Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2021-09-22
ECLI:NL:CRVB:2021:2365
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
4,852 tokens
Inleiding
191768 AKW, 19/3268 AKW
Datum uitspraak: 22 september 2021
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 8 maart 2019, 18/3795 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)
[betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)
Procesverloop
De Svb heeft hoger beroep ingesteld.
Namens betrokkene heeft mr. E.B. van de Loo, advocaat, incidenteel hoger beroep ingesteld en een verweerschrift ingediend.
De Svb heeft een zienswijze en nadere stukken ingediend.
Partijen hebben een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Partijen hebben desgevraagd niet verklaard gebruik te willen maken van het recht om op een zitting te worden gehoord, waarna het onderzoek is gesloten
Overwegingen
1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.
1.1.
Betrokkene heeft op 17 oktober 2017 bij de Svb een aanvraag voor dubbele kinderbijslag ingediend op grond van het bepaalde bij en krachtens de Algemene Kinderbijslagwet (AKW) voor haar dochter [naam dochter] ([dochter]). Bij [dochter], geboren op [geboortedatum] 2014, is diabetes mellitus type 1 vastgesteld.
1.2.
De Svb heeft bij besluit van 11 december 2017, gehandhaafd bij besluit van 4 juni 2018 (bestreden besluit), de aanvraag afgewezen. De Svb heeft hieraan de medische adviezen van CIZ en het Beoordelingskader BUK (beoordelingskader) ten grondslag gelegd. [dochter] heeft geen intensieve zorg nodig en daarom wordt niet voldaan aan de voorwaarden voor dubbele kinderbijslag. Na een heroverweging is haar zorgscore op de peildatum 1 januari 2018 vastgesteld op vier punten voor de items lichaamshygiëne, zindelijkheid, alleen thuis zijn en bezig houden/handreikingen, terwijl gelet op haar leeftijd op die datum (drie jaar) een minimale zorgscore van vijf punten is vereist. Betrokkene heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en de Svb opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van het bepaalde in de aangevallen uitspraak. De rechtbank heeft daartoe, voor zover van belang, overwogen dat voldoende is onderbouwd dat [dochter] op het item eten en drinken geen zware zorgbehoefte heeft. Daarnaast volgt de rechtbank betrokkene niet in haar standpunt dat in het geval van [dochter] kan worden gesproken van langdurige intensieve medische specialistische verpleging in de thuissituatie. De omstandigheid dat [dochter] een indicatie Intensieve Kindzorg heeft, leidt volgens het beoordelingskader namelijk niet tot een score op het item medische verzorging. Naar het oordeel van de rechtbank is echter onvoldoende gemotiveerd waarom [dochter] op het item begeleiding buitenshuis geen punt scoort. Daarbij is van belang dat aan [dochter] op het item alleen thuis zijn een score is toegekend onder verwijzing naar haar schommelende bloedsuikerwaardes en de regelmatige controles die daardoor noodzakelijk zijn. Verder volgt uit de informatie van de kinderarts en uit het zorgplan van [X] dat [dochter] continu toezicht nodig heeft. Gelet hierop heeft de Svb het advies van CIZ niet zonder meer aan het bestreden besluit ten grondslag kunnen leggen.
3.1.
De Svb heeft tegen de aangevallen uitspraak hoger beroep ingesteld. De Svb heeft aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het advies van CIZ niet zonder meer aan het bestreden besluit ten grondslag mocht worden gelegd. Als al geoordeeld kan worden dat de Svb met het bestreden besluit geen voldoende onderbouwing heeft gegeven voor het standpunt dat [dochter] op het item begeleiding buitenshuis geen punt scoort, dan is met de in beroep overgelegde adviezen die onderbouwing in ieder geval wel gegeven. Daarnaast heeft de Svb in hoger beroep aanvullende medische adviezen van CIZ overgelegd, waaruit volgens de Svb volgt dat de ouders van [dochter] niet continu toezicht op haar moeten houden als ze buiten speelt. Verder heeft de Svb zich op het standpunt gesteld dat de rechtbank een onjuiste toetsingsmaatstaf heeft gehanteerd bij het item medische verzorging.
3.2.
Betrokkene heeft op de hierna te bespreken gronden incidenteel hoger beroep ingesteld.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
Incidenteel hoger beroep
4.1.
Voor het van toepassing zijnde wettelijk kader wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak.
4.2.
Zoals eerder overwogen in de uitspraak van 19 september 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:3029, is het beoordelingskader aan te merken als een vaste gedragslijn en kan het beoordelingskader als uitgangspunt voor de beoordeling van een aanspraak op dubbele kinderbijslag worden genomen.
4.3.1.
Betrokkene heeft betoogd dat [dochter] scoort op het item eten en drinken omdat bij haar een noodzaak bestaat tot continue aansporing tijdens de maaltijd in verband met een medisch noodzakelijk afwijkend voedingspatroon of dieet. [dochter] moet namelijk voor de maaltijd insuline toegediend krijgen. Hoeveel insuline is afhankelijk van het aantal koolhydraten dat ze eet. Er is dan continue aansporing nodig, zodat zij haar maaltijd opeet. [dochter] moet hierbij geholpen worden en soms ook gevoerd worden. Bij een laag bloedsuiker niveau moet [dochter] limonade of andere suikers worden gegeven.
4.3.2.
De Svb heeft zich op het standpunt gesteld dat uit het medisch advies van CIZ volgt dat er geen noodzaak tot continue aansporing/begeleiding tijdens de maaltijd bestaat in verband met een medisch dieet of geobjectiveerde psychiatrische gedragsproblematiek. Het medisch advies is gebaseerd op de overgelegde medisch informatie van de behandelaren van [dochter] en hierin is de noodzakelijke afstemming tussen de hoeveelheid toegediende insuline en de bij het eten genuttigde koolhydraten betrokken. Wat appellante heeft aangevoerd maakt niet dat aan de inhoud van dit medisch advies moet worden getwijfeld. Dit betekent dat het betoog van betrokkene niet slaagt.
4.4.
Verder heeft betrokkene voor het item eten en drinken onder verwijzing naar de uitspraak van 30 september 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:2356, een beroep gedaan op het gelijkheidsbeginsel. Dit beroep slaagt alleen al niet, omdat niet kan worden ingezien hoe een verwijzing naar deze uitspraak in het geval van [dochter] ertoe leidt dat de aangevallen uitspraak onjuist is.
4.5.
Het betoog dat [dochter] een punt scoort op het item medische verzorging slaagt evenmin. Anders dan betrokkene heeft betoogd, volgt uit het beoordelingskader namelijk niet dat een kind met een indicatie Intensieve Kindzorg op grond van de Zorgverzekeringswet altijd een punt scoort op dit item. Bepalend hiervoor is immers of een van de twee in het beoordelingskader beschreven situaties zich voordoet.
4.6.
Uit 4.2 tot en met 4.5 volgt dat het incidenteel hoger beroep niet slaagt.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
Hoger beroep
6.1.
De beroepsgrond van de Svb slaagt. Anders dan de rechtbank heeft overwogen, volgt uit de brief van de kinderarts niet dat [dochter] continue toezicht nodig heeft. Zoals ook de medisch adviseur in hoger beroep heeft toegelicht, is in deze brief slechts vermeld dat [dochter] een intensieve behandeling met een insulinepomp volgt, dat als gevolg hiervan handelingen moeten worden verricht en dat [dochter] gezien haar leeftijd bij deze handelingen continue toezicht en ondersteuning van een volwassene nodig heeft. Verder heeft de rechtbank ten onrechte overwogen dat het standpunt van de Svb gelet op het zorgplan van [X] onvoldoende is onderbouwd. De medisch adviseur heeft namelijk in het medisch advies van 16 maart 2018, aangevuld op 31 mei 2018, voldoende uitgelegd en in beroep en hoger beroep overtuigend toegelicht dat bij [dochter] geen noodzaak tot continue toezicht bestaat. Er is voldoende tijdsverloop tussen een normale glucosewaarde in het bloed en onacceptabele te hoge of te lage waardes. Voorafgaand aan deze onacceptabele waardes presenteren zich meestal klachten en stijgen of dalen deze waardes voordat gezondheidsschade kan ontstaan. [dochter] is te jong om de klachten zelf goed te signaleren, maar met regelmatige controle kunnen haar ouders een verdere daling of stijging van de bloedsuikers voorkomen. Anders dan betrokkene heeft aangevoerd, is deze beoordeling van de medisch adviseur niet alleen gebaseerd op algemene verwijzingen en algemene informatie over diabetes.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep
- vernietigt de aangevallen uitspraak;
- verklaart het beroep tegen het besluit van 4 juni 2018 ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door L.M. Tobé als voorzitter en H. Benek en D. Hardonk-Prins als leden, in tegenwoordigheid van P. Boer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 september 2021.
(getekend) L.M. Tobé
(getekend) P. Boer
Inleiding
191768 AKW, 19/3268 AKW
Datum uitspraak: 22 september 2021
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 8 maart 2019, 18/3795 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)
[betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)
Procesverloop
De Svb heeft hoger beroep ingesteld.
Namens betrokkene heeft mr. E.B. van de Loo, advocaat, incidenteel hoger beroep ingesteld en een verweerschrift ingediend.
De Svb heeft een zienswijze en nadere stukken ingediend.
Partijen hebben een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Partijen hebben desgevraagd niet verklaard gebruik te willen maken van het recht om op een zitting te worden gehoord, waarna het onderzoek is gesloten
Overwegingen
1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.
1.1.
Betrokkene heeft op 17 oktober 2017 bij de Svb een aanvraag voor dubbele kinderbijslag ingediend op grond van het bepaalde bij en krachtens de Algemene Kinderbijslagwet (AKW) voor haar dochter [naam dochter] ([dochter]). Bij [dochter], geboren op [geboortedatum] 2014, is diabetes mellitus type 1 vastgesteld.
1.2.
De Svb heeft bij besluit van 11 december 2017, gehandhaafd bij besluit van 4 juni 2018 (bestreden besluit), de aanvraag afgewezen. De Svb heeft hieraan de medische adviezen van CIZ en het Beoordelingskader BUK (beoordelingskader) ten grondslag gelegd. [dochter] heeft geen intensieve zorg nodig en daarom wordt niet voldaan aan de voorwaarden voor dubbele kinderbijslag. Na een heroverweging is haar zorgscore op de peildatum 1 januari 2018 vastgesteld op vier punten voor de items lichaamshygiëne, zindelijkheid, alleen thuis zijn en bezig houden/handreikingen, terwijl gelet op haar leeftijd op die datum (drie jaar) een minimale zorgscore van vijf punten is vereist. Betrokkene heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en de Svb opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van het bepaalde in de aangevallen uitspraak. De rechtbank heeft daartoe, voor zover van belang, overwogen dat voldoende is onderbouwd dat [dochter] op het item eten en drinken geen zware zorgbehoefte heeft. Daarnaast volgt de rechtbank betrokkene niet in haar standpunt dat in het geval van [dochter] kan worden gesproken van langdurige intensieve medische specialistische verpleging in de thuissituatie. De omstandigheid dat [dochter] een indicatie Intensieve Kindzorg heeft, leidt volgens het beoordelingskader namelijk niet tot een score op het item medische verzorging. Naar het oordeel van de rechtbank is echter onvoldoende gemotiveerd waarom [dochter] op het item begeleiding buitenshuis geen punt scoort. Daarbij is van belang dat aan [dochter] op het item alleen thuis zijn een score is toegekend onder verwijzing naar haar schommelende bloedsuikerwaardes en de regelmatige controles die daardoor noodzakelijk zijn. Verder volgt uit de informatie van de kinderarts en uit het zorgplan van [X] dat [dochter] continu toezicht nodig heeft. Gelet hierop heeft de Svb het advies van CIZ niet zonder meer aan het bestreden besluit ten grondslag kunnen leggen.
3.1.
De Svb heeft tegen de aangevallen uitspraak hoger beroep ingesteld. De Svb heeft aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het advies van CIZ niet zonder meer aan het bestreden besluit ten grondslag mocht worden gelegd. Als al geoordeeld kan worden dat de Svb met het bestreden besluit geen voldoende onderbouwing heeft gegeven voor het standpunt dat [dochter] op het item begeleiding buitenshuis geen punt scoort, dan is met de in beroep overgelegde adviezen die onderbouwing in ieder geval wel gegeven. Daarnaast heeft de Svb in hoger beroep aanvullende medische adviezen van CIZ overgelegd, waaruit volgens de Svb volgt dat de ouders van [dochter] niet continu toezicht op haar moeten houden als ze buiten speelt. Verder heeft de Svb zich op het standpunt gesteld dat de rechtbank een onjuiste toetsingsmaatstaf heeft gehanteerd bij het item medische verzorging.
3.2.
Betrokkene heeft op de hierna te bespreken gronden incidenteel hoger beroep ingesteld.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
Incidenteel hoger beroep
4.1.
Voor het van toepassing zijnde wettelijk kader wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak.
4.2.
Zoals eerder overwogen in de uitspraak van 19 september 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:3029, is het beoordelingskader aan te merken als een vaste gedragslijn en kan het beoordelingskader als uitgangspunt voor de beoordeling van een aanspraak op dubbele kinderbijslag worden genomen.
4.3.1.
Betrokkene heeft betoogd dat [dochter] scoort op het item eten en drinken omdat bij haar een noodzaak bestaat tot continue aansporing tijdens de maaltijd in verband met een medisch noodzakelijk afwijkend voedingspatroon of dieet. [dochter] moet namelijk voor de maaltijd insuline toegediend krijgen. Hoeveel insuline is afhankelijk van het aantal koolhydraten dat ze eet. Er is dan continue aansporing nodig, zodat zij haar maaltijd opeet. [dochter] moet hierbij geholpen worden en soms ook gevoerd worden. Bij een laag bloedsuiker niveau moet [dochter] limonade of andere suikers worden gegeven.
4.3.2.
De Svb heeft zich op het standpunt gesteld dat uit het medisch advies van CIZ volgt dat er geen noodzaak tot continue aansporing/begeleiding tijdens de maaltijd bestaat in verband met een medisch dieet of geobjectiveerde psychiatrische gedragsproblematiek. Het medisch advies is gebaseerd op de overgelegde medisch informatie van de behandelaren van [dochter] en hierin is de noodzakelijke afstemming tussen de hoeveelheid toegediende insuline en de bij het eten genuttigde koolhydraten betrokken. Wat appellante heeft aangevoerd maakt niet dat aan de inhoud van dit medisch advies moet worden getwijfeld. Dit betekent dat het betoog van betrokkene niet slaagt.
4.4.
Verder heeft betrokkene voor het item eten en drinken onder verwijzing naar de uitspraak van 30 september 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:2356, een beroep gedaan op het gelijkheidsbeginsel. Dit beroep slaagt alleen al niet, omdat niet kan worden ingezien hoe een verwijzing naar deze uitspraak in het geval van [dochter] ertoe leidt dat de aangevallen uitspraak onjuist is.
4.5.
Het betoog dat [dochter] een punt scoort op het item medische verzorging slaagt evenmin. Anders dan betrokkene heeft betoogd, volgt uit het beoordelingskader namelijk niet dat een kind met een indicatie Intensieve Kindzorg op grond van de Zorgverzekeringswet altijd een punt scoort op dit item. Bepalend hiervoor is immers of een van de twee in het beoordelingskader beschreven situaties zich voordoet.
4.6.
Uit 4.2 tot en met 4.5 volgt dat het incidenteel hoger beroep niet slaagt.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
Hoger beroep
6.1.
De beroepsgrond van de Svb slaagt. Anders dan de rechtbank heeft overwogen, volgt uit de brief van de kinderarts niet dat [dochter] continue toezicht nodig heeft. Zoals ook de medisch adviseur in hoger beroep heeft toegelicht, is in deze brief slechts vermeld dat [dochter] een intensieve behandeling met een insulinepomp volgt, dat als gevolg hiervan handelingen moeten worden verricht en dat [dochter] gezien haar leeftijd bij deze handelingen continue toezicht en ondersteuning van een volwassene nodig heeft. Verder heeft de rechtbank ten onrechte overwogen dat het standpunt van de Svb gelet op het zorgplan van [X] onvoldoende is onderbouwd. De medisch adviseur heeft namelijk in het medisch advies van 16 maart 2018, aangevuld op 31 mei 2018, voldoende uitgelegd en in beroep en hoger beroep overtuigend toegelicht dat bij [dochter] geen noodzaak tot continue toezicht bestaat. Er is voldoende tijdsverloop tussen een normale glucosewaarde in het bloed en onacceptabele te hoge of te lage waardes. Voorafgaand aan deze onacceptabele waardes presenteren zich meestal klachten en stijgen of dalen deze waardes voordat gezondheidsschade kan ontstaan. [dochter] is te jong om de klachten zelf goed te signaleren, maar met regelmatige controle kunnen haar ouders een verdere daling of stijging van de bloedsuikers voorkomen. Anders dan betrokkene heeft aangevoerd, is deze beoordeling van de medisch adviseur niet alleen gebaseerd op algemene verwijzingen en algemene informatie over diabetes.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep
- vernietigt de aangevallen uitspraak;
- verklaart het beroep tegen het besluit van 4 juni 2018 ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door L.M. Tobé als voorzitter en H. Benek en D. Hardonk-Prins als leden, in tegenwoordigheid van P. Boer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 september 2021.
(getekend) L.M. Tobé
(getekend) P. Boer