Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2021-09-14
ECLI:NL:CRVB:2021:2278
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
2,404 tokens
Inleiding
172997 WIA
Datum uitspraak: 14 september 2021
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 8 maart 2017, 15/6550 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
[werkgever] B.V. (werkgever)
Procesverloop
Namens appellant heeft mr. J.C. Walker, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
De werkgever heeft als derde-belanghebbende deelgenomen.
Het onderzoek ter zitting heeft via videobellen plaatsgevonden op 13 juli 2021. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. J.L. Wittensleger, advocaat. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A. Anandbahadoer. Namens de werkgever is mr. C.J.M. de Wit, advocaat, verschenen.
Overwegingen
1.1.
Appellant is laatstelijk werkzaam geweest als chauffeur laden en lossen. Op 20 juni 2013 is hij uitgevallen met klachten aan armen, benen, rug, nek en schouders. In het kader van een aanvraag op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) heeft appellant op 6 mei 2015 het spreekuur van een verzekeringsarts bezocht. Deze arts heeft vastgesteld dat appellant belastbaar is met in achtneming van de beperkingen die hij heeft neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 10 juni 2015. Een arbeidsdeskundige heeft vastgesteld dat appellant niet meer geschikt is voor het laatstelijk verrichte werk. Hij heeft vervolgens functies geselecteerd en op basis van de drie functies met de hoogste lonen de mate van arbeidsongeschiktheid vastgesteld op 20,73%. Bij besluit van 17 juni 2015 heeft het Uwv geweigerd appellant met ingang van 18 juni 2015 een WIA-uitkering tot te kennen, omdat hij met ingang van die datum minder dan 35% arbeidsongeschikt is.
1.2.
In bezwaar heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep op 11 augustus 2015 de door de verzekeringsarts vastgestelde FML aangepast en hierin meer beperkingen aangenomen vanwege de lichamelijke klachten van appellant. Op basis van de aangepaste FML heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep nieuwe functies geselecteerd en op basis van deze functies de mate van arbeidsongeschiktheid berekend op 20,49%. Bij besluit van 11 september 2015 (bestreden besluit) heeft het Uwv het door appellant tegen het besluit van 17 juni 2015 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
2.1.
In beroep heeft appellant naar voren gebracht dat de uit zijn klachten voortvloeiende beperkingen zijn onderschat. Ter ondersteuning van dit standpunt heeft appellant nadere medische informatie overgelegd.
2.2.
Het Uwv heeft in beroep rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep en de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep overgelegd, waarin is gereageerd op de gronden van appellant. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep is in het rapport van 14 april 2016 tot de conclusie gekomen dat de functie van bezorger met SBC-code 282102 niet geschikt is voor appellant. Binnen deze SBC-code heeft hij een andere functie voor appellant geselecteerd. Voorts heeft hij de functie operator met SBC-code 271121 laten vervallen en de functie medewerker schoonmaak met SBC-code 111260 nieuw geselecteerd. In een nader rapport van 25 oktober 2016 heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep vastgesteld dat ook de functie van teelt medewerker plantenkwekerij met SBC-code 111010 niet geschikt is voor appellant. Appellant is uiteindelijk geschikt geacht voor de functies meteropnemer met SBC-code 315181, besteller post/pakketten (auto) met SBC-code 282102 en opruimer-schoonmaker gebouwen met SBC-code 111260. Op basis van deze drie functies is de mate van arbeidsongeschiktheid vastgesteld op 32,67%.
3.1.
De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak vastgesteld dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep gemotiveerd heeft geconcludeerd dat appellant benutbare mogelijkheden heeft en dus tot werken in staat is. De rechtbank heeft voorts geoordeeld dat in de brieven met medische stukken van zijn specialisten geen grond is gelegen voor het oordeel dat het Uwv de beperkingen van appellant heeft onderschat en onvoldoende rekening heeft gehouden met zijn problemen met knieën, hernia en carpaal tunnelsyndroom. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft de door appellant overgelegde medische stukken telkens gemotiveerd en inzichtelijk besproken en betrokken in haar oordeelsvorming. Het medisch onderzoek is naar het oordeel van de rechtbank zorgvuldig geweest en er bestaat geen grond voor het oordeel dat het bestreden besluit op een onjuiste medische grondslag berust of dat de belastbaarheid van appellant op een onjuiste wijze is vastgesteld.
3.2.
Wat betreft de arbeidskundige component van het bestreden besluit heeft de rechtbank overwogen dat het Uwv in beroep een aantal functies heeft laten vervallen en twee nieuwe functies heeft geselecteerd. Dit betekent dat het bestreden besluit op dit onderdeel onvoldoende is gemotiveerd. Om deze reden heeft de rechtbank het beroep gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd. De rechtbank heeft echter aanleiding gezien om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten omdat in beroep nieuwe passende functies zijn geselecteerd en de mate van arbeidsongeschiktheid terecht is gehandhaafd op minder dan 35%. Met de door het Uwv gehanteerde reductiefactor van 0,95% heeft de rechtbank zich eveneens kunnen verenigen.
4.1.
In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat bij het vaststellen van zijn belastbaarheid onvoldoende rekening is gehouden met de samenhang van zijn medische klachten. Hij heeft de Raad verzocht om een deskundige te benoemen om hiernaar nader onderzoek te verrichten. Verder heeft appellant gesteld dat met enkel het Resultaat functiebeoordeling (RF) onvoldoende valt te controleren of de belasting in de geselecteerde functies zijn belastbaarheid niet overschrijdt. Daarom heeft hij de Raad verzocht bij het Uwv de enquêteformulieren over de geselecteerde functies die zijn opgesteld door de arbeidskundig analist, op te vragen. Meer specifiek heeft appellant over de functie medewerker schoonmaak aangevoerd dat enkel met het RF onvoldoende is te controleren of hierin niet te veel repeterende handbewegingen voorkomen. Ten slotte heeft appellant opnieuw aangevoerd dat in de wet geen grondslag ligt voor het beleid van het Uwv in artikel 2, tweede lid, onderdeel a, van de Beleidsregels uurloonschatting, dat de urenomvang per SBC-code wordt gesteld op de grootste urenomvang van de binnen de SBC-code geselecteerde functies.
4.2.
Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.
5. De Raad oordeelt als volgt.
5.1.
In geschil is of het Uwv de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant in de zin van de Wet WIA terecht met ingang van 18 juni 2015 heeft vastgesteld op minder dan 35% en terecht heeft geweigerd aan appellant een WIA-uitkering toe te kennen.
5.2.
De rechtbank wordt gevolgd in het oordeel dat geen aanleiding bestaat te twijfelen aan de juistheid van het medisch oordeel. Uit de rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep blijkt dat op alle door appellant geuite klachten is ingegaan en in deze rapporten is gemotiveerd uiteengezet tot welke beperkingen deze klachten leiden. Dat de samenhang van klachten moet leiden tot meer beperkingen, blijkt niet uit het dossier. Deze stelling is door appellant in hoger beroep ook niet onderbouwd met nieuwe medische gegevens. Omdat geen twijfel bestaat over de juistheid van de medische beoordeling door het Uwv, ziet de Raad geen aanleiding voor het inschakelen van een onafhankelijke deskundige. Dit verzoek van appellant wordt daarom afgewezen.
5.3.1.
De stelling van appellant dat op basis van het RF onvoldoende valt te controleren of de belasting in deze geselecteerde functies zijn belastbaarheid niet overschrijdt, wordt niet gevolgd. Volgens vaste rechtspraak van de Raad (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 15 mei 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:1737) dient in beginsel te worden uitgegaan van de juistheid van de in het CBBS opgenomen gegevens. Een betrokkene heeft de mogelijkheid om de juistheid van de aan het CBBS ontleende gegevens van feitelijke aard gemotiveerd te bestrijden. Als op basis daarvan twijfel ontstaat, of indien de rechter zelf twijfelt aan de juistheid van deze gegevens, kan van het Uwv worden verlangd dat het door overlegging van de betreffende gegevens verificatie daarvan mogelijk maakt.
5.3.2.
Voor het opvragen van de enquêteformulieren over de functie medewerker schoonmaak bestaat in het geval van appellant geen aanleiding.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door E. Dijt, in tegenwoordigheid van G.S.M. van Duinkerken als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 september 2021.
(getekend) E. Dijt
(getekend) G.S.M. van Duinkerken