Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2021-10-21
ECLI:NL:CRVB:2021:2637
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
4,968 tokens
Inleiding
20/1564 AOW
Datum uitspraak: 21 oktober 2021
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 16 maart 2020, 18/4987 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)
Procesverloop
Namens appellant heeft mr. M.J. van Dam, advocaat, hoger beroep ingesteld.
De Svb heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 september 2021. Namens appellant is mr. Van Dam verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.P. van den Berg.
Overwegingen
1.1.
Appellant woont in Nederland. Hij heeft van 9 juni 2010 tot en met 30 september 2012 als Rijnvarende in loondienst gewerkt van [naam S.A.] , gevestigd te Luxemburg, aan boord van diverse schepen en in meerdere lidstaten.
1.2.
Op 1 maart 2017 heeft appellant een verzoek ingediend om vast te stellen dat op hem over het tijdvak 2010 tot en met 2012 en 1 januari 2013 tot en met 31 augustus 2013 de Luxemburgse socialeverzekeringswetgeving van toepassing is geweest. Bij besluit van 11 september 2017 heeft de Svb vastgesteld dat op appellant over de periode van 1 juni 2010 tot en met 5 augustus 2013 de Nederlandse socialezekerheidswetgeving van toepassing is geweest. Over de periode van 9 juni 2010 tot en met 30 september 2012 heeft de Svb dit vastgelegd in een A1-verklaring.
1.3.
Bij besluit van 31 augustus 2018 (bestreden besluit 1) heeft de Svb het bezwaar tegen het besluit van 11 september 2017 ongegrond verklaard.
1.4.
Bij besluit van 15 oktober 2019 (bestreden besluit 2) heeft de Svb het bestreden besluit 1 ingetrokken en het bezwaar van appellant gegrond verklaard. De Svb heeft daarbij het besluit van 11 september 2017 en de A1-verklaring ingetrokken en voor de periode van 9 juni 2010 tot en met 30 september 2012 op appellant voorlopig de Nederlandse socialezekerheidswetgeving van toepassing verklaard. Over die periode heeft de Svb deze voorlopige vaststelling vastgelegd in een nieuwe A1-verklaring. Hieraan is ten grondslag gelegd dat appellant ten tijde van belang in de Rijnvaart werkzaamheden heeft verricht op schepen waarvan de exploitanten allemaal in Nederland gevestigd waren, zodat op grond van artikel 4, tweede lid, van de Rijnvarendenovereenkomst de Nederlandse socialezekerheidswetgeving van toepassing is.
2. In de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep voor zover in hoger beroep relevant van appellant tegen het bestreden besluit 2 ongegrond verklaard.
3.1.
Appellant heeft aangevoerd dat onder toepassing van artikel 16 van de Basisverordening de Luxemburgse socialezekerheidswetgeving van toepassing moet worden verklaard, nu het niet-naleven van de procedurevoorschriften van artikel 6 en 16 van de Verordening (EG) nr. 987/2009 (Toepassingsverordening) voor appellant grote problemen en schade met zich meebrengt. Geconfronteerd met de uitspraak van de Raad van 5 november 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:2748, waarin de Raad heeft overwogen geen aanleiding te zien voor het stellen van prejudiciële vragen, heeft appellant verzocht de in punt 3.2 van die uitspraak gesuggereerde prejudiciële vragen alsnog aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU) te stellen. Volgens appellant is vaststelling van de toepasselijkheid van de Nederlandse wetgeving zonder verrekening op de voet van artikel 73 van de Toepassingsverordening onrechtmatig, althans in strijd met de doelstellingen van de Basisverordening en de Toepassingsverordening. Tot slot voert appellant aan dat in de uitspraak van de Raad van 28 augustus 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:2817, aan Rijnvarenden een bewijslast wordt opgelegd met betrekking tot de vraag wie de exploitant van een schip is, die Rijnvarenden in redelijkheid niet kunnen dragen.
3.2.
De Svb heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.
4. De Raad overweegt als volgt.
Vaststelling toepasselijke wetgeving en regularisatie
4.1.
Over de periode in geding is op appellant de tussen de EU‑lidstaten België, Duitsland, Frankrijk, Luxemburg en Nederland gesloten zogenoemde Rijnvarendenovereenkomst (Strct. nr. 3397 van 25 februari 2011, als gerectificeerd in Stcrt. nr. 3397 van 7 maart 2001) van toepassing. Op grond van artikel 4, eerste en tweede lid, van de Rijnvarendenovereenkomst is op de Rijnvarende slechts de wetgeving van toepassing van de Ondertekenende Staat op het grondgebied waarvan zich de zetel bevindt van de onderneming waartoe het in artikel 1, sub c) bedoelde schip behoort, aan boord waarvan deze Rijnvarende zijn beroepsarbeid verricht.
4.2.
De Raad volgt appellant niet in zijn standpunt dat de Svb bij de vaststelling van de toepasselijke socialezekerheidswetgeving ook afwijking van de conflictregels op individuele basis op grond van artikel 16, eerste lid, van de Basisverordening moet overwegen als hiertoe geen verzoek voorligt. Bij de vaststelling van de toepasselijke wetgeving is de Svb gebonden aan het eenvormige stelsel van conflictregels zoals opgenomen in de artikelen 11 tot en met 15 van de Basisverordening, en in geval van Rijnvarenden aan de Rijnvarendenovereenkomst. Op de Svb rust niet de rechtsplicht om in individuele gevallen na te gaan of de wetgeving die volgens deze conflictregels op de betrokkene van toepassing is, in zijn geval het meest gunstig is en, als dat niet het geval is, te trachten in overleg met de andere betrokken lidstaten tot aanwijzing van de wetgeving van een andere lidstaat te komen. Aanvaarding van dat standpunt zou ertoe leiden dat de in de Basisverordening (en in dit geval de Rijnvarendenovereenkomst) opgenomen dwingendrechtelijke aanwijsregels hun nuttig effect geheel of gedeeltelijk verliezen. Daar komt bij dat de Svb zonder onderliggend gemotiveerd verzoek de belangen bij het sluiten van een bijzondere overeenkomst op grond van artikel 16 van de Basisverordening niet kan overzien. Nu appellant een dergelijk verzoek niet heeft gedaan, heeft de Svb daar terecht niet over beslist.
Exploitant
4.3.
Over de vaststelling van de toepasselijke wetgeving op grond van artikel 4, tweede lid, van de Rijnvarendenovereenkomst, overweegt de Raad als volgt. Appellant heeft niet bestreden dat hij als Rijnvarende in de periode in geding heeft gewerkt op de in de gedingstukken genoemde binnenschepen. Ook heeft hij niet gemotiveerd bestreden dat deze schepen door in Nederland gevestigde ondernemingen werden geëxploiteerd. Wel heeft hij gesteld dat dit laatste onvoldoende is komen vast te staan. De Raad volgt appellant niet in dit standpunt. De Svb heeft waar mogelijk op basis van verkregen Rijnvaartverklaringen vastgesteld wie de exploitanten van de betreffende schepen waren. Indien op de Rijnvaartverklaring alleen een scheepseigenaar is vermeld en geen scheepsexploitant, is de Svb ervan uitgegaan dat de scheepseigenaar ook de scheepsexploitant is. In zijn uitspraak van 28 augustus 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:2817, heeft de Raad deze benadering aanvaardbaar geacht, met dien verstande dat belanghebbenden ook dan de mogelijkheid behouden om te bewijzen dat de werkelijke exploitatie van een binnenvaartschip niet plaatsvindt door een in Nederland gevestigde ondernemer. De algemene niet onderbouwde stelling van appellant dat het een onmogelijke opgave is voor de belanghebbenden om te bewijzen dat de exploitatie anders ligt, leidt niet tot een ander oordeel. Bij gebreke van aanwijzingen voor het tegendeel mag de Svb ervan uitgaan dat de eigenaar van het schip ook de exploitant is.
4.4.
Gelet op 4.3 stelt de Raad vast dat de Svb op basis van de beschikbare gegevens terecht heeft geconcludeerd dat appellant over de periode van 9 juni 2010 tot en met 30 september 2012 was onderworpen aan het Nederlandse socialezekerheidswetgeving.
Procedurevoorschriften Toepassingsverordening
4.5.
Ten aanzien van het standpunt van appellant dat de Svb over deze periode ten onrechte de procedurevoorschriften van artikel 6, 16 en 73 van de Toepassingsverordening niet heeft gevolgd, overweegt de Raad als volgt. Bij bestreden besluit 2 heeft de Svb de op appellant toepasselijke wetgeving voorlopig vastgesteld en de andere betrokken werklanden daarvan in kennis gesteld. In zoverre mist deze beroepsgrond feitelijke grondslag.
Conclusie
4.8.
Gelet op 4.1 tot en met 4.7 heeft de Svb in het bestreden besluit 2 terecht de vaststelling van het Nederlandse socialezekerheidswetgeving gehandhaafd. De aangevallen uitspraak zal daarom worden bevestigd voor zover aangevochten.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.
Deze uitspraak is gedaan door M.A.H. van Dalen-van Bekkum als voorzitter en A. van Gijzen en M. Wolfrat als leden, in tegenwoordigheid van M.E. van Donk als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 oktober 2021.
(getekend) M.A.H. van Dalen-van Bekkum
(getekend) M.E. van Donk
Tegen uitspraken van de Raad kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH Den Haag) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over het begrip verzekerde.
Inleiding
20/1564 AOW
Datum uitspraak: 21 oktober 2021
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 16 maart 2020, 18/4987 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)
Procesverloop
Namens appellant heeft mr. M.J. van Dam, advocaat, hoger beroep ingesteld.
De Svb heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 september 2021. Namens appellant is mr. Van Dam verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.P. van den Berg.
Overwegingen
1.1.
Appellant woont in Nederland. Hij heeft van 9 juni 2010 tot en met 30 september 2012 als Rijnvarende in loondienst gewerkt van [naam S.A.] , gevestigd te Luxemburg, aan boord van diverse schepen en in meerdere lidstaten.
1.2.
Op 1 maart 2017 heeft appellant een verzoek ingediend om vast te stellen dat op hem over het tijdvak 2010 tot en met 2012 en 1 januari 2013 tot en met 31 augustus 2013 de Luxemburgse socialeverzekeringswetgeving van toepassing is geweest. Bij besluit van 11 september 2017 heeft de Svb vastgesteld dat op appellant over de periode van 1 juni 2010 tot en met 5 augustus 2013 de Nederlandse socialezekerheidswetgeving van toepassing is geweest. Over de periode van 9 juni 2010 tot en met 30 september 2012 heeft de Svb dit vastgelegd in een A1-verklaring.
1.3.
Bij besluit van 31 augustus 2018 (bestreden besluit 1) heeft de Svb het bezwaar tegen het besluit van 11 september 2017 ongegrond verklaard.
1.4.
Bij besluit van 15 oktober 2019 (bestreden besluit 2) heeft de Svb het bestreden besluit 1 ingetrokken en het bezwaar van appellant gegrond verklaard. De Svb heeft daarbij het besluit van 11 september 2017 en de A1-verklaring ingetrokken en voor de periode van 9 juni 2010 tot en met 30 september 2012 op appellant voorlopig de Nederlandse socialezekerheidswetgeving van toepassing verklaard. Over die periode heeft de Svb deze voorlopige vaststelling vastgelegd in een nieuwe A1-verklaring. Hieraan is ten grondslag gelegd dat appellant ten tijde van belang in de Rijnvaart werkzaamheden heeft verricht op schepen waarvan de exploitanten allemaal in Nederland gevestigd waren, zodat op grond van artikel 4, tweede lid, van de Rijnvarendenovereenkomst de Nederlandse socialezekerheidswetgeving van toepassing is.
2. In de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep voor zover in hoger beroep relevant van appellant tegen het bestreden besluit 2 ongegrond verklaard.
3.1.
Appellant heeft aangevoerd dat onder toepassing van artikel 16 van de Basisverordening de Luxemburgse socialezekerheidswetgeving van toepassing moet worden verklaard, nu het niet-naleven van de procedurevoorschriften van artikel 6 en 16 van de Verordening (EG) nr. 987/2009 (Toepassingsverordening) voor appellant grote problemen en schade met zich meebrengt. Geconfronteerd met de uitspraak van de Raad van 5 november 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:2748, waarin de Raad heeft overwogen geen aanleiding te zien voor het stellen van prejudiciële vragen, heeft appellant verzocht de in punt 3.2 van die uitspraak gesuggereerde prejudiciële vragen alsnog aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU) te stellen. Volgens appellant is vaststelling van de toepasselijkheid van de Nederlandse wetgeving zonder verrekening op de voet van artikel 73 van de Toepassingsverordening onrechtmatig, althans in strijd met de doelstellingen van de Basisverordening en de Toepassingsverordening. Tot slot voert appellant aan dat in de uitspraak van de Raad van 28 augustus 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:2817, aan Rijnvarenden een bewijslast wordt opgelegd met betrekking tot de vraag wie de exploitant van een schip is, die Rijnvarenden in redelijkheid niet kunnen dragen.
3.2.
De Svb heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.
4. De Raad overweegt als volgt.
Vaststelling toepasselijke wetgeving en regularisatie
4.1.
Over de periode in geding is op appellant de tussen de EU‑lidstaten België, Duitsland, Frankrijk, Luxemburg en Nederland gesloten zogenoemde Rijnvarendenovereenkomst (Strct. nr. 3397 van 25 februari 2011, als gerectificeerd in Stcrt. nr. 3397 van 7 maart 2001) van toepassing. Op grond van artikel 4, eerste en tweede lid, van de Rijnvarendenovereenkomst is op de Rijnvarende slechts de wetgeving van toepassing van de Ondertekenende Staat op het grondgebied waarvan zich de zetel bevindt van de onderneming waartoe het in artikel 1, sub c) bedoelde schip behoort, aan boord waarvan deze Rijnvarende zijn beroepsarbeid verricht.
4.2.
De Raad volgt appellant niet in zijn standpunt dat de Svb bij de vaststelling van de toepasselijke socialezekerheidswetgeving ook afwijking van de conflictregels op individuele basis op grond van artikel 16, eerste lid, van de Basisverordening moet overwegen als hiertoe geen verzoek voorligt. Bij de vaststelling van de toepasselijke wetgeving is de Svb gebonden aan het eenvormige stelsel van conflictregels zoals opgenomen in de artikelen 11 tot en met 15 van de Basisverordening, en in geval van Rijnvarenden aan de Rijnvarendenovereenkomst. Op de Svb rust niet de rechtsplicht om in individuele gevallen na te gaan of de wetgeving die volgens deze conflictregels op de betrokkene van toepassing is, in zijn geval het meest gunstig is en, als dat niet het geval is, te trachten in overleg met de andere betrokken lidstaten tot aanwijzing van de wetgeving van een andere lidstaat te komen. Aanvaarding van dat standpunt zou ertoe leiden dat de in de Basisverordening (en in dit geval de Rijnvarendenovereenkomst) opgenomen dwingendrechtelijke aanwijsregels hun nuttig effect geheel of gedeeltelijk verliezen. Daar komt bij dat de Svb zonder onderliggend gemotiveerd verzoek de belangen bij het sluiten van een bijzondere overeenkomst op grond van artikel 16 van de Basisverordening niet kan overzien. Nu appellant een dergelijk verzoek niet heeft gedaan, heeft de Svb daar terecht niet over beslist.
Exploitant
4.3.
Over de vaststelling van de toepasselijke wetgeving op grond van artikel 4, tweede lid, van de Rijnvarendenovereenkomst, overweegt de Raad als volgt. Appellant heeft niet bestreden dat hij als Rijnvarende in de periode in geding heeft gewerkt op de in de gedingstukken genoemde binnenschepen. Ook heeft hij niet gemotiveerd bestreden dat deze schepen door in Nederland gevestigde ondernemingen werden geëxploiteerd. Wel heeft hij gesteld dat dit laatste onvoldoende is komen vast te staan. De Raad volgt appellant niet in dit standpunt. De Svb heeft waar mogelijk op basis van verkregen Rijnvaartverklaringen vastgesteld wie de exploitanten van de betreffende schepen waren. Indien op de Rijnvaartverklaring alleen een scheepseigenaar is vermeld en geen scheepsexploitant, is de Svb ervan uitgegaan dat de scheepseigenaar ook de scheepsexploitant is. In zijn uitspraak van 28 augustus 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:2817, heeft de Raad deze benadering aanvaardbaar geacht, met dien verstande dat belanghebbenden ook dan de mogelijkheid behouden om te bewijzen dat de werkelijke exploitatie van een binnenvaartschip niet plaatsvindt door een in Nederland gevestigde ondernemer. De algemene niet onderbouwde stelling van appellant dat het een onmogelijke opgave is voor de belanghebbenden om te bewijzen dat de exploitatie anders ligt, leidt niet tot een ander oordeel. Bij gebreke van aanwijzingen voor het tegendeel mag de Svb ervan uitgaan dat de eigenaar van het schip ook de exploitant is.
4.4.
Gelet op 4.3 stelt de Raad vast dat de Svb op basis van de beschikbare gegevens terecht heeft geconcludeerd dat appellant over de periode van 9 juni 2010 tot en met 30 september 2012 was onderworpen aan het Nederlandse socialezekerheidswetgeving.
Procedurevoorschriften Toepassingsverordening
4.5.
Ten aanzien van het standpunt van appellant dat de Svb over deze periode ten onrechte de procedurevoorschriften van artikel 6, 16 en 73 van de Toepassingsverordening niet heeft gevolgd, overweegt de Raad als volgt. Bij bestreden besluit 2 heeft de Svb de op appellant toepasselijke wetgeving voorlopig vastgesteld en de andere betrokken werklanden daarvan in kennis gesteld. In zoverre mist deze beroepsgrond feitelijke grondslag.
Conclusie
4.8.
Gelet op 4.1 tot en met 4.7 heeft de Svb in het bestreden besluit 2 terecht de vaststelling van het Nederlandse socialezekerheidswetgeving gehandhaafd. De aangevallen uitspraak zal daarom worden bevestigd voor zover aangevochten.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.
Deze uitspraak is gedaan door M.A.H. van Dalen-van Bekkum als voorzitter en A. van Gijzen en M. Wolfrat als leden, in tegenwoordigheid van M.E. van Donk als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 oktober 2021.
(getekend) M.A.H. van Dalen-van Bekkum
(getekend) M.E. van Donk
Tegen uitspraken van de Raad kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH Den Haag) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over het begrip verzekerde.