Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2021-10-27
ECLI:NL:CRVB:2021:2733
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
4,786 tokens
Inleiding
20 155 WAJONG
Datum uitspraak: 27 oktober 2021
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van
4 december 2019, 17/6914 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Procesverloop
Namens appellante heeft mr. S. Igdeli, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Appellante heeft nadere stukken ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 september 2021. Appellante en haar gemachtigde zijn niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door J.C. van Beek, die door middel van een telefoonverbinding deel heeft genomen aan de zitting.
Overwegingen
1.1.
Appellante, geboren [geboortedatum] 1995, heeft met een door het Uwv op 24 november 2016
ontvangen formulier een aanvraag ingediend om uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong). Appellante heeft lichamelijke en psychische klachten als gevolg van een in 2000 geconstateerde hersentumor. Zij is hieraan geopereerd met aansluitend chemotherapie. Na de operatie is zij blind geworden aan haar rechteroog. Er is nog steeds sprake van een resttumor. Bij appellante is verder sprake van een depressieve stoornis en angstklachten. Het Uwv heeft een verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek verricht. Bij besluit van 8 maart 2017 heeft het Uwv de aanvraag afgewezen, omdat appellante nu geen arbeidsvermogen heeft maar deze situatie niet duurzaam is.
1.2.
Bij besluit van 23 november 2017 (bestreden besluit) heeft het Uwv het door appellante tegen het besluit van 8 maart 2017 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 19 oktober 2017 en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 26 oktober 2017 ten grondslag.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het
bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daarbij overwogen dat het onderzoek van het Uwv voldoende zorgvuldig is. Anders dan appellante stelt, blijkt volgens de rechtbank uit de rapportages van de verzekeringsarts bezwaar en beroep en de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep voldoende duidelijk dat het stappenplan van het beoordelingskader van het Compendium Participatiewet is doorlopen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep is ingegaan op de door appellante overgelegde medische informatie van onder meer Pro Persona. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep afdoende gemotiveerd dat behandeling mogelijk is. Hierbij moet het gezin van appellante worden betrokken en appellante zal gestimuleerd moeten worden om zelfstandig te worden en haar angsten te weerstaan. Ook uit de informatie van Yulius blijkt dat de psychische klachten behandelbaar zijn. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het Uwv zich terecht op het standpunt gesteld dat het ontbreken van arbeidsparticipatie niet duurzaam is.
3.1.
Appellante heeft in hoger beroep aangevoerd dat zij al geruime tijd niet meer door Yulius werd behandeld, omdat behandeling geen zin heeft. De behandelaars van Pro Persona hebben volgens appellante er onvoldoende rekening mee gehouden dat zij niet zonder ouders in de kliniek kan verblijven. In hun rapport wordt vermeld dat appellante niet zonder ouders naar buiten gaat en dat bij de gesprekken de vader van appellante aanwezig dient te zijn. Deze omstandigheden en de diagnose agorafobie zijn onvoldoende meegenomen in de vertaalslag naar de wijze van behandeling. Volgens appellante kan de verzekeringsarts bezwaar en beroep niet volstaan met de verwijzing naar het rapport van Pro Persona. Ook heeft hij ten onrechte niets gedaan met de diagnose agorafobie. Wat betreft de door haar gevolgde opleiding stelt appellante dat dit door haar niet was gelukt zonder de hulp van haar leraren.
3.2.
Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.
4. De Raad oordeelt als volgt.
4.1.
Op grond van artikel 1a:1, eerste lid, van de Wajong is jonggehandicapte de ingezetene die:
a. op de dag waarop hij achttien jaar wordt als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft;
b. na de in onderdeel a bedoelde dag als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft en in het jaar, onmiddellijk voorafgaand aan de dag waarop dit is ingetreden, gedurende ten minste zes maanden studerende was.
Op grond van het vierde lid wordt onder duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie hebben de situatie verstaan waarin de mogelijkheden tot arbeidsparticipatie zich niet kunnen ontwikkelen.
4.2.
Niet in geschil is dat appellante op 24 november 2016 (datum in geding) geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie (arbeidsvermogen) heeft. Partijen zijn verdeeld over de vraag of het ontbreken van arbeidsvermogen duurzaam is.
4.2.1.
Het Uwv hanteert bij de beoordeling van de duurzaamheid van het ontbreken van arbeidsvermogen een beoordelingskader, dat is opgenomen in Bijlage 1 van het ‘Compendium Participatiewet’ (Compendium). In het beoordelingskader is het volgende stappenplan opgenomen voor het onderzoek van de verzekeringsarts en arbeidsdeskundige naar de vraag of bij een betrokkene al dan niet sprake is van het duurzaam ontbreken van arbeidsvermogen:
“Stap 1 - voor de verzekeringsarts
De verzekeringsarts stelt vast of er sprake is van een progressief ziektebeeld.
Als het antwoord bevestigend is, ontbreekt het arbeidsvermogen duurzaam. De beoordeling is afgerond.
Stap 2 - voor de verzekeringsarts
De verzekeringsarts stelt vast of de situatie van cliënt aan beide volgende voorwaarden voldoet:
er is sprake van een stabiel ziektebeeld zonder behandelmogelijkheden;
de aandoening is zodanig ernstig dat geen enkele toename van bekwaamheden mag worden verwacht.
Als aan deze beide voorwaarden wordt voldaan, ontbreekt het arbeidsvermogen duurzaam. De beoordeling is afgerond.
Stap 3 - voor de verzekeringsarts en de arbeidsdeskundige samen
De verzekeringsarts en de arbeidsdeskundige stellen in gezamenlijk overleg vast of het ontbreken van arbeidsvermogen van de cliënt duurzaam is. Zij betrekken daarbij ten minste de volgende aspecten in onderlinge samenhang:
het al dan niet ontbreken van mogelijkheden ter verbetering van de belastbaarheid;
het al dan niet ontbreken van mogelijkheden tot verdere ontwikkeling;
het al dan niet ontbreken van mogelijkheden tot toename van bekwaamheden.
Op grond van hun gezamenlijk overleg concluderen de verzekeringsarts en de arbeidsdeskundige of het arbeidsvermogen al dan niet duurzaam ontbreekt. De beoordeling is afgerond.”
4.2.2.
Volgens het beoordelingskader spreekt de verzekeringsarts zich uit over de ontwikkeling van de mogelijkheden van betrokkene, uitgaande van de medische situatie zoals die is op het moment waarop de beoordeling betrekking heeft. Voor zover de verzekeringsarts, overeenkomstig het stappenplan, niet zelfstandig over het duurzaam ontbreken van arbeidsvermogen kan besluiten, spreken verzekeringsarts en arbeidsdeskundige zich gezamenlijk uit over de te verwachten ontwikkeling van betrokkene en of die al dan niet tot arbeidsvermogen kan leiden.
4.3.
De rechtbank heeft terecht geen aanleiding gezien voor twijfel aan de conclusie van de verzekeringsarts bezwaar en beroep. Bij appellante is, naast lichamelijke klachten en depressieve klachten, sprake van een angststoornis waardoor zij niet zelfstandig naar buiten durft te gaan. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft voldoende inzichtelijk en deugdelijk gemotiveerd dat appellante ten tijde in geding voor deze klachten nog niet is (uit)behandeld en dat niet is uitgesloten dat appellante in de toekomst nog arbeidsvermogen zou kunnen ontwikkelen. Daarbij heeft hij gewezen op de toen net opgestarte behandeling bij Yulius en de door deze behandelaar vermelde mogelijkheid van behandeling door een specialistische kliniek.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door M.E. Fortuin, in tegenwoordigheid van D.S. Barthel als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 oktober 2021.
(getekend) M.E. Fortuin
(getekend) D.S. Barthel
Inleiding
20 155 WAJONG
Datum uitspraak: 27 oktober 2021
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van
4 december 2019, 17/6914 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Procesverloop
Namens appellante heeft mr. S. Igdeli, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Appellante heeft nadere stukken ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 september 2021. Appellante en haar gemachtigde zijn niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door J.C. van Beek, die door middel van een telefoonverbinding deel heeft genomen aan de zitting.
Overwegingen
1.1.
Appellante, geboren [geboortedatum] 1995, heeft met een door het Uwv op 24 november 2016
ontvangen formulier een aanvraag ingediend om uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong). Appellante heeft lichamelijke en psychische klachten als gevolg van een in 2000 geconstateerde hersentumor. Zij is hieraan geopereerd met aansluitend chemotherapie. Na de operatie is zij blind geworden aan haar rechteroog. Er is nog steeds sprake van een resttumor. Bij appellante is verder sprake van een depressieve stoornis en angstklachten. Het Uwv heeft een verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek verricht. Bij besluit van 8 maart 2017 heeft het Uwv de aanvraag afgewezen, omdat appellante nu geen arbeidsvermogen heeft maar deze situatie niet duurzaam is.
1.2.
Bij besluit van 23 november 2017 (bestreden besluit) heeft het Uwv het door appellante tegen het besluit van 8 maart 2017 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 19 oktober 2017 en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 26 oktober 2017 ten grondslag.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het
bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daarbij overwogen dat het onderzoek van het Uwv voldoende zorgvuldig is. Anders dan appellante stelt, blijkt volgens de rechtbank uit de rapportages van de verzekeringsarts bezwaar en beroep en de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep voldoende duidelijk dat het stappenplan van het beoordelingskader van het Compendium Participatiewet is doorlopen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep is ingegaan op de door appellante overgelegde medische informatie van onder meer Pro Persona. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep afdoende gemotiveerd dat behandeling mogelijk is. Hierbij moet het gezin van appellante worden betrokken en appellante zal gestimuleerd moeten worden om zelfstandig te worden en haar angsten te weerstaan. Ook uit de informatie van Yulius blijkt dat de psychische klachten behandelbaar zijn. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het Uwv zich terecht op het standpunt gesteld dat het ontbreken van arbeidsparticipatie niet duurzaam is.
3.1.
Appellante heeft in hoger beroep aangevoerd dat zij al geruime tijd niet meer door Yulius werd behandeld, omdat behandeling geen zin heeft. De behandelaars van Pro Persona hebben volgens appellante er onvoldoende rekening mee gehouden dat zij niet zonder ouders in de kliniek kan verblijven. In hun rapport wordt vermeld dat appellante niet zonder ouders naar buiten gaat en dat bij de gesprekken de vader van appellante aanwezig dient te zijn. Deze omstandigheden en de diagnose agorafobie zijn onvoldoende meegenomen in de vertaalslag naar de wijze van behandeling. Volgens appellante kan de verzekeringsarts bezwaar en beroep niet volstaan met de verwijzing naar het rapport van Pro Persona. Ook heeft hij ten onrechte niets gedaan met de diagnose agorafobie. Wat betreft de door haar gevolgde opleiding stelt appellante dat dit door haar niet was gelukt zonder de hulp van haar leraren.
3.2.
Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.
4. De Raad oordeelt als volgt.
4.1.
Op grond van artikel 1a:1, eerste lid, van de Wajong is jonggehandicapte de ingezetene die:
a. op de dag waarop hij achttien jaar wordt als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft;
b. na de in onderdeel a bedoelde dag als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft en in het jaar, onmiddellijk voorafgaand aan de dag waarop dit is ingetreden, gedurende ten minste zes maanden studerende was.
Op grond van het vierde lid wordt onder duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie hebben de situatie verstaan waarin de mogelijkheden tot arbeidsparticipatie zich niet kunnen ontwikkelen.
4.2.
Niet in geschil is dat appellante op 24 november 2016 (datum in geding) geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie (arbeidsvermogen) heeft. Partijen zijn verdeeld over de vraag of het ontbreken van arbeidsvermogen duurzaam is.
4.2.1.
Het Uwv hanteert bij de beoordeling van de duurzaamheid van het ontbreken van arbeidsvermogen een beoordelingskader, dat is opgenomen in Bijlage 1 van het ‘Compendium Participatiewet’ (Compendium). In het beoordelingskader is het volgende stappenplan opgenomen voor het onderzoek van de verzekeringsarts en arbeidsdeskundige naar de vraag of bij een betrokkene al dan niet sprake is van het duurzaam ontbreken van arbeidsvermogen:
“Stap 1 - voor de verzekeringsarts
De verzekeringsarts stelt vast of er sprake is van een progressief ziektebeeld.
Als het antwoord bevestigend is, ontbreekt het arbeidsvermogen duurzaam. De beoordeling is afgerond.
Stap 2 - voor de verzekeringsarts
De verzekeringsarts stelt vast of de situatie van cliënt aan beide volgende voorwaarden voldoet:
er is sprake van een stabiel ziektebeeld zonder behandelmogelijkheden;
de aandoening is zodanig ernstig dat geen enkele toename van bekwaamheden mag worden verwacht.
Als aan deze beide voorwaarden wordt voldaan, ontbreekt het arbeidsvermogen duurzaam. De beoordeling is afgerond.
Stap 3 - voor de verzekeringsarts en de arbeidsdeskundige samen
De verzekeringsarts en de arbeidsdeskundige stellen in gezamenlijk overleg vast of het ontbreken van arbeidsvermogen van de cliënt duurzaam is. Zij betrekken daarbij ten minste de volgende aspecten in onderlinge samenhang:
het al dan niet ontbreken van mogelijkheden ter verbetering van de belastbaarheid;
het al dan niet ontbreken van mogelijkheden tot verdere ontwikkeling;
het al dan niet ontbreken van mogelijkheden tot toename van bekwaamheden.
Op grond van hun gezamenlijk overleg concluderen de verzekeringsarts en de arbeidsdeskundige of het arbeidsvermogen al dan niet duurzaam ontbreekt. De beoordeling is afgerond.”
4.2.2.
Volgens het beoordelingskader spreekt de verzekeringsarts zich uit over de ontwikkeling van de mogelijkheden van betrokkene, uitgaande van de medische situatie zoals die is op het moment waarop de beoordeling betrekking heeft. Voor zover de verzekeringsarts, overeenkomstig het stappenplan, niet zelfstandig over het duurzaam ontbreken van arbeidsvermogen kan besluiten, spreken verzekeringsarts en arbeidsdeskundige zich gezamenlijk uit over de te verwachten ontwikkeling van betrokkene en of die al dan niet tot arbeidsvermogen kan leiden.
4.3.
De rechtbank heeft terecht geen aanleiding gezien voor twijfel aan de conclusie van de verzekeringsarts bezwaar en beroep. Bij appellante is, naast lichamelijke klachten en depressieve klachten, sprake van een angststoornis waardoor zij niet zelfstandig naar buiten durft te gaan. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft voldoende inzichtelijk en deugdelijk gemotiveerd dat appellante ten tijde in geding voor deze klachten nog niet is (uit)behandeld en dat niet is uitgesloten dat appellante in de toekomst nog arbeidsvermogen zou kunnen ontwikkelen. Daarbij heeft hij gewezen op de toen net opgestarte behandeling bij Yulius en de door deze behandelaar vermelde mogelijkheid van behandeling door een specialistische kliniek.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door M.E. Fortuin, in tegenwoordigheid van D.S. Barthel als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 oktober 2021.
(getekend) M.E. Fortuin
(getekend) D.S. Barthel