek werd.
1.4.
Appellante heeft tegen het besluit van 26 november 2018 bezwaar gemaakt. Naar aanleiding van het bezwaar is appellante gezien door een verzekeringsarts bezwaar en beroep. Deze arts heeft een rapport van 17 januari 2019 en FML van 18 januari 2019 opgemaakt. Een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft in een rapport van 6 februari 2019 één van de drie geselecteerde functies niet geschikt geacht voor appellante en op basis van een resterende functie en twee nieuw geselecteerde functies met de hoogste lonen berekend dat appellante in het kader van de ZW nog 71,73% van haar zogeheten maatmaninkomen zou kunnen verdienen. Bij beslissing op bezwaar van 5 maart 2019 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar gegrond verklaard en vastgesteld dat appellante, met inachtneming van een uitlooptermijn van een maand en een dag in verband met de nieuw geselecteerde functies, met ingang van 14 maart 2019 geen recht meer heeft op ziekengeld, omdat zij meer dan 65% kan verdienen van het loon dat zij verdiende voordat zij ziek werd.
2. De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Hiertoe heeft zij overwogen dat het medisch onderzoek zorgvuldig is verricht. Daarbij heeft de rechtbank van belang geacht dat de bij het Uwv werkzame arts dossierstudie heeft verricht, appellante op spreekuur heeft gezien en haar lichamelijk en psychisch heeft onderzocht. Verder heeft de rechtbank van belang geacht dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep dossierstudie heeft verricht, dat hij appellante op de hoorzitting heeft gezien, en dat hij in beroep informatie van de huisarts van 4 april 2019 in de beoordeling heeft betrokken. Volgens de rechtbank hebben de artsen van het Uwv alle klachten van appellante in de beoordeling betrokken. De rechtbank heeft ook geen aanleiding gezien om te oordelen dat de medische beoordeling onjuist is. De rechtbank heeft erop gewezen dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep in bezwaar de FML op 18 januari 2019 heeft aangescherpt en een extra beperking heeft aangenomen bij persoonlijk functioneren en daarnaast beperkingen heeft aangenomen bij aanpassing aan fysieke omgevingseisen, dynamische handelingen en statische houdingen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft vastgesteld dat in de brief van de huisarts van 4 april 2019 de eerder vastgestelde dyspraxie, hoofdpijn en diverse gewrichtsklachten van appellante worden bevestigd. De rechtbank heeft onvoldoende aanknopingspunten gezien voor de conclusie dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep verdergaande beperkingen had moeten aannemen. Uitgaande van de juistheid van de medische beoordeling, heeft de rechtbank geen grond gezien voor het oordeel dat de door de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep gedeeltelijk nieuw geselecteerde functies in medisch opzicht ongeschikt zijn voor appellante.
3.1.
In hoger beroep heeft appellante haar standpunt gehandhaafd dat het medisch onderzoek niet zorgvuldig is verricht en niet volledig is geweest. Volgens appellante bestond het lichamelijk onderzoek van de verzekeringsarts alleen uit de vraag of zij kon hurken, waarop zij nee heeft geantwoord, en wilde de verzekeringsarts ten onrechte niet de resultaten van lopende ziekenhuisonderzoeken en een onderzoek naar haar gewrichten (artrose) afwachten. Verder heeft appellante in dat verband haar standpunt herhaald dat de verzekeringsarts ten onrechte heeft nagelaten informatie bij haar huisarts op te vragen.
3.2.
Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.
4. De Raad oordeelt als volgt.
4.1.
Op grond van artikel 19aa, eerste lid, van de ZW heeft een verzekerde zonder werkgever, na 52 weken ongeschiktheid tot werken, recht op ziekengeld als hij nog steeds ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid en hij als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebrek slechts in staat is met arbeid ten hoogste 65% te verdienen van het maatmaninkomen per uur. Op grond van artikel 19aa, vijfde lid, van de ZW wordt onder het maatmaninkomen verstaan hetgeen gezonde personen met soortgelijke opleiding en ervaring, ter plaatse waar hij arbeid verricht of het laatst heeft verricht, of in de omgeving daarvan met arbeid gewoonlijk verdienen. Op grond van artikel 19ab, eerste en derde lid, van de ZW wordt het percentage van het maatmaninkomen dat de verzekerde kan verdienen, bedoeld in artikel 19aa van de ZW, vastgesteld op basis van een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek en wordt onder arbeid als bedoeld in artikel 19aa van de ZW verstaan alle algemeen geaccepteerde arbeid waartoe een verzekerde met zijn krachten en bekwaamheden in staat is. Voor de beoordelingssystematiek waarmee de verdiencapaciteit bij de toetsing wordt bepaald, wordt zoveel mogelijk aangesloten bij de huidige uitvoeringssystematiek van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, waarbij aan de hand van geschikte functies wordt vastgesteld of de betrokkene beschikt over resterende verdiencapaciteit (zie de uitspraak van de Raad van 7 december 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:4971).
4.2.
De gronden die appellante in hoger beroep heeft aangevoerd zijn in essentie een herhaling van wat zij in beroep heeft aangevoerd. Met de rechtbank wordt geoordeeld dat het onderzoek van het Uwv zorgvuldig is geweest en dat er geen aanleiding is voor twijfel aan de juistheid van de beoordeling van de inschatting van de belastbaarheid van appellante door het Uwv. De rechtbank heeft de beroepsgronden van appellante afdoende besproken en met juistheid geoordeeld dat de desbetreffende gronden niet slagen. De overwegingen die aan het oordeel van de rechtbank ten grondslag liggen worden geheel onderschreven. Daaraan wordt het volgende toegevoegd.
4.3.
In wat appellante ter zitting nader heeft aangevoerd over de recent bij haar na de medische beoordeling gestelde diagnose van fibromyalgie en recente informatie van de huisarts waaruit zij heeft voorgelezen, wordt geen aanleiding gezien voor twijfel aan de juistheid van de medische beoordeling. Volgens vaste rechtspraak van de Raad (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 11 september 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:2961) is een diagnose niet doorslaggevend bij de vraag of sprake is van arbeidsongeschiktheid, maar gaat het om te objectiveren beperkingen voor het verrichten van arbeid. Dat, zoals appellante ter zitting heeft gesteld, geen verbetering in haar ziektebeeld is te verwachten, betekent niet dat de conclusies van het Uwv over de medische beperkingen op het moment van het onderzoek door de verzekeringsartsen onjuist zijn geweest.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier, in tegenwoordigheid van H. Spaargaren als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 april 2021.
(getekend) H.G. Rottier
(getekend) H. Spaargaren
Inleiding
2069 ZW
Datum uitspraak: 14 april 2021
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van
10 december 2019, 19/2239 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Procesverloop
Appellante heeft hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 maart 2021. Appellante is verschenen, bijgestaan door [naam] . Het Uwv heeft zich via videobellen laten vertegenwoordigen door R.D. van den Heuvel.
Overwegingen
1.1.
Appellante is laatstelijk werkzaam geweest als telefoniste/receptioniste voor 27,82 uur per week. Appellante heeft zich op 25 oktober 2017 ziek gemeld met hoofdpijnklachten en fysieke klachten. Op dat moment ontving zij een uitkering op grond van de Werkloosheidswet. Het Uwv heeft appellante in aanmerking gebracht voor ziekengeld op grond van de Ziektewet (ZW).
1.2.
In het kader van een eerstejaars ZW-beoordeling (EZWb) heeft een bij het Uwv werkzame arts appellante op spreekuur gezien. Deze arts heeft appellante belastbaar geacht met inachtneming van de beperkingen die zijn neergelegd in een zogenoemde Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 6 november 2018. Een arbeidsdeskundige heeft functies geselecteerd en op basis van de drie functies met de hoogste lonen berekend dat appellante in het kader van de ZW nog 70,95% van haar zogeheten maatmaninkomen zou kunnen verdienen.
1.3.
Het Uwv heeft bij besluit van 26 november 2018 vastgesteld dat appellante met ingang van 27 december 2018 geen recht meer heeft op ziekengeld, omdat zij per
22 november 2018 meer dan 65% kan verdienen van het loon dat zij verdiende voordat zij ziek werd.
1.4.
Appellante heeft tegen het besluit van 26 november 2018 bezwaar gemaakt. Naar aanleiding van het bezwaar is appellante gezien door een verzekeringsarts bezwaar en beroep. Deze arts heeft een rapport van 17 januari 2019 en FML van 18 januari 2019 opgemaakt. Een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft in een rapport van 6 februari 2019 één van de drie geselecteerde functies niet geschikt geacht voor appellante en op basis van een resterende functie en twee nieuw geselecteerde functies met de hoogste lonen berekend dat appellante in het kader van de ZW nog 71,73% van haar zogeheten maatmaninkomen zou kunnen verdienen. Bij beslissing op bezwaar van 5 maart 2019 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar gegrond verklaard en vastgesteld dat appellante, met inachtneming van een uitlooptermijn van een maand en een dag in verband met de nieuw geselecteerde functies, met ingang van 14 maart 2019 geen recht meer heeft op ziekengeld, omdat zij meer dan 65% kan verdienen van het loon dat zij verdiende voordat zij ziek werd.
2. De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Hiertoe heeft zij overwogen dat het medisch onderzoek zorgvuldig is verricht. Daarbij heeft de rechtbank van belang geacht dat de bij het Uwv werkzame arts dossierstudie heeft verricht, appellante op spreekuur heeft gezien en haar lichamelijk en psychisch heeft onderzocht. Verder heeft de rechtbank van belang geacht dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep dossierstudie heeft verricht, dat hij appellante op de hoorzitting heeft gezien, en dat hij in beroep informatie van de huisarts van 4 april 2019 in de beoordeling heeft betrokken. Volgens de rechtbank hebben de artsen van het Uwv alle klachten van appellante in de beoordeling betrokken. De rechtbank heeft ook geen aanleiding gezien om te oordelen dat de medische beoordeling onjuist is. De rechtbank heeft erop gewezen dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep in bezwaar de FML op 18 januari 2019 heeft aangescherpt en een extra beperking heeft aangenomen bij persoonlijk functioneren en daarnaast beperkingen heeft aangenomen bij aanpassing aan fysieke omgevingseisen, dynamische handelingen en statische houdingen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft vastgesteld dat in de brief van de huisarts van 4 april 2019 de eerder vastgestelde dyspraxie, hoofdpijn en diverse gewrichtsklachten van appellante worden bevestigd. De rechtbank heeft onvoldoende aanknopingspunten gezien voor de conclusie dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep verdergaande beperkingen had moeten aannemen. Uitgaande van de juistheid van de medische beoordeling, heeft de rechtbank geen grond gezien voor het oordeel dat de door de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep gedeeltelijk nieuw geselecteerde functies in medisch opzicht ongeschikt zijn voor appellante.
3.1.
In hoger beroep heeft appellante haar standpunt gehandhaafd dat het medisch onderzoek niet zorgvuldig is verricht en niet volledig is geweest. Volgens appellante bestond het lichamelijk onderzoek van de verzekeringsarts alleen uit de vraag of zij kon hurken, waarop zij nee heeft geantwoord, en wilde de verzekeringsarts ten onrechte niet de resultaten van lopende ziekenhuisonderzoeken en een onderzoek naar haar gewrichten (artrose) afwachten. Verder heeft appellante in dat verband haar standpunt herhaald dat de verzekeringsarts ten onrechte heeft nagelaten informatie bij haar huisarts op te vragen.
3.2.
Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.
4. De Raad oordeelt als volgt.
4.1.
Op grond van artikel 19aa, eerste lid, van de ZW heeft een verzekerde zonder werkgever, na 52 weken ongeschiktheid tot werken, recht op ziekengeld als hij nog steeds ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid en hij als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebrek slechts in staat is met arbeid ten hoogste 65% te verdienen van het maatmaninkomen per uur. Op grond van artikel 19aa, vijfde lid, van de ZW wordt onder het maatmaninkomen verstaan hetgeen gezonde personen met soortgelijke opleiding en ervaring, ter plaatse waar hij arbeid verricht of het laatst heeft verricht, of in de omgeving daarvan met arbeid gewoonlijk verdienen. Op grond van artikel 19ab, eerste en derde lid, van de ZW wordt het percentage van het maatmaninkomen dat de verzekerde kan verdienen, bedoeld in artikel 19aa van de ZW, vastgesteld op basis van een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek en wordt onder arbeid als bedoeld in artikel 19aa van de ZW verstaan alle algemeen geaccepteerde arbeid waartoe een verzekerde met zijn krachten en bekwaamheden in staat is. Voor de beoordelingssystematiek waarmee de verdiencapaciteit bij de toetsing wordt bepaald, wordt zoveel mogelijk aangesloten bij de huidige uitvoeringssystematiek van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, waarbij aan de hand van geschikte functies wordt vastgesteld of de betrokkene beschikt over resterende verdiencapaciteit (zie de uitspraak van de Raad van 7 december 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:4971).
4.2.
De gronden die appellante in hoger beroep heeft aangevoerd zijn in essentie een herhaling van wat zij in beroep heeft aangevoerd. Met de rechtbank wordt geoordeeld dat het onderzoek van het Uwv zorgvuldig is geweest en dat er geen aanleiding is voor twijfel aan de juistheid van de beoordeling van de inschatting van de belastbaarheid van appellante door het Uwv. De rechtbank heeft de beroepsgronden van appellante afdoende besproken en met juistheid geoordeeld dat de desbetreffende gronden niet slagen. De overwegingen die aan het oordeel van de rechtbank ten grondslag liggen worden geheel onderschreven. Daaraan wordt het volgende toegevoegd.
4.3.
In wat appellante ter zitting nader heeft aangevoerd over de recent bij haar na de medische beoordeling gestelde diagnose van fibromyalgie en recente informatie van de huisarts waaruit zij heeft voorgelezen, wordt geen aanleiding gezien voor twijfel aan de juistheid van de medische beoordeling. Volgens vaste rechtspraak van de Raad (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 11 september 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:2961) is een diagnose niet doorslaggevend bij de vraag of sprake is van arbeidsongeschiktheid, maar gaat het om te objectiveren beperkingen voor het verrichten van arbeid. Dat, zoals appellante ter zitting heeft gesteld, geen verbetering in haar ziektebeeld is te verwachten, betekent niet dat de conclusies van het Uwv over de medische beperkingen op het moment van het onderzoek door de verzekeringsartsen onjuist zijn geweest.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier, in tegenwoordigheid van H. Spaargaren als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 april 2021.
(getekend) H.G. Rottier
(getekend) H. Spaargaren