Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2021-11-11
ECLI:NL:CRVB:2021:2817
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
5,094 tokens
Inleiding
20 2014 WW
Datum uitspraak: 11 november 2021
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van
4 mei 2020, 20/294 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Procesverloop
Namens appellante heeft mr. T.P. Boer, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft, via beeldbellen, plaatsgevonden op 30 september 2021. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Boer. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door T. van der Weert.
Overwegingen
1.1.
Appellante is van 1 mei 2010 tot 1 april 2016 werkzaam geweest in de Verenigde Staten. Vanaf 1 november 2016 is appellante als [functie] in dienst geweest bij [werkgever] te [standplaats]. Deze arbeidsovereenkomst is door middel van een vaststellingsovereenkomst per 1 april 2018 beëindigd, waarbij aan appellante een vergoeding van € 10.000 (netto) is toegekend. Op 18 augustus 2019 heeft appellante een aanvraag voor een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) bij het Uwv ingediend.
1.2.
Bij besluit van 27 augustus 2019 heeft het Uwv geweigerd appellante met ingang van 2 april 2019 (lees: 2018) een WW-uitkering toe te kennen, omdat zij niet voldeed aan de eis dat zij in de 36 weken voorafgaand aan haar werkloosheid in ten minste 26 weken (wekeneis) had gewerkt.
1.3.
Bij beslissing op bezwaar van 29 december 2019 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante ongegrond verklaard, waarbij de grondslag van de weigering is gewijzigd. De eerste werkloosheidsdag is vastgesteld op 1 juni 2018. Op die datum voldeed appellante wel aan de wekeneis, maar – vanwege haar verblijf in de Verenigde Staten in de kalenderjaren voorafgaand aan haar werkloosheid – niet aan de eis dat zij in de periode van vijf kalenderjaren voorafgaande aan de eerste werkloosheidsdag in ten minste vier kalenderjaren over 52 of meer dagen per kalenderjaar loon had ontvangen (jareneis). Het Uwv heeft appellante omdat zij alleen aan de wekeneis voldeed in aanmerking gebracht voor een WW-uitkering voor de duur van drie maanden (juni, juli en augustus 2018). Echter, op grond van de WW wordt de uitkering niet betaald over de periode gelegen vóór 26 weken voorafgaand aan de dag van de aanvraag. Omdat appellante haar aanvraag pas op 18 augustus 2019 heeft ingediend, wordt haar WW-uitkering niet uitbetaald. Volgens het Uwv is geen sprake van een bijzonder geval om daarvan af te wijken. Uit de contactregistratie van het Uwv blijkt dat appellante voor het eerst op 8 augustus 2019 contact heeft gezocht met het Uwv over het indienen van een aanvraag.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank het volgende overwogen. Appellante heeft betwist dat zij pas in augustus 2019 contact heeft gezocht met het Uwv. Zij heeft zich na het einde van haar dienstverband telefonisch tot het Uwv gewend en te horen gekregen dat zij met een eventuele WW-aanvraag kon wachten tot zij die nodig had, waardoor een weigering in strijd is met het vertrouwensbeginsel. Verder is een termijnoverschrijding volgens appellante – voor zover daar al sprake van is – verschoonbaar, omdat appellante de Nederlandse taal niet goed machtig is en in een echtscheiding was verwikkeld.
2.1.
De rechtbank heeft geoordeeld dat het beroep op het vertrouwensbeginsel faalt. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat uit de contacthistorie van het door het Uwv overgelegde overzicht van telefonische contacten tussen appellante en medewerkers van het Uwv volgt dat appellante in het eerste telefoongesprek, dat van 8 augustus 2019, heeft gevraagd naar de mogelijkheid van het met terugwerkende kracht ontvangen van een WW-uitkering. Appellante heeft niet met objectiveerbare en verifieerbare stukken onderbouwd dat eerder telefonisch contact heeft plaatsgevonden. Ook is in de geregistreerde telefonische contacten geen aanknopingspunt te vinden voor het oordeel dat haar ooit een toezegging is gedaan.
2.2.
Van een andere reden waarom sprake is van een bijzonder geval als bedoeld in artikel 35 van de WW is de rechtbank niet gebleken. Voor zover appellante het Nederlands onvoldoende machtig is – nog daargelaten dat de contacthistorie daarvoor geen aanknopingspunten biedt –had het op haar weg gelegen zich daarin door een derde te laten bijstaan. Evenmin is gebleken van stress of andere psychische klachten waardoor appellante geestelijk niet in staat te achten was desgewenst hulp van een derde in te schakelen.
3.1.
Appellante heeft in hoger beroep ten eerste aangevoerd dat door (een medewerker van) het Uwv is gezegd dat zij (nog) geen recht had op WW-uitkering, waardoor zij verkeerd is voorgelicht en niet tijdig een WW-aanvraag heeft ingediend. Ten tweede heeft appellante aangevoerd dat ten gevolge van bijzondere omstandigheden, zijnde verkeerde voorlichting door zowel haar voormalig werkgever als het Uwv, een taalbarrière en haar echtscheiding, sprake is van een bijzonder geval in de zin van artikel 35 van de WW.
3.2.
Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.1.
Op grond van artikel 26, eerste lid, aanhef en onder b, van de WW is de werknemer verplicht binnen één week na het intreden van zijn werkloosheid bij het Uwv een aanvraag om een uitkering in te dienen.
4.1.2.
Artikel 35 van de WW bepaalt dat de uitkering niet wordt betaald over perioden voor 26 weken voorafgaand aan de dag waarop de aanvraag om een uitkering werd ingediend. Het Uwv is bevoegd in bijzondere gevallen af te wijken van de eerste zin.
4.2.
In geschil is of de rechtbank het Uwv terecht heeft gevolgd in zijn standpunt dat de WWuitkering van appellante niet uitbetaald dient te worden vanwege de late indiening van de WW-aanvraag. Daarbij spitst het geschil zich ten eerste toe op de vraag of door het Uwv een toezegging is gedaan waaraan appellante het gerechtvaardigde vertrouwen kon ontlenen dat zij nog geen aanvraag voor een WW-uitkering behoefde in te dienen en ten tweede op de vraag of sprake is van een bijzonder geval op grond waarvan het Uwv bevoegd is af te wijken van artikel 35, eerste volzin, van de WW.
4.3.1.
Voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel is vereist dat de betrokkene aannemelijk maakt dat van de zijde van de overheid toezeggingen of andere uitlatingen zijn gedaan of gedragingen zijn verricht, waaruit de betrokkene in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht afleiden of en zo ja, hoe het bestuursorgaan in een concreet geval een bevoegdheid zou uitoefenen (zie de uitspraak van de Raad van 4 maart 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:559).
4.3.2.
Beoordeling
4.4.1.
Het beroep van appellante op een bijzonder geval als bedoeld in artikel 35 van de WW, op grond waarvan het Uwv over perioden gelegen meer dan 26 weken voorafgaand aan de indiening van de WW-aanvraag tot uitbetaling van de uitkering diende over te gaan, slaagt evenmin. Volgens vaste rechtspraak (bijvoorbeeld de uitspraak van 2 juni 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:1314) is de aanwezigheid van een bijzonder geval een objectieve voorwaarde voor het doen ontstaan en de uitoefening van de bevoegdheid van het Uwv om af te wijken van deze dwingendrechtelijke bepaling. De rechter moet volledig toetsen of in een concreet geval aan die voorwaarde is voldaan, waarbij het begrip “bijzonder geval” naar zijn aard restrictief moet worden uitgelegd.
4.4.2.
Vooropgesteld wordt dat op appellante de bewijslast rust van de aanwezigheid van een bijzonder geval. Verder staat vast dat appellante haar WW-aanvraag niet tijdig heeft ingediend. Wat appellante in dat kader heeft aangevoerd is in essentie hetzelfde als in beroep, namelijk dat een combinatie van omstandigheden – de onjuiste voorlichting door het Uwv en haar voormalig werkgever, de taalbarrière en haar echtscheiding – leidt tot een bijzonder geval op grond waarvan het Uwv gebruik had moeten maken van zijn bevoegdheid om af te wijken van het niet-uitbetalen van WW-uitkering. De overwegingen van de rechtbank over de beheersing van de Nederlandse taal en eventuele psychische klachten als gevolg van haar echtscheiding worden onderschreven. De overige door appellante genoemde omstandigheden leiden niet tot een ander oordeel. Het standpunt van appellante dat haar voormalig werkgever uitlatingen heeft gedaan waardoor zij op het verkeerde been is gezet is niet onderbouwd. Dit betekent dat appellante niet heeft voldaan aan de in deze op haar rustende bewijslast. Aangezien van een bijzonder geval in dit geval geen sprake is, was het Uwv niet bevoegd om af te wijken van het bepaalde in artikel 35, eerste volzin, van de WW en heeft het Uwv terecht de WW-uitkering van appellante niet uitbetaald.
4.5.
Uit wat in 4.2 tot en met 4.4 is overwogen volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door A.I. van der Kris, in tegenwoordigheid van D.S. Barthel als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 november 2021.
(getekend) A.I. van der Kris
(getekend) D.S. Barthel
Inleiding
20 2014 WW
Datum uitspraak: 11 november 2021
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van
4 mei 2020, 20/294 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Procesverloop
Namens appellante heeft mr. T.P. Boer, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft, via beeldbellen, plaatsgevonden op 30 september 2021. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Boer. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door T. van der Weert.
Overwegingen
1.1.
Appellante is van 1 mei 2010 tot 1 april 2016 werkzaam geweest in de Verenigde Staten. Vanaf 1 november 2016 is appellante als [functie] in dienst geweest bij [werkgever] te [standplaats]. Deze arbeidsovereenkomst is door middel van een vaststellingsovereenkomst per 1 april 2018 beëindigd, waarbij aan appellante een vergoeding van € 10.000 (netto) is toegekend. Op 18 augustus 2019 heeft appellante een aanvraag voor een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) bij het Uwv ingediend.
1.2.
Bij besluit van 27 augustus 2019 heeft het Uwv geweigerd appellante met ingang van 2 april 2019 (lees: 2018) een WW-uitkering toe te kennen, omdat zij niet voldeed aan de eis dat zij in de 36 weken voorafgaand aan haar werkloosheid in ten minste 26 weken (wekeneis) had gewerkt.
1.3.
Bij beslissing op bezwaar van 29 december 2019 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante ongegrond verklaard, waarbij de grondslag van de weigering is gewijzigd. De eerste werkloosheidsdag is vastgesteld op 1 juni 2018. Op die datum voldeed appellante wel aan de wekeneis, maar – vanwege haar verblijf in de Verenigde Staten in de kalenderjaren voorafgaand aan haar werkloosheid – niet aan de eis dat zij in de periode van vijf kalenderjaren voorafgaande aan de eerste werkloosheidsdag in ten minste vier kalenderjaren over 52 of meer dagen per kalenderjaar loon had ontvangen (jareneis). Het Uwv heeft appellante omdat zij alleen aan de wekeneis voldeed in aanmerking gebracht voor een WW-uitkering voor de duur van drie maanden (juni, juli en augustus 2018). Echter, op grond van de WW wordt de uitkering niet betaald over de periode gelegen vóór 26 weken voorafgaand aan de dag van de aanvraag. Omdat appellante haar aanvraag pas op 18 augustus 2019 heeft ingediend, wordt haar WW-uitkering niet uitbetaald. Volgens het Uwv is geen sprake van een bijzonder geval om daarvan af te wijken. Uit de contactregistratie van het Uwv blijkt dat appellante voor het eerst op 8 augustus 2019 contact heeft gezocht met het Uwv over het indienen van een aanvraag.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank het volgende overwogen. Appellante heeft betwist dat zij pas in augustus 2019 contact heeft gezocht met het Uwv. Zij heeft zich na het einde van haar dienstverband telefonisch tot het Uwv gewend en te horen gekregen dat zij met een eventuele WW-aanvraag kon wachten tot zij die nodig had, waardoor een weigering in strijd is met het vertrouwensbeginsel. Verder is een termijnoverschrijding volgens appellante – voor zover daar al sprake van is – verschoonbaar, omdat appellante de Nederlandse taal niet goed machtig is en in een echtscheiding was verwikkeld.
2.1.
De rechtbank heeft geoordeeld dat het beroep op het vertrouwensbeginsel faalt. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat uit de contacthistorie van het door het Uwv overgelegde overzicht van telefonische contacten tussen appellante en medewerkers van het Uwv volgt dat appellante in het eerste telefoongesprek, dat van 8 augustus 2019, heeft gevraagd naar de mogelijkheid van het met terugwerkende kracht ontvangen van een WW-uitkering. Appellante heeft niet met objectiveerbare en verifieerbare stukken onderbouwd dat eerder telefonisch contact heeft plaatsgevonden. Ook is in de geregistreerde telefonische contacten geen aanknopingspunt te vinden voor het oordeel dat haar ooit een toezegging is gedaan.
2.2.
Van een andere reden waarom sprake is van een bijzonder geval als bedoeld in artikel 35 van de WW is de rechtbank niet gebleken. Voor zover appellante het Nederlands onvoldoende machtig is – nog daargelaten dat de contacthistorie daarvoor geen aanknopingspunten biedt –had het op haar weg gelegen zich daarin door een derde te laten bijstaan. Evenmin is gebleken van stress of andere psychische klachten waardoor appellante geestelijk niet in staat te achten was desgewenst hulp van een derde in te schakelen.
3.1.
Appellante heeft in hoger beroep ten eerste aangevoerd dat door (een medewerker van) het Uwv is gezegd dat zij (nog) geen recht had op WW-uitkering, waardoor zij verkeerd is voorgelicht en niet tijdig een WW-aanvraag heeft ingediend. Ten tweede heeft appellante aangevoerd dat ten gevolge van bijzondere omstandigheden, zijnde verkeerde voorlichting door zowel haar voormalig werkgever als het Uwv, een taalbarrière en haar echtscheiding, sprake is van een bijzonder geval in de zin van artikel 35 van de WW.
3.2.
Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.1.
Op grond van artikel 26, eerste lid, aanhef en onder b, van de WW is de werknemer verplicht binnen één week na het intreden van zijn werkloosheid bij het Uwv een aanvraag om een uitkering in te dienen.
4.1.2.
Artikel 35 van de WW bepaalt dat de uitkering niet wordt betaald over perioden voor 26 weken voorafgaand aan de dag waarop de aanvraag om een uitkering werd ingediend. Het Uwv is bevoegd in bijzondere gevallen af te wijken van de eerste zin.
4.2.
In geschil is of de rechtbank het Uwv terecht heeft gevolgd in zijn standpunt dat de WWuitkering van appellante niet uitbetaald dient te worden vanwege de late indiening van de WW-aanvraag. Daarbij spitst het geschil zich ten eerste toe op de vraag of door het Uwv een toezegging is gedaan waaraan appellante het gerechtvaardigde vertrouwen kon ontlenen dat zij nog geen aanvraag voor een WW-uitkering behoefde in te dienen en ten tweede op de vraag of sprake is van een bijzonder geval op grond waarvan het Uwv bevoegd is af te wijken van artikel 35, eerste volzin, van de WW.
4.3.1.
Voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel is vereist dat de betrokkene aannemelijk maakt dat van de zijde van de overheid toezeggingen of andere uitlatingen zijn gedaan of gedragingen zijn verricht, waaruit de betrokkene in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht afleiden of en zo ja, hoe het bestuursorgaan in een concreet geval een bevoegdheid zou uitoefenen (zie de uitspraak van de Raad van 4 maart 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:559).
4.3.2.
Beoordeling
4.4.1.
Het beroep van appellante op een bijzonder geval als bedoeld in artikel 35 van de WW, op grond waarvan het Uwv over perioden gelegen meer dan 26 weken voorafgaand aan de indiening van de WW-aanvraag tot uitbetaling van de uitkering diende over te gaan, slaagt evenmin. Volgens vaste rechtspraak (bijvoorbeeld de uitspraak van 2 juni 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:1314) is de aanwezigheid van een bijzonder geval een objectieve voorwaarde voor het doen ontstaan en de uitoefening van de bevoegdheid van het Uwv om af te wijken van deze dwingendrechtelijke bepaling. De rechter moet volledig toetsen of in een concreet geval aan die voorwaarde is voldaan, waarbij het begrip “bijzonder geval” naar zijn aard restrictief moet worden uitgelegd.
4.4.2.
Vooropgesteld wordt dat op appellante de bewijslast rust van de aanwezigheid van een bijzonder geval. Verder staat vast dat appellante haar WW-aanvraag niet tijdig heeft ingediend. Wat appellante in dat kader heeft aangevoerd is in essentie hetzelfde als in beroep, namelijk dat een combinatie van omstandigheden – de onjuiste voorlichting door het Uwv en haar voormalig werkgever, de taalbarrière en haar echtscheiding – leidt tot een bijzonder geval op grond waarvan het Uwv gebruik had moeten maken van zijn bevoegdheid om af te wijken van het niet-uitbetalen van WW-uitkering. De overwegingen van de rechtbank over de beheersing van de Nederlandse taal en eventuele psychische klachten als gevolg van haar echtscheiding worden onderschreven. De overige door appellante genoemde omstandigheden leiden niet tot een ander oordeel. Het standpunt van appellante dat haar voormalig werkgever uitlatingen heeft gedaan waardoor zij op het verkeerde been is gezet is niet onderbouwd. Dit betekent dat appellante niet heeft voldaan aan de in deze op haar rustende bewijslast. Aangezien van een bijzonder geval in dit geval geen sprake is, was het Uwv niet bevoegd om af te wijken van het bepaalde in artikel 35, eerste volzin, van de WW en heeft het Uwv terecht de WW-uitkering van appellante niet uitbetaald.
4.5.
Uit wat in 4.2 tot en met 4.4 is overwogen volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door A.I. van der Kris, in tegenwoordigheid van D.S. Barthel als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 november 2021.
(getekend) A.I. van der Kris
(getekend) D.S. Barthel