Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2021-10-26
ECLI:NL:CRVB:2021:2617
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
4,704 tokens
Inleiding
203630 PW
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 14 september 2020, 20/499 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college)
Datum uitspraak: 26 oktober 2021
Procesverloop
Namens appellante heeft mr. J. Nieuwstraten, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 september 2021. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Nieuwstraten en I. Ritfeld, begeleidster van appellante. Tevens was de zus van appellante tijdens de zitting aanwezig. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. H. Biemond.
Overwegingen
1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1.
Appellante ontvangt sinds 19 december 2001 bijstand naar de norm voor een alleenstaande, laatstelijk ingevolge de Participatiewet (PW).
1.2.
In het kader van het project Heronderzoek PW 2018 (project) heeft een medewerker van de gemeente Rotterdam een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand. In het kader van dit onderzoek heeft appellante bankafschriften overgelegd. Op deze bankafschriften heeft de medewerker gezien dat appellante in de periode van juli 2018 tot en met juli 2019 verschillende opnames in gokinstellingen, vaak meer keren kort na elkaar, heeft verricht en dat diverse stortingen en bijschrijvingen van derden hebben plaatsgevonden. In maart 2019 is een bedrag van € 200,- op de bankrekening van appellante gestort. De andere stortingen en de bijschrijvingen van derden zijn gedaan in de maanden waar ook verschillende opnames in gokinstellingen hebben plaatsgevonden. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 26 augustus 2019.
1.3.
Het college heeft in de onderzoeksresultaten aanleiding gezien, voor zover van belang, om bij besluiten van 28 augustus 2019 en 23 september 2019, zoals gewijzigd bij afzonderlijke besluiten van 29 november 2019 en na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 18 december 2019 (bestreden besluit), de bijstand over de maanden juli 2018 tot en met oktober 2018, de maanden december 2018 en januari 2019 en de maanden juni 2019 en juli 2019 in te trekken (maanden van intrekking) en over de maand maart 2019 te herzien. Die resultaten waren voor het college verder aanleiding om de over die maanden gemaakte kosten van bijstand van appellante terug te vorderen tot een brutobedrag van € 10.888,10. Aan de intrekking van de bijstand heeft het college ten grondslag gelegd dat appellante gokactiviteiten heeft verricht en daarvan geen melding heeft gemaakt. Omdat appellante de gokopbrengsten niet inzichtelijk heeft gemaakt, kan het college het recht op bijstand over die maanden niet vaststellen. Aan de herziening van de bijstand heeft het college ten grondslag gelegd dat de storting van € 200,- (storting) als inkomen wordt aangemerkt en in mindering wordt gebracht op de bijstand over maart 2019. Omdat appellante haar inlichtingenverplichting heeft geschonden door geen melding te maken van de storting heeft het college appellante bij besluit van 27 november 2019, na bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit, een boete opgelegd van € 100.-. Bij het bepalen van de hoogte van de boete is het college ervan uitgegaan dat de schending van de inlichtingenverplichting appellante normaal is te verwijten.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. Appellante heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen deze uitspraak gekeerd.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Zoals ter zitting is vastgesteld is het geschil tussen partijen beperkt tot de volgende hieronder te bespreken beroepsgronden.
Kenbaarheidsvereiste
4.2.
Appellante heeft aangevoerd dat in de inlichtingenverplichting een kenbaarheidsvereiste besloten ligt. Het was voor appellante niet kenbaar dat zij het college pinopnames in een gokinstelling, gokactiviteiten en stortingen op haar rekening moet melden. Het college heeft appellante nooit geïnformeerd dat deze informatie van invloed kon zijn op het recht op bijstand. Deze beroepsgrond slaagt niet.
4.2.1.
In zijn uitspraak van 20 juli 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:1786, heeft de Raad het volgende overwogen.
“4.3.1. Het enkele bezoeken van een casino of gokinstelling, zonder bijkomende feiten en omstandigheden, hoeft niet te worden gemeld. Vergelijk de uitspraak van 20 april 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:941. Een enkele opname in een casino of gokinstelling, zonder bijkomende feiten of omstandigheden, hoeft ook niet te worden gemeld. Vergelijk de uitspraak van 9 maart 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:629. Indien de betrokkene meerdere opnames in een casino of gokinstelling heeft verricht en daarbij meerdere keren kort na elkaar bedragen heeft opgenomen, is aannemelijk dat hij gokactiviteiten heeft verricht. Vergelijk eveneens de hiervoor vermelde uitspraak van 9 maart 2021 en de uitspraak van 7 mei 2019, ECLI:NL:CRV:2019:1548. Deze gokactiviteiten moeten worden gemeld, omdat het gokken op zichzelf een activiteit is uit de aard waarvan voortvloeit dat er inkomsten mee kunnen worden verworven. De bij het gokken ontvangen bedragen zijn bedragen die appellant met het verrichten van gokactiviteiten in handen krijgt en waarover hij vrijelijk kan beschikken. Daarom zijn deze bedragen als inkomsten aan te merken en van belang voor het recht op bijstand. Appellant had het college van de gokactiviteiten op de hoogte moeten stellen, zodat het college kon onderzoeken of appellant inkomsten heeft verworven en tot welk bedrag. Dit heeft de Raad eerder overwogen (uitspraak van 5 maart 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:703). Appellant had ook redelijkerwijs kunnen begrijpen dat de gokactiviteiten en de daarmee behaalde winsten van belang zijn voor het recht op bijstand. Aan de PW ligt immers het beginsel ten grondslag dat eenieder in de eerste plaats zelf verantwoordelijk is voor de voorziening in de kosten van het bestaan. De bijstand vult aan wanneer eigen middelen en andere voorzieningen niet toereikend zijn om in de noodzakelijke bestaanskosten te voorzien. Verlening van bijstand is dus alleen nodig indien en voor zover de betrokkene niet zelf in de noodzakelijke kosten van het bestaan kan voorzien. Verricht een bijstandsgerechtigde activiteiten waarmee hij inkomsten kan verwerven, dan is dat van invloed op het recht op bijstand.
4.3.2.
Stortingen en bijschrijvingen kunnen van invloed zijn op het recht op bijstand omdat dit middelen zijn waarover appellant kan beschikken en deze bedragen kunnen duiden op aanvullend inkomen.
4.3.3.
Dat het college hierover niet expliciet informatie heeft verstrekt, betekent niet dat het college niet heeft voldaan aan zijn zorgplicht. De inlichtingenverplichting is immers een open norm. Dat brengt mee dat van het college niet kan worden verwacht dat het op voorhand alle concrete situaties benoemt waarmee een bijstandsgerechtigde te maken kan krijgen en die deze moet melden. Uit 4.3.1 en 4.3.2 volgt dat het appellant redelijkerwijs duidelijk moest zijn dat gokactiviteiten en stortingen en bijschrijvingen door derden van invloed kunnen zijn op het recht op bijstand.”
4.2.2.
Wat appellante heeft aangevoerd komt overeen met de beroepsgronden die in de hiervoor genoemde uitspraak gemotiveerd zijn verworpen. Appellante heeft haar beroepsgronden, na te zijn gewezen op die uitspraak, niet aangevuld of nader toegelicht. De Raad ziet geen aanleiding om in deze zaak anders te oordelen dan in die uitspraak.
Gokactiviteiten
4.3.
Niet langer is in geschil dat appellante in de maanden van intrekking bij een Holland Casino gokproducten, zoals chips of tickets, heeft gekocht en dat zij daarmee heeft gegokt. Op de bankafschriften van appellante staan bij diverse mutaties nummers vermeld van terminals van een Holland Casino (aangeduid als [casino] [vestigingsplaats] ) waar uitsluitend gokproducten kunnen worden gekocht. Ook staan andere opnames in gokinstellingen op de bankafschriften vermeld. Deze opnames betreffen bedragen variërend van € 10,- tot € 100,- per keer.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door G.M.G. Hink als voorzitter en K.M.P. Jacobs en K.H. Sanders als leden, in tegenwoordigheid van B. Beerens als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 oktober 2021.
(getekend) G.M.G. Hink
(getekend) B. Beerens
Inleiding
203630 PW
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 14 september 2020, 20/499 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college)
Datum uitspraak: 26 oktober 2021
Procesverloop
Namens appellante heeft mr. J. Nieuwstraten, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 september 2021. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Nieuwstraten en I. Ritfeld, begeleidster van appellante. Tevens was de zus van appellante tijdens de zitting aanwezig. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. H. Biemond.
Overwegingen
1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1.
Appellante ontvangt sinds 19 december 2001 bijstand naar de norm voor een alleenstaande, laatstelijk ingevolge de Participatiewet (PW).
1.2.
In het kader van het project Heronderzoek PW 2018 (project) heeft een medewerker van de gemeente Rotterdam een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand. In het kader van dit onderzoek heeft appellante bankafschriften overgelegd. Op deze bankafschriften heeft de medewerker gezien dat appellante in de periode van juli 2018 tot en met juli 2019 verschillende opnames in gokinstellingen, vaak meer keren kort na elkaar, heeft verricht en dat diverse stortingen en bijschrijvingen van derden hebben plaatsgevonden. In maart 2019 is een bedrag van € 200,- op de bankrekening van appellante gestort. De andere stortingen en de bijschrijvingen van derden zijn gedaan in de maanden waar ook verschillende opnames in gokinstellingen hebben plaatsgevonden. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 26 augustus 2019.
1.3.
Het college heeft in de onderzoeksresultaten aanleiding gezien, voor zover van belang, om bij besluiten van 28 augustus 2019 en 23 september 2019, zoals gewijzigd bij afzonderlijke besluiten van 29 november 2019 en na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 18 december 2019 (bestreden besluit), de bijstand over de maanden juli 2018 tot en met oktober 2018, de maanden december 2018 en januari 2019 en de maanden juni 2019 en juli 2019 in te trekken (maanden van intrekking) en over de maand maart 2019 te herzien. Die resultaten waren voor het college verder aanleiding om de over die maanden gemaakte kosten van bijstand van appellante terug te vorderen tot een brutobedrag van € 10.888,10. Aan de intrekking van de bijstand heeft het college ten grondslag gelegd dat appellante gokactiviteiten heeft verricht en daarvan geen melding heeft gemaakt. Omdat appellante de gokopbrengsten niet inzichtelijk heeft gemaakt, kan het college het recht op bijstand over die maanden niet vaststellen. Aan de herziening van de bijstand heeft het college ten grondslag gelegd dat de storting van € 200,- (storting) als inkomen wordt aangemerkt en in mindering wordt gebracht op de bijstand over maart 2019. Omdat appellante haar inlichtingenverplichting heeft geschonden door geen melding te maken van de storting heeft het college appellante bij besluit van 27 november 2019, na bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit, een boete opgelegd van € 100.-. Bij het bepalen van de hoogte van de boete is het college ervan uitgegaan dat de schending van de inlichtingenverplichting appellante normaal is te verwijten.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. Appellante heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen deze uitspraak gekeerd.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Zoals ter zitting is vastgesteld is het geschil tussen partijen beperkt tot de volgende hieronder te bespreken beroepsgronden.
Kenbaarheidsvereiste
4.2.
Appellante heeft aangevoerd dat in de inlichtingenverplichting een kenbaarheidsvereiste besloten ligt. Het was voor appellante niet kenbaar dat zij het college pinopnames in een gokinstelling, gokactiviteiten en stortingen op haar rekening moet melden. Het college heeft appellante nooit geïnformeerd dat deze informatie van invloed kon zijn op het recht op bijstand. Deze beroepsgrond slaagt niet.
4.2.1.
In zijn uitspraak van 20 juli 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:1786, heeft de Raad het volgende overwogen.
“4.3.1. Het enkele bezoeken van een casino of gokinstelling, zonder bijkomende feiten en omstandigheden, hoeft niet te worden gemeld. Vergelijk de uitspraak van 20 april 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:941. Een enkele opname in een casino of gokinstelling, zonder bijkomende feiten of omstandigheden, hoeft ook niet te worden gemeld. Vergelijk de uitspraak van 9 maart 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:629. Indien de betrokkene meerdere opnames in een casino of gokinstelling heeft verricht en daarbij meerdere keren kort na elkaar bedragen heeft opgenomen, is aannemelijk dat hij gokactiviteiten heeft verricht. Vergelijk eveneens de hiervoor vermelde uitspraak van 9 maart 2021 en de uitspraak van 7 mei 2019, ECLI:NL:CRV:2019:1548. Deze gokactiviteiten moeten worden gemeld, omdat het gokken op zichzelf een activiteit is uit de aard waarvan voortvloeit dat er inkomsten mee kunnen worden verworven. De bij het gokken ontvangen bedragen zijn bedragen die appellant met het verrichten van gokactiviteiten in handen krijgt en waarover hij vrijelijk kan beschikken. Daarom zijn deze bedragen als inkomsten aan te merken en van belang voor het recht op bijstand. Appellant had het college van de gokactiviteiten op de hoogte moeten stellen, zodat het college kon onderzoeken of appellant inkomsten heeft verworven en tot welk bedrag. Dit heeft de Raad eerder overwogen (uitspraak van 5 maart 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:703). Appellant had ook redelijkerwijs kunnen begrijpen dat de gokactiviteiten en de daarmee behaalde winsten van belang zijn voor het recht op bijstand. Aan de PW ligt immers het beginsel ten grondslag dat eenieder in de eerste plaats zelf verantwoordelijk is voor de voorziening in de kosten van het bestaan. De bijstand vult aan wanneer eigen middelen en andere voorzieningen niet toereikend zijn om in de noodzakelijke bestaanskosten te voorzien. Verlening van bijstand is dus alleen nodig indien en voor zover de betrokkene niet zelf in de noodzakelijke kosten van het bestaan kan voorzien. Verricht een bijstandsgerechtigde activiteiten waarmee hij inkomsten kan verwerven, dan is dat van invloed op het recht op bijstand.
4.3.2.
Stortingen en bijschrijvingen kunnen van invloed zijn op het recht op bijstand omdat dit middelen zijn waarover appellant kan beschikken en deze bedragen kunnen duiden op aanvullend inkomen.
4.3.3.
Dat het college hierover niet expliciet informatie heeft verstrekt, betekent niet dat het college niet heeft voldaan aan zijn zorgplicht. De inlichtingenverplichting is immers een open norm. Dat brengt mee dat van het college niet kan worden verwacht dat het op voorhand alle concrete situaties benoemt waarmee een bijstandsgerechtigde te maken kan krijgen en die deze moet melden. Uit 4.3.1 en 4.3.2 volgt dat het appellant redelijkerwijs duidelijk moest zijn dat gokactiviteiten en stortingen en bijschrijvingen door derden van invloed kunnen zijn op het recht op bijstand.”
4.2.2.
Wat appellante heeft aangevoerd komt overeen met de beroepsgronden die in de hiervoor genoemde uitspraak gemotiveerd zijn verworpen. Appellante heeft haar beroepsgronden, na te zijn gewezen op die uitspraak, niet aangevuld of nader toegelicht. De Raad ziet geen aanleiding om in deze zaak anders te oordelen dan in die uitspraak.
Gokactiviteiten
4.3.
Niet langer is in geschil dat appellante in de maanden van intrekking bij een Holland Casino gokproducten, zoals chips of tickets, heeft gekocht en dat zij daarmee heeft gegokt. Op de bankafschriften van appellante staan bij diverse mutaties nummers vermeld van terminals van een Holland Casino (aangeduid als [casino] [vestigingsplaats] ) waar uitsluitend gokproducten kunnen worden gekocht. Ook staan andere opnames in gokinstellingen op de bankafschriften vermeld. Deze opnames betreffen bedragen variërend van € 10,- tot € 100,- per keer.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door G.M.G. Hink als voorzitter en K.M.P. Jacobs en K.H. Sanders als leden, in tegenwoordigheid van B. Beerens als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 oktober 2021.
(getekend) G.M.G. Hink
(getekend) B. Beerens