Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2021-02-17
ECLI:NL:CRVB:2021:334
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
4,652 tokens
Inleiding
19 4963 WIA
Datum uitspraak: 17 februari 2021
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van
22 oktober 2019, 19/1094 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Procesverloop
Namens appellante heeft mr. H. Beekelaar, advocaat, hoger beroep ingesteld en nadere stukken ingediend.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en op de nadere stukken gereageerd
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden via videobellen op 6 januari 2021. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Beekelaar. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door R. van den Heuvel.
Overwegingen
1. Appellante was laatstelijk voor 37,15 uur per week werkzaam als promotor cosmetica. Op 4 oktober 2016 heeft appellante zich ziek gemeld voor haar werk. In het kader van een aanvraag op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) heeft appellante het spreekuur bezocht van een arts van het Uwv. Deze arts heeft vastgesteld dat appellante belastbaar is met inachtneming van de beperkingen die zij heeft neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 1 augustus 2018. Een arbeidsdeskundige heeft vastgesteld dat appellante niet meer geschikt is voor het laatstelijk verrichte werk. Hij heeft vervolgens functies geselecteerd en op basis van de drie functies met de hoogste lonen de mate van arbeidsongeschiktheid berekend. Bij besluit van 16 augustus 2018 heeft het Uwv geweigerd aan appellante met ingang van 2 oktober 2018 een WIA-uitkering toe te kennen, omdat zij met ingang van die datum minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Het bezwaar van appellante tegen dit besluit heeft het Uwv bij besluit van 10 januari 2019 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit ligt een rapport van 13 december 2018 van een verzekeringsarts bezwaar en beroep met bijbehorende FML en een rapport van 9 januari 2019 van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat het medisch onderzoek zorgvuldig is geweest en dat de arts en de verzekeringsarts bezwaar en beroep inzichtelijk gemotiveerd hebben waarom er geen aanleiding is voor een urenbeperking. Ook hadden de artsen niet meer of verdergaande beperkingen in acht hoeven nemen. Appellante heeft geen medische stukken ingebracht waaruit blijkt dat de reeds aangenomen beperkingen op dynamische handelingen onvoldoende zouden zijn om ook deze klachten te ondervangen.
De rechtbank heeft overwogen dat het Uwv voldoende gemotiveerd heeft waarom de belastbaarheid van appellante in de geselecteerde functies niet wordt overschreden. De rechtbank heeft gewezen op de vaste rechtspraak van de Raad waarin is neergelegd dat in beginsel wordt uitgegaan van de juistheid van de in het CBBS opgenomen gegevens. Voor het overleggen van de door appellante gevraagde formulieren en rapporten, heeft de rechtbank geen reden gezien. Appellante kan andersluidende gegevens aandragen die, indien zij reële twijfel wekken over de in het CBBS opgenomen gegevens, aanleiding kunnen geven tot verificatie daarvan. De rechtbank is van mening dat appellante geen reële twijfel heeft gezaaid omtrent de juistheid van de CBBS gegevens. De enkele wens om te controleren of op de bezochte werkplekken een lift aanwezig is, is daarvoor onvoldoende. Appellante is beperkt geacht op klimmen (maar kan tenminste een opstapje op en af) en er is bij de geselecteerde functies geen signalering naar voren gekomen, omdat in de functie geklommen zou moeten worden naar een verdieping.
3.1.
Appellante heeft in hoger beroep aangevoerd dat ten onrechte geen urenbeperking is aangenomen. Daarbij heeft zij gewezen op het Verzekeringsgeneeskundig protocol Artrose heup en knie en Reumatoïde artritis. Daarnaast heeft appellante gewezen op haar pijnklachten in haar onderrug en bekken die onvoldoende zijn onderkend door het Uwv. Zij heeft voor onderbouwing van haar standpunt mede verwezen naar de brief van de huisarts van 16 december 2020. Appellante heeft wederom naar voren gebracht dat in de geselecteerde functies sprake is van niet toelaatbare overschrijdingen. Zo moet appellante in de functie van administratief ondersteunend medewerker (SBC-code 315100) te lang staan tijdens het werk, er is sprake een overschrijding van bijna 50%. Appellante heeft gesteld dat er dicrepanties zijn in de beschrijving van de belasting in de functies en dat van het Uwv mag worden verlangd dat de gegevens in geding worden gebracht waarop de beschrijving in het CBBS is gebaseerd.
3.2.
Het Uwv heeft, mede onder verwijzing naar het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 28 december 2020, bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Van gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid van een verzekerde is op grond van artikel 5 van de Wet WIA sprake als hij als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van onder meer ziekte of gebrek slechts in staat is met arbeid ten hoogste 65% te verdienen van het maatmaninkomen per uur, maar niet volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is. Op grond van artikel 6, eerste lid, van de Wet WIA wordt de beoordeling van de arbeidsongeschiktheid gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek.
4.2.
In geschil is de vraag of het Uwv de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante in de zin van de Wet WIA terecht met ingang van 2 oktober 2018 heeft vastgesteld op minder dan 35% en terecht heeft geweigerd aan appellante een WIA-uitkering toe te kennen.
4.3.
De gronden die appellante in hoger beroep heeft aangevoerd zijn grotendeels een herhaling van de gronden die zij in beroep naar voren heeft gebracht. De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat het medisch onderzoek zorgvuldig en volledig is geweest. De rechtbank heeft terecht geen aanknopingspunten gezien voor het oordeel dat de beperkingen van appellante door de verzekeringsarts bezwaar en beroep niet juist zijn vastgesteld in de FML van 9 januari 2019. De hieraan ten grondslag gelegde overwegingen van de rechtbank worden onderschreven. De verzekeringsartsen hebben, zoals ook naar voren komt in de rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 8 maart 2019 en 27 augustus 2019 bij de vaststelling van de belastbaarheid kenbaar rekening gehouden met de artrose en de knieklachten van appellante. Ook de redenen waarom geen urenbeperking in aanmerking wordt genomen zijn inzichtelijk besproken. De door appellante beschreven pijnklachten en daaruit voortvloeiende verstoring in haar nachtrust zijn vermeld in de rapporten van de verzekeringsartsen en in die rapporten is afdoende gemotiveerd dat met de vastgestelde beperkingen geen noodzaak bestaat aanvullend een urenbeperking vast te stellen. Uit de beschikbare gegevens, waaronder de informatie van de behandelend sector, blijkt evenmin van een dagelijkse recuperatiebehoefte. De door appellante in hoger beroep ingebrachte brief van de huisarts biedt geen aanknopingspunten om te twijfelen aan de juistheid van de vastgestelde beperkingen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft met juistheid gesteld dat de brief van de huisarts de reeds bekende knieklachten bevestigt.
4.4.
Volgens vaste rechtspraak van de Raad (onder meer de uitspraak van 8 maart 2005, ECLI:NL:CRVB:2005:AS9343) is het CBBS in beginsel rechtens aanvaardbaar te achten als ondersteunend systeem en ondersteunende methode bij de beoordeling of, en zo ja in welke mate, iemand arbeidsongeschikt is te achten in de zin van de arbeidsongeschiktheidswetten. Eveneens volgens vaste rechtspraak van de Raad dient in beginsel te worden uitgegaan van de juistheid van de in het CBBS opgenomen gegevens. Daarbij geldt dat een uitzondering op die regel aangewezen kan zijn indien een betrokkene erin slaagt om de juistheid van de aan het CBBS ontleende gegevens van feitelijke aard voldoende gemotiveerd te bestrijden of indien de rechter zelf twijfelt aan de juistheid van deze gegevens. In dat geval kan onder toepassing van artikel 8:45 van de Algemene wet bestuursrecht van het Uwv worden verlangd dat het door overlegging van de betreffende gegevens verificatie daarvan mogelijk maakt (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 8 augustus 2006, ECLI:NL:CRVB:2006:AY6390).
Dictum
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J.S. van der Kolk, in tegenwoordigheid van A.L. Abdoellakhan als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 februari 2021.
(getekend) J.S. van der Kolk
(getekend) A.L. Abdoellakhan
Inleiding
19 4963 WIA
Datum uitspraak: 17 februari 2021
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van
22 oktober 2019, 19/1094 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Procesverloop
Namens appellante heeft mr. H. Beekelaar, advocaat, hoger beroep ingesteld en nadere stukken ingediend.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en op de nadere stukken gereageerd
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden via videobellen op 6 januari 2021. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Beekelaar. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door R. van den Heuvel.
Overwegingen
1. Appellante was laatstelijk voor 37,15 uur per week werkzaam als promotor cosmetica. Op 4 oktober 2016 heeft appellante zich ziek gemeld voor haar werk. In het kader van een aanvraag op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) heeft appellante het spreekuur bezocht van een arts van het Uwv. Deze arts heeft vastgesteld dat appellante belastbaar is met inachtneming van de beperkingen die zij heeft neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 1 augustus 2018. Een arbeidsdeskundige heeft vastgesteld dat appellante niet meer geschikt is voor het laatstelijk verrichte werk. Hij heeft vervolgens functies geselecteerd en op basis van de drie functies met de hoogste lonen de mate van arbeidsongeschiktheid berekend. Bij besluit van 16 augustus 2018 heeft het Uwv geweigerd aan appellante met ingang van 2 oktober 2018 een WIA-uitkering toe te kennen, omdat zij met ingang van die datum minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Het bezwaar van appellante tegen dit besluit heeft het Uwv bij besluit van 10 januari 2019 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit ligt een rapport van 13 december 2018 van een verzekeringsarts bezwaar en beroep met bijbehorende FML en een rapport van 9 januari 2019 van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat het medisch onderzoek zorgvuldig is geweest en dat de arts en de verzekeringsarts bezwaar en beroep inzichtelijk gemotiveerd hebben waarom er geen aanleiding is voor een urenbeperking. Ook hadden de artsen niet meer of verdergaande beperkingen in acht hoeven nemen. Appellante heeft geen medische stukken ingebracht waaruit blijkt dat de reeds aangenomen beperkingen op dynamische handelingen onvoldoende zouden zijn om ook deze klachten te ondervangen.
De rechtbank heeft overwogen dat het Uwv voldoende gemotiveerd heeft waarom de belastbaarheid van appellante in de geselecteerde functies niet wordt overschreden. De rechtbank heeft gewezen op de vaste rechtspraak van de Raad waarin is neergelegd dat in beginsel wordt uitgegaan van de juistheid van de in het CBBS opgenomen gegevens. Voor het overleggen van de door appellante gevraagde formulieren en rapporten, heeft de rechtbank geen reden gezien. Appellante kan andersluidende gegevens aandragen die, indien zij reële twijfel wekken over de in het CBBS opgenomen gegevens, aanleiding kunnen geven tot verificatie daarvan. De rechtbank is van mening dat appellante geen reële twijfel heeft gezaaid omtrent de juistheid van de CBBS gegevens. De enkele wens om te controleren of op de bezochte werkplekken een lift aanwezig is, is daarvoor onvoldoende. Appellante is beperkt geacht op klimmen (maar kan tenminste een opstapje op en af) en er is bij de geselecteerde functies geen signalering naar voren gekomen, omdat in de functie geklommen zou moeten worden naar een verdieping.
3.1.
Appellante heeft in hoger beroep aangevoerd dat ten onrechte geen urenbeperking is aangenomen. Daarbij heeft zij gewezen op het Verzekeringsgeneeskundig protocol Artrose heup en knie en Reumatoïde artritis. Daarnaast heeft appellante gewezen op haar pijnklachten in haar onderrug en bekken die onvoldoende zijn onderkend door het Uwv. Zij heeft voor onderbouwing van haar standpunt mede verwezen naar de brief van de huisarts van 16 december 2020. Appellante heeft wederom naar voren gebracht dat in de geselecteerde functies sprake is van niet toelaatbare overschrijdingen. Zo moet appellante in de functie van administratief ondersteunend medewerker (SBC-code 315100) te lang staan tijdens het werk, er is sprake een overschrijding van bijna 50%. Appellante heeft gesteld dat er dicrepanties zijn in de beschrijving van de belasting in de functies en dat van het Uwv mag worden verlangd dat de gegevens in geding worden gebracht waarop de beschrijving in het CBBS is gebaseerd.
3.2.
Het Uwv heeft, mede onder verwijzing naar het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 28 december 2020, bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Van gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid van een verzekerde is op grond van artikel 5 van de Wet WIA sprake als hij als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van onder meer ziekte of gebrek slechts in staat is met arbeid ten hoogste 65% te verdienen van het maatmaninkomen per uur, maar niet volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is. Op grond van artikel 6, eerste lid, van de Wet WIA wordt de beoordeling van de arbeidsongeschiktheid gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek.
4.2.
In geschil is de vraag of het Uwv de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante in de zin van de Wet WIA terecht met ingang van 2 oktober 2018 heeft vastgesteld op minder dan 35% en terecht heeft geweigerd aan appellante een WIA-uitkering toe te kennen.
4.3.
De gronden die appellante in hoger beroep heeft aangevoerd zijn grotendeels een herhaling van de gronden die zij in beroep naar voren heeft gebracht. De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat het medisch onderzoek zorgvuldig en volledig is geweest. De rechtbank heeft terecht geen aanknopingspunten gezien voor het oordeel dat de beperkingen van appellante door de verzekeringsarts bezwaar en beroep niet juist zijn vastgesteld in de FML van 9 januari 2019. De hieraan ten grondslag gelegde overwegingen van de rechtbank worden onderschreven. De verzekeringsartsen hebben, zoals ook naar voren komt in de rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 8 maart 2019 en 27 augustus 2019 bij de vaststelling van de belastbaarheid kenbaar rekening gehouden met de artrose en de knieklachten van appellante. Ook de redenen waarom geen urenbeperking in aanmerking wordt genomen zijn inzichtelijk besproken. De door appellante beschreven pijnklachten en daaruit voortvloeiende verstoring in haar nachtrust zijn vermeld in de rapporten van de verzekeringsartsen en in die rapporten is afdoende gemotiveerd dat met de vastgestelde beperkingen geen noodzaak bestaat aanvullend een urenbeperking vast te stellen. Uit de beschikbare gegevens, waaronder de informatie van de behandelend sector, blijkt evenmin van een dagelijkse recuperatiebehoefte. De door appellante in hoger beroep ingebrachte brief van de huisarts biedt geen aanknopingspunten om te twijfelen aan de juistheid van de vastgestelde beperkingen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft met juistheid gesteld dat de brief van de huisarts de reeds bekende knieklachten bevestigt.
4.4.
Volgens vaste rechtspraak van de Raad (onder meer de uitspraak van 8 maart 2005, ECLI:NL:CRVB:2005:AS9343) is het CBBS in beginsel rechtens aanvaardbaar te achten als ondersteunend systeem en ondersteunende methode bij de beoordeling of, en zo ja in welke mate, iemand arbeidsongeschikt is te achten in de zin van de arbeidsongeschiktheidswetten. Eveneens volgens vaste rechtspraak van de Raad dient in beginsel te worden uitgegaan van de juistheid van de in het CBBS opgenomen gegevens. Daarbij geldt dat een uitzondering op die regel aangewezen kan zijn indien een betrokkene erin slaagt om de juistheid van de aan het CBBS ontleende gegevens van feitelijke aard voldoende gemotiveerd te bestrijden of indien de rechter zelf twijfelt aan de juistheid van deze gegevens. In dat geval kan onder toepassing van artikel 8:45 van de Algemene wet bestuursrecht van het Uwv worden verlangd dat het door overlegging van de betreffende gegevens verificatie daarvan mogelijk maakt (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 8 augustus 2006, ECLI:NL:CRVB:2006:AY6390).
Dictum
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J.S. van der Kolk, in tegenwoordigheid van A.L. Abdoellakhan als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 februari 2021.
(getekend) J.S. van der Kolk
(getekend) A.L. Abdoellakhan