Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2021-09-07
ECLI:NL:CRVB:2021:2286
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
2,435 tokens
Inleiding
19 1362 PW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Datum uitspraak: 7 september 2021
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van
13 februari 2019, 18/2646 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Asten (college)
Procesverloop
Namens appellant heeft mr. Ü. Ögüt, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 maart 2021. Appellant is via videobellen verschenen, bijgestaan door mr. Ögüt. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door
mr. I. van Driel.
Het onderzoek ter zitting is geschorst om appellant in de gelegenheid te stellen nadere gegevens te verstrekken.
Appellant heeft nadere stukken ingezonden. Partijen hebben over en weer op elkaar gereageerd.
Onder toepassing van artikel 8:64, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is een nader onderzoek ter zitting achterwege gebleven, waarna de Raad het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, van de Awb heeft gesloten.
Overwegingen
1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1.
Op 14 oktober 2016 heeft appellant bij het college bijstand op grond van de Participatiewet (PW) aangevraagd. Bij besluit van 29 november 2016 heeft het college deze aanvraag afgewezen op de grond dat appellant onvoldoende gegevens had verstrekt over zijn inkomen, vermogen en wijze van levensonderhoud. Als gevolg hiervan kon het recht op bijstand niet worden vastgesteld.
1.2.
Appellant heeft op 22 maart 2017 opnieuw bij het college een aanvraag om bijstand op grond van de PW ingediend, met als gewenste ingangsdatum 1 juli 2016.
1.3.
Naar aanleiding van deze aanvraag heeft een medewerker van [werkbedrijf] (medewerker) appellant bij brief van 4 april 2017 verzocht om voor 13 april 2017 aanvullende gegevens te verstrekken. [werkbedrijf] is het werkbedrijf voor de arbeidsmarktregio [regio] , waar de gemeente [gemeente] in deelneemt. De gevraagde aanvullende gegevens betroffen onder meer de bij appellant in eigendom zijnde percelen en een verklaring van appellant over de wijze waarop hij in zijn levensonderhoud heeft voorzien.
1.4.
Appellant heeft niet voor 13 april 2017 alle gevraagde gegevens ingeleverd. Bij aangetekende brief van 13 april 2017 heeft de medewerker appellant een hersteltermijn tot
4 mei 2017 gegeven om de ontbrekende gegevens waar om is verzocht alsnog aan te leveren. Deze termijn is op verzoek van appellant tweemaal verlengd.
1.5.
Bij besluit van 24 mei 2017 heeft het college de aanvraag buiten behandeling gesteld omdat appellant niet alle gevraagde gegevens heeft verstrekt.
1.6.
Bij besluit van 24 september 2018 (bestreden besluit) heeft het college de aanvraag van 22 maart 2017 alsnog inhoudelijk beoordeeld en afgewezen. Aan het bestreden besluit ligt ten grondslag dat appellant de inlichtingenverplichting heeft geschonden. De door appellant overgelegde gegevens bieden onvoldoende inzicht en duidelijkheid in de financiële positie van appellant en in de wijze waarop hij in de kosten van levensonderhoud heeft voorzien voorafgaand aan zijn bijstandsaanvraag. Hierdoor is het voor het college niet mogelijk om vast te stellen of appellant in bijstandbehoevende omstandigheden verkeert.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geoordeeld dat appellant niet heeft voldaan aan zijn inlichtingenverplichting en dat het voor het college niet mogelijk was om het recht op bijstand vast te stellen. Daartoe heeft de rechtbank onder meer overwogen dat uit de gegevens die appellant heeft aangeleverd weliswaar blijkt dat op zijn eigendommen sinds enkele jaren executoriale beslagen liggen, maar dat hij geen informatie heeft gegeven over de stand van zaken van de aan die beslagen ten grondslag liggende schulden. Het college heeft zelf navraag gedaan bij het kadaster maar heeft via die weg dit inzicht niet kunnen verkrijgen. Daarnaast heeft appellant, op een verklaring van zijn broer en enkele gegevens over zijn WIA- en Ziektewetuitkeringen na, geen informatie verschaft over hoe hij in zijn levensonderhoud heeft voorzien. Om te kunnen beoordelen of een aanvrager verkeert in bijstandbehoevende omstandigheden is de financiële situatie van appellant een essentieel gegeven.
3. In hoger beroep heeft appellant zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
In geval een aanvraag om bijstand met toepassing van artikel 4:5 van de Awb buiten behandeling is gesteld en na bezwaar alsnog inhoudelijk op die aanvraag wordt beslist, loopt de te beoordelen periode in beginsel vanaf de datum van de melding tot de datum van het besluit op bezwaar. De periode die in dit geding beoordeeld moet worden is dan ook de periode van 22 maart 2017 tot en met 24 september 2018.
4.2.
Bij aanvragen om bijstand rust de bewijslast van de bijstandbehoevendheid in beginsel op de aanvrager zelf. De aanvrager dient de nodige duidelijkheid te verschaffen en volledige openheid van zaken te geven over zijn woon-, leef- en inkomenssituatie, zo nodig ook over de periode voorafgaand aan de bijstandsaanvraag. Indien de betrokkene niet aan de wettelijke inlichtingen- of medewerkingsverplichting voldoet, is dit een grond voor weigering van de bijstand indien als gevolg daarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.
4.3.
Voor de beoordeling of de aanvrager verkeert in bijstandbehoevende omstandigheden, is de financiële situatie van de aanvrager een essentieel gegeven. De aanvrager is gehouden de voor een goede beoordeling van de aanvraag vereiste gegevens over te leggen. Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 4 januari 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BP1399) is het bijstandverlenend orgaan in het kader van het onderzoek naar het recht op bijstand ook bevoegd gegevens te vragen die betrekking hebben op de financiële situatie over de periode die onmiddellijk voorafgaat aan de datum met ingang waarvan bijstand wordt gevraagd.
4.4.
Aan het bestreden besluit ligt ten grondslag dat niet duidelijk is hoe appellant in zijn levensonderhoud heeft voorzien en wat de financiële situatie van appellant is. Uit navraag bij het kadaster is gebleken dat appellant de percelen met kadastrale aanduiding [kadastrale aanduiding] , [kadastrale aanduiding] , [kadastrale aanduiding] , [kadastrale aanduiding] en [kadastrale aanduiding] nog steeds in eigendom heeft. Uit hypotheekinformatie van het kadaster blijkt dat op al deze onroerende zaken executoriale beslagen liggen. Uit contact met het kadaster blijkt dat de beslagen niet zijn doorgehaald; daaruit kan op zichzelf niet de conclusie worden getrokken dat de onderliggende schulden niet zijn voldaan. Verder is gebleken dat op de onroerende zaken hypotheek is gevestigd ten behoeve van derden. Verder is er geen duidelijkheid over de verdeling van een executieverkoop van het perceel Asten [kadastrale aanduiding] , waarvan de overdracht heeft plaatsgevonden op 5 februari 2015.
4.5.
Ter zitting bij de Raad is besproken welke gegevens het college nog nodig heeft voor de beoordeling van de aanvraag. Partijen hebben vervolgens afgesproken dat de gemachtigde van appellant de volgende gegevens overlegt aan het college:
- de stand van zaken ten tijde van de melding op 22 maart 2017 van de schulden van appellant aan de Belastingdienst, Waterschap Aa en Maas, TRC Advocaten en [naam] ( [naam] );
- een overzicht van de inkomsten van appellant uit zijn uitzendwerk voor Tempoteam en/of van de uitkeringen van appellant in de periode van drie maanden vóór de melding op
22 maart 2017;
- informatie over het vermogensbestanddeel van appellant met betrekking tot het perceel [kadastrale aanduiding] , eveneens op 22 maart 2017.
Verder is afgesproken dat als het college op grond van deze informatie tot de conclusie komt dat appellant recht heeft op bijstand, deze wordt verleend met ingang van 22 maart 2017.
Deze afspraken zijn neergelegd in een proces-verbaal van de zitting van 29 maart 2021.
4.6.
Appellant heeft bij brief van 16 april 2021, met bijlagen, nadere stukken ingestuurd bij het college.
4.6.1.
Appellant heeft een schuldenoverzicht van de Belastingdienst van 22 mei 2019 overgelegd. Dit overzicht bevat een weergave van de schulden per 22 mei 2019 van appellant aan de Belastingdienst, welke schulden zijn ontstaan in de periode van 16 september 2010 tot en met 29 maart 2019.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door A.J. Schaap, in tegenwoordigheid van S. Azaouagh als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 september 2021.
(getekend) A.J. Schaap
(getekend) S. Azaouagh