Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2021-12-03
ECLI:NL:CRVB:2021:3035
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
4,038 tokens
Inleiding
21998 AOW
Datum uitspraak: 3 december 2021
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van
15 februari 2021, 20/1441 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)
Procesverloop
Namens appellant heeft R. Rambaratsingh hoger beroep ingesteld.
De Svb heeft een verweerschrift ingediend.
Namens appellant zijn nadere stukken ingezonden.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 november 2021. Appellant is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. De Svb heeft zich via beeldbellen laten vertegenwoordigen door mr. A. Marijnissen.
Overwegingen
1.1.
Appellant, geboren in Suriname, heeft van 12 augustus 1975 tot en met 7 juli 1978 in Nederland verbleven. Na die tijd is appellant naar Suriname teruggegaan en vervolgens teruggekeerd naar Nederland. Sindsdien woont hij, vanaf 3 juni 1980, onafgebroken in Nederland. Op 12 augustus 2019 heeft appellant een pensioenoverzicht aangevraagd. Bij het pensioenoverzicht van 22 oktober 2019 heeft de Svb vastgesteld dat appellant niet voor de Algemene Ouderdomswet (AOW) verzekerd is geweest van 14 mei 1971 tot en met 2 juni 1980.
1.2.
Het bezwaar van appellant tegen dit pensioenoverzicht is bij besluit van 28 januari 2020 (bestreden besluit) gegrond verklaard. Daarbij is vastgesteld dat appellant verzekerd is geweest voor de AOW van 12 augustus 1976 tot en met 7 juli 1978. De periodes waarin appellant niet verzekerd is zijn onveranderd gebleven.
2. Bij de aangevallen uitspraak is het beroep van appellant ongegrond verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank is appellant terecht niet verzekerd geacht over 12 augustus 1975 tot en met 12 augustus 1976, omdat toen (nog) geen sprake was van ingezetenschap. Appellant had weliswaar de Nederlandse nationaliteit en sprak de taal, maar hij had hier nooit gewoond. Ook had hij geen duurzaam tot zijn beschikking zijnde woning, anders dan dat hij bij zijn broer in de woning kon verblijven. Hij had geen zicht op een baan of een opleiding in de periode in geding. Weliswaar had appellant bij zijn aankomst op 12 augustus 1975 de intentie om zich definitief in Nederland te vestigen, maar deze intentie is gelet op de overige omstandigheden onvoldoende om vanaf 12 augustus 1975 al een duurzame band van persoonlijke aard met Nederland aan te nemen.
3. In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat hij ingezetene is geweest van het ‘Rijk’ en dat de reden voor vertrek uit Suriname de onafhankelijkheid is geweest. Appellant heeft zich op het standpunt gesteld dat voormalig Rijksgenoten geboren in Suriname ten onrechte anders worden behandeld dan Nederlanders geboren in Nederland. Appellant is van mening dat de voorwaarde van ingezetenschap van artikel 6, eerder lid, onder a, van de AOW niet mag worden toegepast op voormalig Rijksgenoten en heeft op zitting betoogd om dat artikel te elimineren. Verder heeft appellant aangevoerd dat hem ten onrechte 2% ouderdomspensioen wordt onthouden over de periode van 12 augustus 1975 tot en met 12 augustus 1976, omdat hij direct na zijn aankomst in Nederland een duurzame band van persoonlijke aard met Nederland had.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
In geschil is of appellant verzekerd is voor de AOW over de periode van 12 augustus 1975 tot en met 12 augustus 1976. Daarvoor is beslissend of appellant over die periode ingezetene was van Nederland.
4.2.
Op grond van artikel 6 van de AOW was, kort gezegd en voor zover hier van belang, ten tijde in geding verzekerd degene die de leeftijd van 15 jaar, maar nog niet die van 65 jaar heeft bereikt, indien hij ingezetene is dan wel geen ingezetene is, maar ter zake van binnen het rijk in dienstbetrekking verrichte arbeid aan de loonbelasting is onderworpen.
4.3.
Ingezetene in de zin van de AOW is degene die in Nederland woont. Waar iemand woont wordt naar de omstandigheden beoordeeld. In zijn arresten van 21 januari 2011 (ECLI:NL:HR:2011:BP1466) en 4 maart 2011 (ECLI:NL:HR:2011:BP6285) heeft de Hoge Raad in herinnering geroepen dat om te bepalen waar iemand woont, acht moet worden geslagen op alle in aanmerking komende omstandigheden van het geval. Het komt er op aan of deze omstandigheden van dien aard zijn dat een duurzame band van persoonlijke aard bestaat tussen de betrokkene en Nederland.
4.4.
De Raad kan zich geheel vinden in wat de rechtbank heeft overwogen en komt op grond van deze overwegingen tot hetzelfde oordeel als de rechtbank. Daaraan wordt toegevoegd dat de Raad in vaste rechtspraak heeft overwogen dat geen sprake is van een ongerechtvaardigd onderscheid tussen Nederlanders die na invoering van de AOW in 1957 een periode in Suriname hebben gewoond en andere Nederlanders. Tevens is – onder verwijzing naar parlementaire behandeling van de positie van ingezetenen van Suriname voorafgaand aan de onafhankelijkheid van dit land – overwogen dat de Nederlandse overheid voor de jaren dat personen in Suriname hebben gewoond niet verantwoordelijk is voor het pensioen. De AOWopbouw van voormalig ingezetenen van Suriname is, nu het wettelijk kader de rechter geen ruimte biedt, ook onder de aandacht van de wetgever gebracht. Tot op heden heeft dat niet tot een voorziening geleid. In 2017 heeft de toenmalige staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) in een brief van 5 oktober 2017 (kenmerk 20170000157748) in reactie op vragen uit de Tweede Kamer geantwoord geen mogelijkheid te zien voor een speciale regeling voor de niet volledige AOW-opbouw van Nederlandse (voormalig) ingezetenen van Surinaamse herkomst. In een brief van 26 juni 2019 (kenmerk 2019-0000082987) heeft de minister van SZW desgevraagd te kennen gegeven geen aanleiding te zien af te wijken van het in de brief van 5 oktober 2017 weergegeven standpunt.
4.5.
Appellant heeft op zitting nog gewezen op gevallen van voormalig Rijksgenoten uit Suriname die direct na aankomst in Nederland wel verzekerd werden geacht voor de AOW. Het door appellant gedane beroep op het gelijkheidsbeginsel kan niet slagen omdat niet aannemelijk is gemaakt dat de feiten en omstandigheden in de door appellant genoemde gevallen vergelijkbaar zijn met zijn zaak.
4.6.
Tot slot wordt overwogen dat de bepalingen van de AOW dwingendrechtelijk van aard zijn en de Svb niet bevoegd is daarvan af te wijken.
4.7.
Uit het voorgaande volgt dat appellant over 12 augustus 1975 tot en met 12 augustus 1976 niet als ingezetene kan worden aanmerkt en over die periode niet verzekerd is voor de AOW. Het hoger beroep slaagt niet en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door C.H. Bangma, in tegenwoordigheid van M. Buur als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 december 2021.
(getekend) C.H. Bangma
(getekend) M. Buur
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH Den Haag) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over het begrip ingezetene.
Onder meer uitspraken van 21 augustus 2020, ECLI:NL:CRvB:2020:1964 en van 1 april 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:1225 (zie www.rechtspraak.nl).
Inleiding
21998 AOW
Datum uitspraak: 3 december 2021
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van
15 februari 2021, 20/1441 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)
Procesverloop
Namens appellant heeft R. Rambaratsingh hoger beroep ingesteld.
De Svb heeft een verweerschrift ingediend.
Namens appellant zijn nadere stukken ingezonden.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 november 2021. Appellant is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. De Svb heeft zich via beeldbellen laten vertegenwoordigen door mr. A. Marijnissen.
Overwegingen
1.1.
Appellant, geboren in Suriname, heeft van 12 augustus 1975 tot en met 7 juli 1978 in Nederland verbleven. Na die tijd is appellant naar Suriname teruggegaan en vervolgens teruggekeerd naar Nederland. Sindsdien woont hij, vanaf 3 juni 1980, onafgebroken in Nederland. Op 12 augustus 2019 heeft appellant een pensioenoverzicht aangevraagd. Bij het pensioenoverzicht van 22 oktober 2019 heeft de Svb vastgesteld dat appellant niet voor de Algemene Ouderdomswet (AOW) verzekerd is geweest van 14 mei 1971 tot en met 2 juni 1980.
1.2.
Het bezwaar van appellant tegen dit pensioenoverzicht is bij besluit van 28 januari 2020 (bestreden besluit) gegrond verklaard. Daarbij is vastgesteld dat appellant verzekerd is geweest voor de AOW van 12 augustus 1976 tot en met 7 juli 1978. De periodes waarin appellant niet verzekerd is zijn onveranderd gebleven.
2. Bij de aangevallen uitspraak is het beroep van appellant ongegrond verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank is appellant terecht niet verzekerd geacht over 12 augustus 1975 tot en met 12 augustus 1976, omdat toen (nog) geen sprake was van ingezetenschap. Appellant had weliswaar de Nederlandse nationaliteit en sprak de taal, maar hij had hier nooit gewoond. Ook had hij geen duurzaam tot zijn beschikking zijnde woning, anders dan dat hij bij zijn broer in de woning kon verblijven. Hij had geen zicht op een baan of een opleiding in de periode in geding. Weliswaar had appellant bij zijn aankomst op 12 augustus 1975 de intentie om zich definitief in Nederland te vestigen, maar deze intentie is gelet op de overige omstandigheden onvoldoende om vanaf 12 augustus 1975 al een duurzame band van persoonlijke aard met Nederland aan te nemen.
3. In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat hij ingezetene is geweest van het ‘Rijk’ en dat de reden voor vertrek uit Suriname de onafhankelijkheid is geweest. Appellant heeft zich op het standpunt gesteld dat voormalig Rijksgenoten geboren in Suriname ten onrechte anders worden behandeld dan Nederlanders geboren in Nederland. Appellant is van mening dat de voorwaarde van ingezetenschap van artikel 6, eerder lid, onder a, van de AOW niet mag worden toegepast op voormalig Rijksgenoten en heeft op zitting betoogd om dat artikel te elimineren. Verder heeft appellant aangevoerd dat hem ten onrechte 2% ouderdomspensioen wordt onthouden over de periode van 12 augustus 1975 tot en met 12 augustus 1976, omdat hij direct na zijn aankomst in Nederland een duurzame band van persoonlijke aard met Nederland had.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
In geschil is of appellant verzekerd is voor de AOW over de periode van 12 augustus 1975 tot en met 12 augustus 1976. Daarvoor is beslissend of appellant over die periode ingezetene was van Nederland.
4.2.
Op grond van artikel 6 van de AOW was, kort gezegd en voor zover hier van belang, ten tijde in geding verzekerd degene die de leeftijd van 15 jaar, maar nog niet die van 65 jaar heeft bereikt, indien hij ingezetene is dan wel geen ingezetene is, maar ter zake van binnen het rijk in dienstbetrekking verrichte arbeid aan de loonbelasting is onderworpen.
4.3.
Ingezetene in de zin van de AOW is degene die in Nederland woont. Waar iemand woont wordt naar de omstandigheden beoordeeld. In zijn arresten van 21 januari 2011 (ECLI:NL:HR:2011:BP1466) en 4 maart 2011 (ECLI:NL:HR:2011:BP6285) heeft de Hoge Raad in herinnering geroepen dat om te bepalen waar iemand woont, acht moet worden geslagen op alle in aanmerking komende omstandigheden van het geval. Het komt er op aan of deze omstandigheden van dien aard zijn dat een duurzame band van persoonlijke aard bestaat tussen de betrokkene en Nederland.
4.4.
De Raad kan zich geheel vinden in wat de rechtbank heeft overwogen en komt op grond van deze overwegingen tot hetzelfde oordeel als de rechtbank. Daaraan wordt toegevoegd dat de Raad in vaste rechtspraak heeft overwogen dat geen sprake is van een ongerechtvaardigd onderscheid tussen Nederlanders die na invoering van de AOW in 1957 een periode in Suriname hebben gewoond en andere Nederlanders. Tevens is – onder verwijzing naar parlementaire behandeling van de positie van ingezetenen van Suriname voorafgaand aan de onafhankelijkheid van dit land – overwogen dat de Nederlandse overheid voor de jaren dat personen in Suriname hebben gewoond niet verantwoordelijk is voor het pensioen. De AOWopbouw van voormalig ingezetenen van Suriname is, nu het wettelijk kader de rechter geen ruimte biedt, ook onder de aandacht van de wetgever gebracht. Tot op heden heeft dat niet tot een voorziening geleid. In 2017 heeft de toenmalige staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) in een brief van 5 oktober 2017 (kenmerk 20170000157748) in reactie op vragen uit de Tweede Kamer geantwoord geen mogelijkheid te zien voor een speciale regeling voor de niet volledige AOW-opbouw van Nederlandse (voormalig) ingezetenen van Surinaamse herkomst. In een brief van 26 juni 2019 (kenmerk 2019-0000082987) heeft de minister van SZW desgevraagd te kennen gegeven geen aanleiding te zien af te wijken van het in de brief van 5 oktober 2017 weergegeven standpunt.
4.5.
Appellant heeft op zitting nog gewezen op gevallen van voormalig Rijksgenoten uit Suriname die direct na aankomst in Nederland wel verzekerd werden geacht voor de AOW. Het door appellant gedane beroep op het gelijkheidsbeginsel kan niet slagen omdat niet aannemelijk is gemaakt dat de feiten en omstandigheden in de door appellant genoemde gevallen vergelijkbaar zijn met zijn zaak.
4.6.
Tot slot wordt overwogen dat de bepalingen van de AOW dwingendrechtelijk van aard zijn en de Svb niet bevoegd is daarvan af te wijken.
4.7.
Uit het voorgaande volgt dat appellant over 12 augustus 1975 tot en met 12 augustus 1976 niet als ingezetene kan worden aanmerkt en over die periode niet verzekerd is voor de AOW. Het hoger beroep slaagt niet en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door C.H. Bangma, in tegenwoordigheid van M. Buur als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 december 2021.
(getekend) C.H. Bangma
(getekend) M. Buur
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH Den Haag) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over het begrip ingezetene.
Onder meer uitspraken van 21 augustus 2020, ECLI:NL:CRvB:2020:1964 en van 1 april 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:1225 (zie www.rechtspraak.nl).