Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2021-04-07
ECLI:NL:CRVB:2021:767
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
4,858 tokens
Inleiding
19 3937 ZW, 19/4785 ZW
Datum uitspraak: 7 april 2021
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 21 augustus 2019, 19/153 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Procesverloop
Namens appellante heeft mr. S. van den Berg, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en incidenteel hoger beroep ingesteld.
Appellante heeft een verweerschrift ingediend in het incidenteel hoger beroep.
Appellante heeft nadere stukken ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 maart 2021. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. P. Hanenberg, kantoorgenoot van mr. Van den Berg. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door P.L.J. Weltevrede, die door middel van videobellen heeft deelgenomen aan de zitting.
Overwegingen
1.1.
Appellante is tot en met 1 maart 2013 werkzaam geweest als administratief medewerker voor gemiddeld 35,86 uur per week. Appellante heeft zich op 16 juni 2014 ziekgemeld. Op dat moment ontving zij een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW). Het Uwv heeft vastgesteld dat appellante na afloop van de voorgeschreven wachttijd met ingang van 13 juni 2016 geen recht heeft op een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) omdat appellante per die datum minder dan 35% arbeidsongeschikt was. Het bezwaar van appellante tegen dit besluit is ongegrond verklaard. Appellante werd met haar beperkingen in staat geacht onder andere de functie schadecorrespondent (functienaam medewerker claimbehandeling D, SBC-code 516080) te vervullen. Het beroep van appellante tegen de beslissing op bezwaar is door de rechtbank ongegrond verklaard bij uitspraak van 7 augustus 2017.
1.2.
Appellante heeft zich per 7 november 2016 ziekgemeld met lichamelijke klachten. Op dat moment ontving zij opnieuw een WW-uitkering. Na een eerstejaars ZW-beoordeling (EZWb) is de ZW-uitkering voortgezet, omdat appellante op dat moment tijdelijk geen benutbare mogelijkheden had door een lopende behandeling. In het kader van een toetsing verbetering belastbaarheid in het tweede ziektejaar heeft appellante op 9 augustus 2018 het spreekuur van een verzekeringsarts bezocht. Deze arts heeft appellante belastbaar geacht met inachtneming van de beperkingen die zijn neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 24 augustus 2018. Een arbeidsdeskundige heeft na overleg met de verzekeringsarts vastgesteld dat appellante in staat is de functie schadecorrespondent, functienaam medewerker claimbehandelaar D, te verrichten. Het Uwv heeft bij besluit van 29 augustus 2018 vastgesteld dat appellante per 29 augustus 2018 geen recht meer heeft op haar ZW-uitkering omdat zij per die datum geschikt is voor haar eigen werk. Het bezwaar van appellante tegen dit besluit heeft het Uwv bij besluit van 5 december 2018 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 5 december 2018 ten grondslag.
2. De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het bestreden besluit gegrond verklaard. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat het bestreden besluit onzorgvuldig is voorbereid nu de verzekeringsarts bezwaar en beroep het resultaat van een geplande MRI-scan niet heeft afgewacht. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in beroep gereageerd op dit resultaat en de rechtbank heeft geen reden gezien om te twijfelen aan de juistheid van het medisch oordeel. Om die reden heeft de rechtbank het bestreden besluit vernietigd met instandlating van de rechtsgevolgen. De rechtbank heeft besloten om het Uwv te veroordelen in de proceskosten en het door appellante betaalde griffierecht.
3.1.
In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat in de FML ten onrechte geen rekening is gehouden met de beperkingen van appellante als gevolg van haar psychische klachten. Zij heeft daarnaast recente medische informatie ingediend met betrekking tot een mogelijke diagnose van de ziekte van Bechterew. Tot slot heeft appellante aangevoerd dat de diploma- en ervaringseisen van de functie medewerker claimbehandeling D niet overeenkomen met daadwerkelijke vacatures die zij heeft gevonden.
3.2.
Het Uwv heeft onder verwijzing naar een rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 15 november 2019 verzocht de aangevallen uitspraak met inachtneming van wat in het incidenteel hoger beroep is aangevoerd te bevestigen voor het overige.
3.3.
In incidenteel hoger beroep heeft het Uwv aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat sprake was van een gebrek in het medisch onderzoek dat is hersteld met het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 8 augustus 2018. Volgens het Uwv heeft de rechtbank ten onrechte het bestreden besluit vernietigd en een veroordeling in de proceskosten uitgesproken. Het Uwv heeft hierbij verwezen naar rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 15 november 2019 en 13 februari 2020.
3.4.
In verweer op het incidenteel hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat het Uwv pas in beroep de benodigde medische informatie heeft betrokken in het onderzoek en dat de rechtbank terecht het bestreden besluit heeft vernietigd en het Uwv heeft veroordeeld in de proceskosten.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Op grond van artikel 19, eerste en vierde lid, van de Ziektewet heeft een verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken, recht op ziekengeld. Volgens vaste rechtspraak van de Raad wordt onder “zijn arbeid” verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding verrichte arbeid. Deze regel lijdt in dit geval in zoverre uitzondering dat, wanneer de verzekerde na gedurende de maximumtermijn ziekengeld te hebben ontvangen, blijvend ongeschikt is voor zijn oude werk en niet in enig werk heeft hervat, als maatstaf geldt arbeid, zoals die nader is geconcretiseerd bij de beoordeling van de aanspraak van de verzekerde op een uitkering op grond van de Wet WIA. Van ongeschiktheid in de zin van de ZW is geen sprake indien de verzekerde geschikt is voor ten minste één van de functies die aan hem zijn voorgehouden bij de laatste vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid op grond van de Wet WIA.
4.2.
In geschil is of het Uwv terecht het resultaat van een geplande MRI-scan niet heeft afgewacht en of appellante terecht per 29 augustus 2018 geschikt is geacht voor een van de in het kader van de WIA-aanvraag geduide functies, namelijk de functie medewerker claimbehandeling D.
4.3.
In artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is bepaald dat het bestuursorgaan bij de voorbereiding van een besluit de nodige kennis vergaart over de relevante feiten en de af te wegen belangen. Deze bepaling brengt onder meer mee dat het medisch oordeel over de beperkingen van een verzekerde dient te zijn gebaseerd op een zorgvuldig medisch onderzoek. Het niet inwinnen van informatie bij de (voorheen) behandelend arts(en) kan meebrengen dat het onderzoek niet aan deze eis voldoet. Het niet inwinnen van deze informatie brengt echter niet zonder meer in alle gevallen mee dat het onderzoek als onvoldoende zorgvuldig moet worden beoordeeld. Anders dan de rechtbank is de Raad van oordeel dat er in dit geval geen sprake is van onzorgvuldigheid als gevolg van het niet afwachten van het resultaat van een MRI-scan. Hiertoe wordt van belang geacht dat de verzekeringsarts in zijn rapport van 24 augustus 2018 de nog niet eerder (expliciet) vermelde klachten aan de rechterarm heeft betrokken in zijn onderzoek. Ondanks dat het lichamelijk onderzoek moeizaam uitvoerbaar was door de pijn van appellante heeft de verzekeringsarts haar beperkt geacht op frequent reiken (punt 4.9) en beperkt op boven schouderhoogte actief zijn (punt 5.7) om de rechterarm te sparen. Nadat appellante op 28 augustus 2018 de verzekeringsarts heeft ingelicht dat er inmiddels een MRI-scan is gepland omdat er gedacht wordt aan een frozen shoulder of spierscheuring heeft de verzekeringsarts aanvullend gerapporteerd dat er al beperkingen zijn toegevoegd wat betreft de rechterarm. Hoewel een diagnose niet leidend is bij het vaststellen van de belastbaarheid (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 30 januari 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:268) blijkt uit dit rapport en de nadere toelichting van de verzekeringsarts bezwaar en beroep in incidenteel hoger beroep dat een mogelijke frozen shoulder of spierscheuring ook geen aanleiding zou geven voor verdere beperkingen dan die al zijn toegevoegd door de verzekeringsarts.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep
- vernietigt de aangevallen uitspraak;
- verklaart het beroep tegen het besluit van 5 december 2018 ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door S. Wijna, in tegenwoordigheid van L. Winters als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 april 2021.
(getekend) S. Wijna
(getekend) L. Winters
Inleiding
19 3937 ZW, 19/4785 ZW
Datum uitspraak: 7 april 2021
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 21 augustus 2019, 19/153 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Procesverloop
Namens appellante heeft mr. S. van den Berg, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en incidenteel hoger beroep ingesteld.
Appellante heeft een verweerschrift ingediend in het incidenteel hoger beroep.
Appellante heeft nadere stukken ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 maart 2021. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. P. Hanenberg, kantoorgenoot van mr. Van den Berg. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door P.L.J. Weltevrede, die door middel van videobellen heeft deelgenomen aan de zitting.
Overwegingen
1.1.
Appellante is tot en met 1 maart 2013 werkzaam geweest als administratief medewerker voor gemiddeld 35,86 uur per week. Appellante heeft zich op 16 juni 2014 ziekgemeld. Op dat moment ontving zij een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW). Het Uwv heeft vastgesteld dat appellante na afloop van de voorgeschreven wachttijd met ingang van 13 juni 2016 geen recht heeft op een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) omdat appellante per die datum minder dan 35% arbeidsongeschikt was. Het bezwaar van appellante tegen dit besluit is ongegrond verklaard. Appellante werd met haar beperkingen in staat geacht onder andere de functie schadecorrespondent (functienaam medewerker claimbehandeling D, SBC-code 516080) te vervullen. Het beroep van appellante tegen de beslissing op bezwaar is door de rechtbank ongegrond verklaard bij uitspraak van 7 augustus 2017.
1.2.
Appellante heeft zich per 7 november 2016 ziekgemeld met lichamelijke klachten. Op dat moment ontving zij opnieuw een WW-uitkering. Na een eerstejaars ZW-beoordeling (EZWb) is de ZW-uitkering voortgezet, omdat appellante op dat moment tijdelijk geen benutbare mogelijkheden had door een lopende behandeling. In het kader van een toetsing verbetering belastbaarheid in het tweede ziektejaar heeft appellante op 9 augustus 2018 het spreekuur van een verzekeringsarts bezocht. Deze arts heeft appellante belastbaar geacht met inachtneming van de beperkingen die zijn neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 24 augustus 2018. Een arbeidsdeskundige heeft na overleg met de verzekeringsarts vastgesteld dat appellante in staat is de functie schadecorrespondent, functienaam medewerker claimbehandelaar D, te verrichten. Het Uwv heeft bij besluit van 29 augustus 2018 vastgesteld dat appellante per 29 augustus 2018 geen recht meer heeft op haar ZW-uitkering omdat zij per die datum geschikt is voor haar eigen werk. Het bezwaar van appellante tegen dit besluit heeft het Uwv bij besluit van 5 december 2018 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 5 december 2018 ten grondslag.
2. De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het bestreden besluit gegrond verklaard. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat het bestreden besluit onzorgvuldig is voorbereid nu de verzekeringsarts bezwaar en beroep het resultaat van een geplande MRI-scan niet heeft afgewacht. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in beroep gereageerd op dit resultaat en de rechtbank heeft geen reden gezien om te twijfelen aan de juistheid van het medisch oordeel. Om die reden heeft de rechtbank het bestreden besluit vernietigd met instandlating van de rechtsgevolgen. De rechtbank heeft besloten om het Uwv te veroordelen in de proceskosten en het door appellante betaalde griffierecht.
3.1.
In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat in de FML ten onrechte geen rekening is gehouden met de beperkingen van appellante als gevolg van haar psychische klachten. Zij heeft daarnaast recente medische informatie ingediend met betrekking tot een mogelijke diagnose van de ziekte van Bechterew. Tot slot heeft appellante aangevoerd dat de diploma- en ervaringseisen van de functie medewerker claimbehandeling D niet overeenkomen met daadwerkelijke vacatures die zij heeft gevonden.
3.2.
Het Uwv heeft onder verwijzing naar een rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 15 november 2019 verzocht de aangevallen uitspraak met inachtneming van wat in het incidenteel hoger beroep is aangevoerd te bevestigen voor het overige.
3.3.
In incidenteel hoger beroep heeft het Uwv aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat sprake was van een gebrek in het medisch onderzoek dat is hersteld met het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 8 augustus 2018. Volgens het Uwv heeft de rechtbank ten onrechte het bestreden besluit vernietigd en een veroordeling in de proceskosten uitgesproken. Het Uwv heeft hierbij verwezen naar rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 15 november 2019 en 13 februari 2020.
3.4.
In verweer op het incidenteel hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat het Uwv pas in beroep de benodigde medische informatie heeft betrokken in het onderzoek en dat de rechtbank terecht het bestreden besluit heeft vernietigd en het Uwv heeft veroordeeld in de proceskosten.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Op grond van artikel 19, eerste en vierde lid, van de Ziektewet heeft een verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken, recht op ziekengeld. Volgens vaste rechtspraak van de Raad wordt onder “zijn arbeid” verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding verrichte arbeid. Deze regel lijdt in dit geval in zoverre uitzondering dat, wanneer de verzekerde na gedurende de maximumtermijn ziekengeld te hebben ontvangen, blijvend ongeschikt is voor zijn oude werk en niet in enig werk heeft hervat, als maatstaf geldt arbeid, zoals die nader is geconcretiseerd bij de beoordeling van de aanspraak van de verzekerde op een uitkering op grond van de Wet WIA. Van ongeschiktheid in de zin van de ZW is geen sprake indien de verzekerde geschikt is voor ten minste één van de functies die aan hem zijn voorgehouden bij de laatste vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid op grond van de Wet WIA.
4.2.
In geschil is of het Uwv terecht het resultaat van een geplande MRI-scan niet heeft afgewacht en of appellante terecht per 29 augustus 2018 geschikt is geacht voor een van de in het kader van de WIA-aanvraag geduide functies, namelijk de functie medewerker claimbehandeling D.
4.3.
In artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is bepaald dat het bestuursorgaan bij de voorbereiding van een besluit de nodige kennis vergaart over de relevante feiten en de af te wegen belangen. Deze bepaling brengt onder meer mee dat het medisch oordeel over de beperkingen van een verzekerde dient te zijn gebaseerd op een zorgvuldig medisch onderzoek. Het niet inwinnen van informatie bij de (voorheen) behandelend arts(en) kan meebrengen dat het onderzoek niet aan deze eis voldoet. Het niet inwinnen van deze informatie brengt echter niet zonder meer in alle gevallen mee dat het onderzoek als onvoldoende zorgvuldig moet worden beoordeeld. Anders dan de rechtbank is de Raad van oordeel dat er in dit geval geen sprake is van onzorgvuldigheid als gevolg van het niet afwachten van het resultaat van een MRI-scan. Hiertoe wordt van belang geacht dat de verzekeringsarts in zijn rapport van 24 augustus 2018 de nog niet eerder (expliciet) vermelde klachten aan de rechterarm heeft betrokken in zijn onderzoek. Ondanks dat het lichamelijk onderzoek moeizaam uitvoerbaar was door de pijn van appellante heeft de verzekeringsarts haar beperkt geacht op frequent reiken (punt 4.9) en beperkt op boven schouderhoogte actief zijn (punt 5.7) om de rechterarm te sparen. Nadat appellante op 28 augustus 2018 de verzekeringsarts heeft ingelicht dat er inmiddels een MRI-scan is gepland omdat er gedacht wordt aan een frozen shoulder of spierscheuring heeft de verzekeringsarts aanvullend gerapporteerd dat er al beperkingen zijn toegevoegd wat betreft de rechterarm. Hoewel een diagnose niet leidend is bij het vaststellen van de belastbaarheid (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 30 januari 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:268) blijkt uit dit rapport en de nadere toelichting van de verzekeringsarts bezwaar en beroep in incidenteel hoger beroep dat een mogelijke frozen shoulder of spierscheuring ook geen aanleiding zou geven voor verdere beperkingen dan die al zijn toegevoegd door de verzekeringsarts.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep
- vernietigt de aangevallen uitspraak;
- verklaart het beroep tegen het besluit van 5 december 2018 ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door S. Wijna, in tegenwoordigheid van L. Winters als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 april 2021.
(getekend) S. Wijna
(getekend) L. Winters