Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2021-08-16
ECLI:NL:CRVB:2021:2092
Bestuursrecht; Ambtenarenrecht
Hoger beroep
2,327 tokens
Inleiding
203506 AW
Datum uitspraak: 16 augustus 2021
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van
31 augustus 2020, 18/1926 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellante] te [woonplaats] (appellante)
het college van burgemeester en wethouders van Haarlemmermeer (college)
Procesverloop
Namens appellante heeft mr. J. Jaab, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Namens het college heeft mr. M.P.W. Steuten, advocaat, een verweerschrift ingediend.
Partijen hebben nadere stukken ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 juli 2021. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Jaab. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Steuten en drs. L.T. Lucassen.
Overwegingen
1. Met ingang van 1 januari 2020 is de Ambtenarenwet gewijzigd en Ambtenarenwet 2017 (AW 2017) gaan heten. Op grond van artikel 16, tweede lid, van de AW 2017 blijft op besluiten of handelingen die vóór 1 januari 2020 bekend zijn gemaakt, het toen geldende recht van toepassing wat betreft de mogelijkheid om bezwaar te maken of beroep in te stellen en wat betreft de behandeling van dat bezwaar of beroep.
2.1.
Voor een uitgebreide weergave van de voorgeschiedenis en de achtergrond van deze zaak verwijst de Raad naar zijn uitspraak van 15 december 2016 met kenmerk 15/8522. De Raad volstaat hier met het volgende.
2.2.
Appellante was van [periode 1] tot [periode 2] in tijdelijke dienst bij wijze van proef aangesteld bij de gemeente [A] in de functie van [naam functie] bij het cluster [cluster] . In een gesprek op 2 december 2014 is aan appellante meegedeeld dat haar aanstelling op 17 februari 2015 afloopt en niet zal worden verlengd en omgezet in een vaste aanstelling en dat aan haar tot die datum buitengewoon verlof met behoud van bezoldiging wordt verleend. Bij besluit van 12 december 2014 heeft het college beide besluitonderdelen aan appellante bevestigd. Bij besluit van 8 april 2015 heeft het college het tegen dit besluit gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 26 november 2015 heeft de rechtbank het tegen de beslissing op bewaar ingestelde beroep ongegrond verklaard. Bij de genoemde uitspraak van 15 december 2016 heeft de Raad deze uitspraak van de rechtbank bevestigd. Daarmee staat in rechte vast dat het college de tijdelijke aanstelling van appellante op goede gronden niet heeft verlengd.
2.3.
Bij brief van 28 december 2017 heeft appellante het college aansprakelijk gesteld voor de door haar geleden en nog te lijden schade.
2.4.
Bij besluit van 17 januari 2018 heeft het college de aansprakelijkheid afgewezen.
2.5.
Bij besluit van 14 maart 2018 (bestreden besluit) heeft het college het tegen het besluit van 17 januari 2018 gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard, omdat dit besluit wordt gezien als een besluit op een verzoek aan het bestuursorgaan als bedoeld in artikel 8:90, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en er tegen dit soort besluiten geen bezwaar gemaakt kan worden.
3.1.
Bij tussenbeslissing van 7 januari 2019 heeft de rechtbank het beroep mede aangemerkt als een verzoek om veroordeling van het college tot vergoeding van schade als bedoeld in artikel 8:88 en artikel 8:90, eerste lid, van de Awb.
3.2.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank – samengevat – overwogen dat het college niet aansprakelijk is voor de door appellante gestelde schade, omdat er geen sprake is van onrechtmatig handelen van het college, appellante er niet in is geslaagd aannemelijk te maken dat de schade het gevolg is van het handelen van het college en de schade onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt.
4. Met het hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak wil appellante bereiken dat het college wordt veroordeeld tot het betalen van een schadevergoeding aan haar. De schade is begroot op een bedrag van € 250.000,-, bestaande uit een bedrag van € 200.000,- aan materiële schade (inkomens- en pensioenschade) en een bedrag van € 50.000,- aan immateriële schade (psychische, emotionele en reputatieschade).
5. De Raad oordeelt als volgt.
5.1.
Zoals de rechtbank in de aangevallen uitspraak terecht heeft overwogen, moet het verzoek om schadevergoeding van appellante worden beoordeeld op grond van het bepaalde in artikel 8:88 van de Awb en het daarbij behorende, in de overwegingen 8 tot en met 11 van de aangevallen uitspraak weergegeven, toetsingskader. Appellante heeft dit niet betwist.
5.2.
De rechtbank heeft in het dictum van de aangevallen uitspraak het beroep ongegrond verklaard. Gelet op het hiervoor in 5.1 overwogene en overweging 16 van de aangevallen uitspraak, waarin de rechtbank heeft overwogen dat er geen grond bestaat voor toewijzing van het verzoek om schadevergoeding, zal de rechtbank bedoeld hebben het verzoek om schadevergoeding af te wijzen. De Raad zal het dictum van de aangevallen uitspraak dan ook zo lezen. Partijen hebben op de zitting van de Raad laten weten zich hierin te kunnen vinden.
5.3.
Appellante heeft zich allereerst op het standpunt gesteld dat het besluit van het college om haar tijdelijke aanstelling niet te verlengen onrechtmatig is en dat het college de daardoor geleden en nog te lijden schade aan haar moet vergoeden.
5.4.
De Raad volgt dit standpunt van appellante niet. Het besluit van het college om de tijdelijke aanstelling van appellante niet te verlengen en niet om te zetten in een vaste aanstelling levert geen grond op voor schadevergoeding. De Raad heeft immers bij zijn in 2.1 genoemde uitspraak van 15 december 2016 al geoordeeld dat dit besluit stand kan houden en niet onrechtmatig is.
5.5.
Appellante heeft zich verder op het standpunt gesteld dat het college onrechtmatig heeft gehandeld en zich niet als een goed werkgever heeft gedragen. Daartoe heeft appellante met name gewezen op de communicatie en gang van zaken in de maanden voorafgaand aan het buitengewoon verlof, het e-mailbericht over het niet-verlengen van de aanstelling dat leidinggevende B op 2 december 2014 aan alle collega’s van het cluster [cluster] heeft verzonden, de abrupte beëindiging van de werkzaamheden, het begeleide vertrek van de werkplek en de ongeoorloofde druk van het college om na de beëindiging van het dienstverband te herstellen en betaald werk te vinden.
5.6.1.
De Raad volgt ook dit standpunt van appellante niet. Voor zover de genoemde handelingen en gebeurtenissen al niet onlosmakelijk verbonden zijn met het rechtmatige besluit om de tijdelijke aanstelling niet te verlengen, zijn ze niet onrechtmatig en leveren ze daarom geen grond op voor schadevergoeding. Hoewel het college op onderdelen zeker anders had kunnen handelen – zo had in het e-mailbericht van 2 december 2014 kort en zakelijk vermeld kunnen worden dat de aanstelling van appellante niet zou worden verlengd zonder daarbij iets over het functioneren van appellante te zeggen. Ook de beëindiging van de werkzaamheden en het vertrek van de werkplek hadden op een andere, minder indringende en zichtbare wijze kunnen plaatsvinden. Met de rechtbank acht de Raad aannemelijk dat de gang van zaken appellante emotioneel heeft geraakt. De Raad acht deze omstandigheden echter ontoereikend voor het oordeel dat het college zich niet als een goed werkgever heeft gedragen dan wel sprake is van onrechtmatig handelen van het college. De Raad wijst daartoe op het volgende.
5.6.2.
Zoals de Raad bij zijn in 2.1 genoemde uitspraak van 15 december 2016 al heeft overwogen heeft het college in de maanden die voorafgingen aan het buitengewoon verlof niet onrechtmatig gehandeld. Het buitengewoon verlof heeft mede daarom stand kunnen houden. Hetzelfde geldt voor het niet verlengen van de tijdelijke aanstelling van appellante. De Raad heeft in die uitspraak verder overwogen dat het e-mail bericht over het niet verlengen van de aanstelling van appellante die leidinggevende B op 2 december 2014 aan alle collega’s van het cluster [cluster] heeft gezonden niet onnodig diffamerend was. Hetzelfde heeft de Raad overwogen over de abrupte beëindiging van de werkzaamheden en het begeleide vertrek van de werkplek.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J.J.T. van den Corput, in tegenwoordigheid van M. Buur als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 augustus 2021.
(getekend) J.J.T. van den Corput
(getekend) M. Buur
ECLI:NL:CRVB:2016:4820.
ECLI:NL:RBNHO:2015:10219.