Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2021-09-21
ECLI:NL:CRVB:2021:2361
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
4,650 tokens
Inleiding
195345 PW, 19/5346 PW, 19/5347 PW, 19/5348 PW, 19/5349 PW
Datum uitspraak: 21 september 2021
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 16 december 2019, 18/7055, 18/7056, 18/7184, 19/820, 19/1428 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)
Procesverloop
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 augustus 2021. Appellant is, ondanks daartoe te zijn opgeroepen, niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. S.S. Kisoentewari.
Overwegingen
1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1.
Appellant ontving met ingang van 1 april 2010 bijstand op grond van de Participatiewet (PW) naar de norm voor een alleenstaande.
1.2.
Op 23 april 2018 ontving het college een signaal van het Inlichtingenbureau inhoudende dat appellant met ingang van 2 maart 2018 in het buitenland gedetineerd is. Bij besluit van 23 mei 2018 heeft het college de bijstand met ingang van 2 maart 2018 ingetrokken. Tegen dit besluit heeft appellant geen rechtsmiddelen aangewend.
1.3.
Bij besluit van 7 juni 2018 (besluit 1), na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 18 oktober 2018 (bestreden besluit 1), heeft het college de over de periode van 2 maart 2018 tot en met 30 april 2018 gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 1.853,02 van appellant teruggevorderd. Aan de besluitvorming heeft het college ten grondslag gelegd dat het intrekkingsbesluit van 23 mei 2018 in rechte vaststaat zodat vaststaat dat appellant vanaf 2 maart 2018 geen recht op bijstand had.
1.4.
Bij besluit van 6 september 2018 heeft het college verzoeker met ingang van 22 augustus 2018 weer bijstand toegekend.
1.5.
Bij besluit van 1 november 2018 (besluit 2) heeft het college appellant uitstel van terugbetaling van de in 1.3 genoemde vordering verleend. Met ingang van 1 november 2018 wordt maandelijks een bedrag van € 58,29 op de bijstand ingehouden ter aflossing van een lening die appellant bij de Gemeentelijke Kredietbank Amsterdam (GKA) heeft. Wanneer appellant deze lening bij de GKA volledig heeft afgelost, houdt het college maandelijks een bedrag op zijn bijstand in ter aflossing van de in 1.3 genoemde vordering.
1.6.
Per e-mailbericht van 24 oktober 2018 stelt mr. P.B. Weenink zich als gemachtigde van appellant in het bezwaar tegen besluit 1 en verzoekt het college om appellant in zijn bijzijn nogmaals te horen en om bestreden besluit 1 te herzien. Bij besluit van 23 november 2018 (bestreden besluit 2) heeft het college bestreden besluit 1 herzien en het bezwaar tegen besluit 1 opnieuw ongegrond verklaard. Aan bestreden besluit 2 heeft het college ten grondslag gelegd dat appellant de inlichtingenverplichting heeft geschonden door niet te melden dat hij naar het buitenland ging. Op grond van artikel 13, eerste lid, van de PW heeft appellant geen recht op bijstand omdat hij in detentie zat. Daarom is terecht tot intrekking en terugvordering overgegaan.
1.7.
Bij besluit van 26 november 2018 (bestreden besluit 3) heeft het college het bezwaar van appellant tegen besluit 2 niet-ontvankelijk verklaard. Aan het bestreden besluit 3 heeft het college ten grondslag gelegd dat het college slechts uitvoering geeft aan de afspraak die appellant met de GKA heeft gemaakt voor wat betreft de aflossing en de hoogte van het aflossingsbedrag.
1.8.
Bij besluit van 2 januari 2019 (besluit 4), na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 1 februari 2019 (bestreden besluit 4), heeft het college het saldo op 31 december 2018 van de in 1.3 genoemde vordering gebruteerd met een bedrag van € 353,60 tot een totaalbedrag van € 1.712,45. Aan de besluitvorming heeft het college ten grondslag gelegd dat appellant de vordering op 1 januari 2019 nog niet geheel had voldaan en de vordering het gevolg is geweest van schending van de inlichtingenverplichting.
1.9.
Bij besluit van 3 januari 2019 (besluit 5), na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 7 maart 2019 (bestreden besluit 5), heeft het college de schuldhulpverlening aan appellant beëindigd.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit 1 niet-ontvankelijk verklaard. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat bestreden besluit 2 bestreden besluit 1 heeft vervangen en appellant geen belang meer heeft tegen een beoordeling van bestreden besluit 1. De rechtbank heeft de beroepen tegen bestreden besluiten 2, 4 en 5 ongegrond verklaard. Voorts heeft de rechtbank heeft het beroep tegen bestreden besluit 3 gegrond verklaard, bestreden besluit 3 vernietigd, het bezwaar tegen besluit 2 ongegrond verklaard, bepaald dat de uitspraak in de plaats komt van het vernietigde besluit 3 en het college opgedragen het betaalde griffierecht aan appellant te vergoeden. Het college heeft het bezwaar tegen besluit 2 ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard omdat appellant belang had bij de vraag naar de volgorde waarop wordt afgelost op de vorderingen.
3. In hoger beroep heeft appellant zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
Beëindiging schuldhulpverlening
4.1.
De Raad overweegt ambtshalve het volgende. Besluit 5 is gebaseerd op de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening (Wgs). Gelet op het bepaalde in artikel 8:105, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is niet de Raad, maar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) bevoegd te oordelen over het hoger beroep voor zover dit betrekking heeft op de besluitvorming op grond van de Wgs (vergelijk de uitspraak van 13 september 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:3541). De Raad zal zich dan ook onbevoegd verklaren om kennis te nemen van het hoger beroep voor zover dat ziet op besluit 5 en het hoger beroepschrift met toepassing van artikel 6:15, eerste lid, van de Awb doorzenden aan de Afdeling.
Terugvordering en brutering
4.2.
Appellant heeft aangevoerd dat hij de inlichtingenverplichting niet heeft geschonden. Deze beroepsgrond slaagt niet. Daartoe wordt het volgende overwogen.
4.2.1.
De Raad stelt vast dat het intrekkingsbesluit van 23 mei 2018 formele rechtskracht heeft. De formele rechtskracht van dit besluit heeft echter uitsluitend betrekking op de met dat besluit tot stand gebrachte rechtsgevolgen voor de bijstandsverlening en niet mede op oordelen van feitelijke en juridische aard die daaraan ten grondslag hebben gelegen. Vergelijk de uitspraak van 8 december 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:3229. Dat betekent dat appellant in deze procedure over de terugvordering in volle omvang het daaraan ten grondslag liggende oordeel van het college kan bestrijden dat appellant de op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden door niet te melden dat hij in detentie in het buitenland verbleef.
4.2.2.
Niet gebleken is dat appellant melding heeft gemaakt van zijn verblijf in detentie in Australië. Voorts is niet gebleken dat het voor appellant onmogelijk was om het college te informeren over zijn verblijf in detentie. Zou appellant, gelet op het tijdsverschil tussen Nederland en Australië, niet tijdens kantooruren met het college kunnen bellen dan had hij het college ook via derden, bijvoorbeeld familie, van zijn afwezigheid in verband met detentie op de hoogte kunnen stellen. Daarbij komt dat appellant ook schriftelijk melding van zijn detentie had kunnen maken.
4.3.
Appellant heeft aangevoerd dat het beleid van het college is dat vaste lasten tijdens detentie zes maanden worden doorbetaald. De Raad begrijpt de grond van appellant zo dat hij meent dat het college bijzondere bijstand voor woonkosten had moeten toekennen. Deze grond slaagt niet. Zoals de gemachtigde van het college ter zitting heeft toegelicht, wordt bijzondere bijstand voor woonkosten tijdens detentie alleen op aanvraag toegekend. Voor zover appellant heeft willen betogen dat het college ambtshalve bijzondere bijstand had moeten toekennen, verwijst de Raad naar zijn uitspraak van 15 maart 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BP9041.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham, in tegenwoordigheid van Y. Al-Qaq als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 september 2021.
(getekend) A.B.J. van der Ham
(getekend) Y. Al-Qaq
Inleiding
195345 PW, 19/5346 PW, 19/5347 PW, 19/5348 PW, 19/5349 PW
Datum uitspraak: 21 september 2021
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 16 december 2019, 18/7055, 18/7056, 18/7184, 19/820, 19/1428 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)
Procesverloop
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 augustus 2021. Appellant is, ondanks daartoe te zijn opgeroepen, niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. S.S. Kisoentewari.
Overwegingen
1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1.
Appellant ontving met ingang van 1 april 2010 bijstand op grond van de Participatiewet (PW) naar de norm voor een alleenstaande.
1.2.
Op 23 april 2018 ontving het college een signaal van het Inlichtingenbureau inhoudende dat appellant met ingang van 2 maart 2018 in het buitenland gedetineerd is. Bij besluit van 23 mei 2018 heeft het college de bijstand met ingang van 2 maart 2018 ingetrokken. Tegen dit besluit heeft appellant geen rechtsmiddelen aangewend.
1.3.
Bij besluit van 7 juni 2018 (besluit 1), na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 18 oktober 2018 (bestreden besluit 1), heeft het college de over de periode van 2 maart 2018 tot en met 30 april 2018 gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 1.853,02 van appellant teruggevorderd. Aan de besluitvorming heeft het college ten grondslag gelegd dat het intrekkingsbesluit van 23 mei 2018 in rechte vaststaat zodat vaststaat dat appellant vanaf 2 maart 2018 geen recht op bijstand had.
1.4.
Bij besluit van 6 september 2018 heeft het college verzoeker met ingang van 22 augustus 2018 weer bijstand toegekend.
1.5.
Bij besluit van 1 november 2018 (besluit 2) heeft het college appellant uitstel van terugbetaling van de in 1.3 genoemde vordering verleend. Met ingang van 1 november 2018 wordt maandelijks een bedrag van € 58,29 op de bijstand ingehouden ter aflossing van een lening die appellant bij de Gemeentelijke Kredietbank Amsterdam (GKA) heeft. Wanneer appellant deze lening bij de GKA volledig heeft afgelost, houdt het college maandelijks een bedrag op zijn bijstand in ter aflossing van de in 1.3 genoemde vordering.
1.6.
Per e-mailbericht van 24 oktober 2018 stelt mr. P.B. Weenink zich als gemachtigde van appellant in het bezwaar tegen besluit 1 en verzoekt het college om appellant in zijn bijzijn nogmaals te horen en om bestreden besluit 1 te herzien. Bij besluit van 23 november 2018 (bestreden besluit 2) heeft het college bestreden besluit 1 herzien en het bezwaar tegen besluit 1 opnieuw ongegrond verklaard. Aan bestreden besluit 2 heeft het college ten grondslag gelegd dat appellant de inlichtingenverplichting heeft geschonden door niet te melden dat hij naar het buitenland ging. Op grond van artikel 13, eerste lid, van de PW heeft appellant geen recht op bijstand omdat hij in detentie zat. Daarom is terecht tot intrekking en terugvordering overgegaan.
1.7.
Bij besluit van 26 november 2018 (bestreden besluit 3) heeft het college het bezwaar van appellant tegen besluit 2 niet-ontvankelijk verklaard. Aan het bestreden besluit 3 heeft het college ten grondslag gelegd dat het college slechts uitvoering geeft aan de afspraak die appellant met de GKA heeft gemaakt voor wat betreft de aflossing en de hoogte van het aflossingsbedrag.
1.8.
Bij besluit van 2 januari 2019 (besluit 4), na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 1 februari 2019 (bestreden besluit 4), heeft het college het saldo op 31 december 2018 van de in 1.3 genoemde vordering gebruteerd met een bedrag van € 353,60 tot een totaalbedrag van € 1.712,45. Aan de besluitvorming heeft het college ten grondslag gelegd dat appellant de vordering op 1 januari 2019 nog niet geheel had voldaan en de vordering het gevolg is geweest van schending van de inlichtingenverplichting.
1.9.
Bij besluit van 3 januari 2019 (besluit 5), na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 7 maart 2019 (bestreden besluit 5), heeft het college de schuldhulpverlening aan appellant beëindigd.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit 1 niet-ontvankelijk verklaard. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat bestreden besluit 2 bestreden besluit 1 heeft vervangen en appellant geen belang meer heeft tegen een beoordeling van bestreden besluit 1. De rechtbank heeft de beroepen tegen bestreden besluiten 2, 4 en 5 ongegrond verklaard. Voorts heeft de rechtbank heeft het beroep tegen bestreden besluit 3 gegrond verklaard, bestreden besluit 3 vernietigd, het bezwaar tegen besluit 2 ongegrond verklaard, bepaald dat de uitspraak in de plaats komt van het vernietigde besluit 3 en het college opgedragen het betaalde griffierecht aan appellant te vergoeden. Het college heeft het bezwaar tegen besluit 2 ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard omdat appellant belang had bij de vraag naar de volgorde waarop wordt afgelost op de vorderingen.
3. In hoger beroep heeft appellant zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
Beëindiging schuldhulpverlening
4.1.
De Raad overweegt ambtshalve het volgende. Besluit 5 is gebaseerd op de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening (Wgs). Gelet op het bepaalde in artikel 8:105, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is niet de Raad, maar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) bevoegd te oordelen over het hoger beroep voor zover dit betrekking heeft op de besluitvorming op grond van de Wgs (vergelijk de uitspraak van 13 september 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:3541). De Raad zal zich dan ook onbevoegd verklaren om kennis te nemen van het hoger beroep voor zover dat ziet op besluit 5 en het hoger beroepschrift met toepassing van artikel 6:15, eerste lid, van de Awb doorzenden aan de Afdeling.
Terugvordering en brutering
4.2.
Appellant heeft aangevoerd dat hij de inlichtingenverplichting niet heeft geschonden. Deze beroepsgrond slaagt niet. Daartoe wordt het volgende overwogen.
4.2.1.
De Raad stelt vast dat het intrekkingsbesluit van 23 mei 2018 formele rechtskracht heeft. De formele rechtskracht van dit besluit heeft echter uitsluitend betrekking op de met dat besluit tot stand gebrachte rechtsgevolgen voor de bijstandsverlening en niet mede op oordelen van feitelijke en juridische aard die daaraan ten grondslag hebben gelegen. Vergelijk de uitspraak van 8 december 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:3229. Dat betekent dat appellant in deze procedure over de terugvordering in volle omvang het daaraan ten grondslag liggende oordeel van het college kan bestrijden dat appellant de op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden door niet te melden dat hij in detentie in het buitenland verbleef.
4.2.2.
Niet gebleken is dat appellant melding heeft gemaakt van zijn verblijf in detentie in Australië. Voorts is niet gebleken dat het voor appellant onmogelijk was om het college te informeren over zijn verblijf in detentie. Zou appellant, gelet op het tijdsverschil tussen Nederland en Australië, niet tijdens kantooruren met het college kunnen bellen dan had hij het college ook via derden, bijvoorbeeld familie, van zijn afwezigheid in verband met detentie op de hoogte kunnen stellen. Daarbij komt dat appellant ook schriftelijk melding van zijn detentie had kunnen maken.
4.3.
Appellant heeft aangevoerd dat het beleid van het college is dat vaste lasten tijdens detentie zes maanden worden doorbetaald. De Raad begrijpt de grond van appellant zo dat hij meent dat het college bijzondere bijstand voor woonkosten had moeten toekennen. Deze grond slaagt niet. Zoals de gemachtigde van het college ter zitting heeft toegelicht, wordt bijzondere bijstand voor woonkosten tijdens detentie alleen op aanvraag toegekend. Voor zover appellant heeft willen betogen dat het college ambtshalve bijzondere bijstand had moeten toekennen, verwijst de Raad naar zijn uitspraak van 15 maart 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BP9041.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham, in tegenwoordigheid van Y. Al-Qaq als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 september 2021.
(getekend) A.B.J. van der Ham
(getekend) Y. Al-Qaq