Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2021-11-19
ECLI:NL:CRVB:2021:2850
Bestuursrecht; Ambtenarenrecht
Hoger beroep
4,704 tokens
Inleiding
21590 AW
Datum uitspraak: 19 november 2021
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van
24 december 2020, 19/7306 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Minister van Justitie en Veiligheid (minister)
Procesverloop
Namens appellant heeft mr. A.A. van Harmelen, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 oktober 2021. Appellant heeft via videobellen deelgenomen aan de zitting, bijgestaan door mr. Van Harmelen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.H. Beijer.
Overwegingen
1.1.
Met ingang van 1 januari 2020 is de Ambtenarenwet gewijzigd en Ambtenarenwet 2017 (AW 2017) gaan heten. Op grond van artikel 16, tweede lid, van de AW 2017 blijft op besluiten of handelingen die vóór 1 januari 2020 bekend zijn gemaakt, het toen geldende recht van toepassing wat betreft de mogelijkheid om bezwaar te maken of beroep in te stellen en wat betreft de behandeling van dat bezwaar of beroep.
1.2.
Appellant is sinds september 2010 werkzaam geweest als [functie] bij het [centrum 1] ( [centrum 1] ). Op 28 mei 2015 is hij gekozen als lid van de ondernemingsraad. Tijdens de vergadering van de Tijdelijke Ondernemingsraad van 10 november 2015 heeft een incident plaatsgevonden. Op 17 november 2015 heeft een gesprek plaatsgevonden naar aanleiding van meldingen over een vermeende integriteitsschending van appellant.
1.3.
Bij besluit van 30 november 2015 is aan appellant buitengewoon verlof verleend op grond van artikel 33e van het Algemeen Rijksambtenarenreglement (ARAR). De minister heeft het verlof verleend tot het nog te starten feitenonderzoek afgerond zou zijn. Bij besluit van diezelfde datum is aan appellant de toegang tot het gebouw en terrein van het [centrum 1] ontzegd op grond van artikel 77, eerste lid, van het ARAR in verband met het feitenonderzoek.
1.4.
Appellant was vanaf 24 juni 2016 arbeidsongeschikt.
1.5.
Bij brief van 8 juli 2016 heeft de minister aan appellant het voornemen kenbaar gemaakt om hem gedurende een periode van een jaar over te plaatsen naar het [centrum 2] ( [centrum 2] ) en daar een functioneringstraject te starten.
1.6.
Bij besluit van 20 september 2016 heeft de minister aan appellant kenbaar gemaakt dat het definitieve besluit over de tijdelijke overplaatsing naar het [centrum 2] zou worden uitgesteld tot er meer zicht was op de re-integratiemogelijkheden van appellant.
1.7.
Appellant is van 9 december 2016 tot 1 mei 2017, in het kader van zijn re-integratie, werkzaam geweest bij het [onderdeel] ( [onderdeel] ) van de [Dienst] .
1.8.
In aanvulling op de brief van 8 juli 2016 is op 4 januari 2017 aan appellant het voornemen kenbaar gemaakt om hem voor de duur van een jaar, op basis van artikel 58, eerste lid, van het ARAR, tijdelijk te plaatsen bij het [centrum 2] in verband met een functioneringstraject. Tevens is in dit voornemen aan appellant kenbaar gemaakt dat het besluit pas zou worden uitgevoerd nadat appellant voldoende hersteld zou zijn om deel te kunnen nemen aan een functioneringstraject.
1.9.
Bij besluit van 5 april 2017 heeft de minister appellant tijdelijk voor de duur van een jaar op grond van artikel 58, eerste lid, van het ARAR overgeplaatst naar het [centrum 2] . In dat besluit is verder aangegeven dat gedurende dit jaar van tewerkstelling bij [centrum 2] het functioneren van appellant begeleid zou worden door zijn leidinggevende aldaar en dat tussentijds zijn functioneren geëvalueerd zou worden door middel van functioneringsgesprekken met de leidinggevende van appellant te Schiphol, waarbij de leidinggevende van appellant van [centrum 1] aanwezig zou zijn.
1.10.
Per 1 mei 2017 is appellant volledig arbeidsgeschikt verklaard en aanvullend op zijn
re-integratie bij het [onderdeel] werkzaam gebleven.
1.11.
Bij besluit van 23 november 2017 heeft de minister het besluit van 5 april 2017 herroepen. Bij uitspraak van 31 oktober 2018, 18/158, heeft de rechtbank Den Haag het beroep van appellant tegen een opmerking in het besluit van 23 november 2017 dat de minister de vestigingsdirecteur heeft verzocht om samen met appellant te onderzoeken, bijvoorbeeld met behulp van mediation, of een minnelijke oplossing mogelijk is,
niet-ontvankelijk verklaard.
1.12.
Bij besluit van 15 februari 2019 heeft de minister appellant vrijgesteld van werkzaamheden totdat een gesprek heeft plaatsgevonden.
1.13.
Bij besluit van 15 oktober 2019 (bestreden besluit) heeft de minister, in afwijking van het advies van de Adviescommissie bezwaarschriften Algemene wet bestuursrecht inzake personele aangelegenheden ministerie van Justitie en Veiligheid van 18 juli 2019, het bezwaar van appellant tegen het besluit van 15 februari 2019 ongegrond verklaard. Daaraan heeft de minister, onder verwijzing naar de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 31 oktober 2018, ten grondslag gelegd dat een gesprek, of het een startgesprek is, of een functioneringsgesprek of een loopbaangesprek, altijd mogelijk is in een ambtelijke werkgever en werknemer relatie. De minister stelt dat hij bevoegd is buitengewoon verlof van korte duur in deze situatie te verlenen waarin de vestigingsdirecteur van [centrum 1] in de veronderstelling verkeerde dat op korte termijn een gesprek zou plaatsvinden en een datum in onderling overleg moest worden bepaald. De minister heeft de commissie gevolgd in het advies om aan de vrijstelling van de werkzaamheden totdat een gesprek heeft plaatsgevonden artikel 33e van het ARAR ten grondslag te leggen en heeft appellant bij het bestreden besluit buitengewoon verlof van korte duur met behoud van bezoldiging verleend.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. In hoger beroep heeft appellant zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Anders dan de minister ter zitting heeft aangevoerd, wordt het verzoek van appellant om vergoeding van de bezwaarkosten als een vordering beschouwd die een procesbelang en een belang bij een inhoudelijke beoordeling oplevert (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 27 maart 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BH9365). Appellant heeft dit verzoek ook in beroep en in hoger beroep gedaan. Appellant is tijdens de hoorzitting in bezwaar met zijn gemachtigde verschenen en heeft daardoor kosten gemaakt in bezwaar die bij een gegrond bezwaar voor vergoeding in aanmerking zouden kunnen komen. De rechtbank wordt gevolgd in haar oordeel dat appellant door zijn verzoek om vergoeding van de bezwaarkosten procesbelang heeft.
4.2.
Appellant heeft betoogd dat de rechtbank in de aangevallen uitspraak ten onrechte heeft geoordeeld dat de minister voldoende heeft gemotiveerd waarom hij van het advies van de commissie is afgeweken. Dit betoog slaagt niet. Daartoe wordt het volgende overwogen.
4.3.
Op grond van artikel 7:13, zevende lid, van de Algemene wet bestuursrecht wordt, indien de beslissing op het bezwaar afwijkt van het advies van de commissie, in de beslissing de reden voor die afwijking vermeld. De minister heeft, onder verwijzing naar de onder 1.11 vermelde uitspraak van de rechtbank Den Haag, vooropgesteld dat een gesprek, of het een startgesprek is, of een functioneringsgesprek of een loopbaangesprek, altijd mogelijk is in een relatie tussen een ambtelijke werkgever en een werknemer. De minister heeft erop gewezen dat hij bevoegd is buitengewoon verlof van korte duur te verlenen en dat deze bevoegdheid volgens hem in deze situatie kan worden toegepast waarin hij eerst een gesprek met appellant wenst te voeren omdat appellant meer dan drie jaar niet meer werkzaam is geweest bij [centrum 1] waar hij zijn werkzaamheden wenst te hervatten. Gelet op het voorgaande heeft de minister in het bestreden besluit toereikend gemotiveerd waarom hij is afgeweken van het advies van de commissie. Dat appellant zich niet kan vinden in deze motivering, leidt er niet toe dat de minister onvoldoende gemotiveerd van het advies van de commissie is afgeweken.
4.4.
Ter zitting heeft appellant betoogd dat er geen aanleiding bestond voor het vrijstellen van werkzaamheden totdat een gesprek had plaatsgevonden.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J.J.T. van den Corput, in tegenwoordigheid van M. Buur als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 november 2021.
(getekend) J.J.T. van den Corput
(getekend) M. Buur
Inleiding
21590 AW
Datum uitspraak: 19 november 2021
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van
24 december 2020, 19/7306 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Minister van Justitie en Veiligheid (minister)
Procesverloop
Namens appellant heeft mr. A.A. van Harmelen, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 oktober 2021. Appellant heeft via videobellen deelgenomen aan de zitting, bijgestaan door mr. Van Harmelen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.H. Beijer.
Overwegingen
1.1.
Met ingang van 1 januari 2020 is de Ambtenarenwet gewijzigd en Ambtenarenwet 2017 (AW 2017) gaan heten. Op grond van artikel 16, tweede lid, van de AW 2017 blijft op besluiten of handelingen die vóór 1 januari 2020 bekend zijn gemaakt, het toen geldende recht van toepassing wat betreft de mogelijkheid om bezwaar te maken of beroep in te stellen en wat betreft de behandeling van dat bezwaar of beroep.
1.2.
Appellant is sinds september 2010 werkzaam geweest als [functie] bij het [centrum 1] ( [centrum 1] ). Op 28 mei 2015 is hij gekozen als lid van de ondernemingsraad. Tijdens de vergadering van de Tijdelijke Ondernemingsraad van 10 november 2015 heeft een incident plaatsgevonden. Op 17 november 2015 heeft een gesprek plaatsgevonden naar aanleiding van meldingen over een vermeende integriteitsschending van appellant.
1.3.
Bij besluit van 30 november 2015 is aan appellant buitengewoon verlof verleend op grond van artikel 33e van het Algemeen Rijksambtenarenreglement (ARAR). De minister heeft het verlof verleend tot het nog te starten feitenonderzoek afgerond zou zijn. Bij besluit van diezelfde datum is aan appellant de toegang tot het gebouw en terrein van het [centrum 1] ontzegd op grond van artikel 77, eerste lid, van het ARAR in verband met het feitenonderzoek.
1.4.
Appellant was vanaf 24 juni 2016 arbeidsongeschikt.
1.5.
Bij brief van 8 juli 2016 heeft de minister aan appellant het voornemen kenbaar gemaakt om hem gedurende een periode van een jaar over te plaatsen naar het [centrum 2] ( [centrum 2] ) en daar een functioneringstraject te starten.
1.6.
Bij besluit van 20 september 2016 heeft de minister aan appellant kenbaar gemaakt dat het definitieve besluit over de tijdelijke overplaatsing naar het [centrum 2] zou worden uitgesteld tot er meer zicht was op de re-integratiemogelijkheden van appellant.
1.7.
Appellant is van 9 december 2016 tot 1 mei 2017, in het kader van zijn re-integratie, werkzaam geweest bij het [onderdeel] ( [onderdeel] ) van de [Dienst] .
1.8.
In aanvulling op de brief van 8 juli 2016 is op 4 januari 2017 aan appellant het voornemen kenbaar gemaakt om hem voor de duur van een jaar, op basis van artikel 58, eerste lid, van het ARAR, tijdelijk te plaatsen bij het [centrum 2] in verband met een functioneringstraject. Tevens is in dit voornemen aan appellant kenbaar gemaakt dat het besluit pas zou worden uitgevoerd nadat appellant voldoende hersteld zou zijn om deel te kunnen nemen aan een functioneringstraject.
1.9.
Bij besluit van 5 april 2017 heeft de minister appellant tijdelijk voor de duur van een jaar op grond van artikel 58, eerste lid, van het ARAR overgeplaatst naar het [centrum 2] . In dat besluit is verder aangegeven dat gedurende dit jaar van tewerkstelling bij [centrum 2] het functioneren van appellant begeleid zou worden door zijn leidinggevende aldaar en dat tussentijds zijn functioneren geëvalueerd zou worden door middel van functioneringsgesprekken met de leidinggevende van appellant te Schiphol, waarbij de leidinggevende van appellant van [centrum 1] aanwezig zou zijn.
1.10.
Per 1 mei 2017 is appellant volledig arbeidsgeschikt verklaard en aanvullend op zijn
re-integratie bij het [onderdeel] werkzaam gebleven.
1.11.
Bij besluit van 23 november 2017 heeft de minister het besluit van 5 april 2017 herroepen. Bij uitspraak van 31 oktober 2018, 18/158, heeft de rechtbank Den Haag het beroep van appellant tegen een opmerking in het besluit van 23 november 2017 dat de minister de vestigingsdirecteur heeft verzocht om samen met appellant te onderzoeken, bijvoorbeeld met behulp van mediation, of een minnelijke oplossing mogelijk is,
niet-ontvankelijk verklaard.
1.12.
Bij besluit van 15 februari 2019 heeft de minister appellant vrijgesteld van werkzaamheden totdat een gesprek heeft plaatsgevonden.
1.13.
Bij besluit van 15 oktober 2019 (bestreden besluit) heeft de minister, in afwijking van het advies van de Adviescommissie bezwaarschriften Algemene wet bestuursrecht inzake personele aangelegenheden ministerie van Justitie en Veiligheid van 18 juli 2019, het bezwaar van appellant tegen het besluit van 15 februari 2019 ongegrond verklaard. Daaraan heeft de minister, onder verwijzing naar de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 31 oktober 2018, ten grondslag gelegd dat een gesprek, of het een startgesprek is, of een functioneringsgesprek of een loopbaangesprek, altijd mogelijk is in een ambtelijke werkgever en werknemer relatie. De minister stelt dat hij bevoegd is buitengewoon verlof van korte duur in deze situatie te verlenen waarin de vestigingsdirecteur van [centrum 1] in de veronderstelling verkeerde dat op korte termijn een gesprek zou plaatsvinden en een datum in onderling overleg moest worden bepaald. De minister heeft de commissie gevolgd in het advies om aan de vrijstelling van de werkzaamheden totdat een gesprek heeft plaatsgevonden artikel 33e van het ARAR ten grondslag te leggen en heeft appellant bij het bestreden besluit buitengewoon verlof van korte duur met behoud van bezoldiging verleend.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. In hoger beroep heeft appellant zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Anders dan de minister ter zitting heeft aangevoerd, wordt het verzoek van appellant om vergoeding van de bezwaarkosten als een vordering beschouwd die een procesbelang en een belang bij een inhoudelijke beoordeling oplevert (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 27 maart 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BH9365). Appellant heeft dit verzoek ook in beroep en in hoger beroep gedaan. Appellant is tijdens de hoorzitting in bezwaar met zijn gemachtigde verschenen en heeft daardoor kosten gemaakt in bezwaar die bij een gegrond bezwaar voor vergoeding in aanmerking zouden kunnen komen. De rechtbank wordt gevolgd in haar oordeel dat appellant door zijn verzoek om vergoeding van de bezwaarkosten procesbelang heeft.
4.2.
Appellant heeft betoogd dat de rechtbank in de aangevallen uitspraak ten onrechte heeft geoordeeld dat de minister voldoende heeft gemotiveerd waarom hij van het advies van de commissie is afgeweken. Dit betoog slaagt niet. Daartoe wordt het volgende overwogen.
4.3.
Op grond van artikel 7:13, zevende lid, van de Algemene wet bestuursrecht wordt, indien de beslissing op het bezwaar afwijkt van het advies van de commissie, in de beslissing de reden voor die afwijking vermeld. De minister heeft, onder verwijzing naar de onder 1.11 vermelde uitspraak van de rechtbank Den Haag, vooropgesteld dat een gesprek, of het een startgesprek is, of een functioneringsgesprek of een loopbaangesprek, altijd mogelijk is in een relatie tussen een ambtelijke werkgever en een werknemer. De minister heeft erop gewezen dat hij bevoegd is buitengewoon verlof van korte duur te verlenen en dat deze bevoegdheid volgens hem in deze situatie kan worden toegepast waarin hij eerst een gesprek met appellant wenst te voeren omdat appellant meer dan drie jaar niet meer werkzaam is geweest bij [centrum 1] waar hij zijn werkzaamheden wenst te hervatten. Gelet op het voorgaande heeft de minister in het bestreden besluit toereikend gemotiveerd waarom hij is afgeweken van het advies van de commissie. Dat appellant zich niet kan vinden in deze motivering, leidt er niet toe dat de minister onvoldoende gemotiveerd van het advies van de commissie is afgeweken.
4.4.
Ter zitting heeft appellant betoogd dat er geen aanleiding bestond voor het vrijstellen van werkzaamheden totdat een gesprek had plaatsgevonden.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J.J.T. van den Corput, in tegenwoordigheid van M. Buur als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 november 2021.
(getekend) J.J.T. van den Corput
(getekend) M. Buur