Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2021-01-27
ECLI:NL:CRVB:2021:198
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
2,358 tokens
Inleiding
19/1978 WSF
Datum uitspraak: 27 januari 2021
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van
10 april 2019, 18/306 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (minister)
Procesverloop
Namens appellant heeft mr. F. Bakker, advocaat, hoger beroep ingesteld.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft door middel van videobellen plaatsgevonden op 16 december 2020. Appellant en zijn gemachtigde hebben daaraan niet deelgenomen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. P.M.S. Slagter.
Overwegingen
1. De minister heeft, voor zover hier van belang, met ingang van februari 2015 studiefinanciering op grond van de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000) aan appellant toegekend die is berekend naar de norm die geldt voor een uitwonende studerende. Deze toekenning is voortgezet voor de periode januari 2016 tot en met juli 2016. Appellant staat vanaf 26 januari 2015 ingeschreven in de basisregistratie personen (BRP) onder het adres [adres] te [woonplaats].
1.2.1.
Op 3 februari 2016 hebben twee controleurs in opdracht van de minister onderzoek gedaan naar de woonsituatie van appellant. Daartoe is een huisbezoek afgelegd op het adres waaronder appellant op dat moment in de BRP stond ingeschreven om te controleren of hij op dat adres woonde. In de desbetreffende woning is onderzoek gedaan en is een verklaring van de hoofdbewoner opgenomen. Van het onderzoek is een rapport opgemaakt.
1.2.2.
In het rapport is - onder meer - vermeld dat in de kamer die de hoofdbewoner als kamer van appellant heeft laten zien - onder meer - een opgemaakt tweepersoonsbed en op de grond enkele losse kledingstukken en een deken zijn aangetroffen. Op de vraag of de hoofdbewoner kleding en/of spullen van appellant kon laten zien, heeft de hoofdbewoner verklaard dat het beddengoed, de deken en enkele losse kledingstukken alsmede de klok aan de muur en de ventilator van appellant zijn. Vervolgens heeft de hoofdbewoner verklaard dat de rest van de kleding van betrokkene alsmede zijn verzorgingsspullen in een andere kamer liggen. Blijkens het rapport lagen in deze andere kamer in een kast nog wat kledingstukken en bij een wasbak verzorgingsspullen die volgens de hoofdbewoner van appellant waren. De hoofdbewoner heeft verklaard dat hij alles van appellant heeft laten zien en dat deze de laatste tijd over het algemeen vaker elders slaapt dan op het BRP-adres. Ten slotte heeft hij verklaard dat hij zal doorgeven dat appellant zich moet laten inschrijven onder het adres van zijn hoofdverblijf.
1.3.
Bij besluit van 12 februari 2016, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 19 april 2016, heeft de minister op basis van de bevindingen van het onderzoek de aan appellant toegekende studiefinanciering met ingang van 1 februari 2015 herzien, in die zin dat hij vanaf die datum als thuiswonende studerende is aangemerkt. Daarbij is een bedrag van € 2.666,14 van hem teruggevorderd. Deze herziening is na de uitspraak van de Raad van 1 maart 2017, ECLI:Nl:CRVB:2017:773, in rechte komen vast te staan.
1.4.
Bij brief van 17 februari 2016 heeft de minister aan appellant meegedeeld voornemens te zijn een bestuurlijke boete op te leggen.
1.5.
Bij besluit van 21 april 2016 heeft de minister aan appellant een bestuurlijke boete opgelegd van € 1.333,07.
1.6.
Bij besluit van 8 januari 2018 (bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van appellant gegrond verklaard en de boete verlaagd, waarbij deze is vastgesteld op € 1.230,68.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, voor zover hier van belang, het beroep van appellant tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en het besluit van 21 april 2016 herroepen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister aangetoond dat appellant ten tijde van de controle niet woonde op zijn BRP-adres. Hiervoor acht de rechtbank van belang dat uit het rapport blijkt dat appellant ten tijde van het huisbezoek niet aanwezig was en dat er in de woning slechts weinig persoonlijke stukken zijn aangetroffen die te herleiden zijn tot appellant. Daarnaast blijkt uit het rapport dat de hoofdbewoner tegen de rapporteurs heeft verklaard dat appellant in het begin wel op het BRPadres heeft gewoond, maar dat hij op dat moment het meest van de tijd elders slaapt. De gegevens in het rapport laten geen andere conclusie toe dan dat appellant op 3 februari 2016 niet op het BRP-adres woonachtig was. De rechtbank is verder van oordeel dat op grond van het rapport niet zonder redelijke twijfel kan worden aangenomen, dat appellant ook gedurende de gehele periode van 12 maanden voorafgaand aan het huisbezoek op 3 februari 2016 niet op het BRP-adres woonachtig was. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat appellant sinds 26 januari 2015 onder het BRP-adres stond ingeschreven en dat de hoofdbewoner met betrekking tot de aanwezigheid van appellant onder andere heeft verklaard dat appellant in de beginperiode na zijn inschrijving onder het BRP-adres vaker aanwezig was en dat er toen ook veel meer spullen lagen. De rechtbank stelt vast dat appellant de conclusie van de controleurs van meet af aan heeft betwist en oordeelt dat daarmee, in samenhang gezien met de hiervoor aangehaalde verklaringen van de hoofdbewoner, redelijke twijfel wordt gewekt aan de redengevende kracht van het bewijsvermoeden, zodat dit wordt ontzenuwd. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister niet aangetoond dat appellant in de gehele periode van 12 maanden voorafgaand aan het huisbezoek niet woonachtig was op het BRP-adres. Appellant woonde ten tijde van de controle niet op het BRP-adres en aannemelijk is dat dit ook daarvoor al enige tijd het geval was. Dat de duur van die voorafgaande periode niet exact kan worden vastgesteld door de minister, komt voor rekening en risico van appellant nu hij hierover niet consistent heeft verklaard. De rechtbank acht een boete van € 615,34 (50 procent over de helft van de beboete periode van 12 maanden) daarom passend en geboden.
3. Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte tot het oordeel is gekomen dat de bewijsmiddelen toereikend zijn om een boete op te leggen, mede gelet op de uitspraak van de Raad van 1 maart 2017, ECLI:Nl:CRVB:2017:773, in de herzieningszaak van appellant. Verder is gesteld dat de boete – nog steeds – te hoog is en dat het gestelde in de uitspraak van de Raad van 11 januari 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:9, ten onrechte niet is toegepast. Het verzoek om schadevergoeding is herhaald.
4. De Raad oordeelt als volgt.
4.1.
Wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd is grotendeels een herhaling van wat hij bij de rechtbank naar voren heeft gebracht. De rechtbank heeft dat in de aangevallen uitspraak beoordeeld en daarover een gemotiveerd oordeel gegeven. Uit de hogerberoepsgronden blijkt niet waarom dat oordeel volgens appellant onjuist is. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank en op hoofdlijnen de overwegingen die tot dat oordeel hebben geleid. Het volgende wordt daaraan toegevoegd.
4.2.
Bij de herziening geldt een andere bewijsmaatstaf dan bij de boete. De Raad verwijst in dit verband naar zijn uitspraak van 1 juni 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:1878. Appellant trekt ten onrechte uit de onder 1.3 vermelde uitspraak van de Raad de conclusie dat niet meer dan slechts aannemelijk zou zijn gemaakt dat appellant niet op zijn BRP-adres woonde. In die uitspraak is de zwaardere bewijsmaatstaf die voor boetes geldt niet opgenomen, omdat die niet aan de orde was. De rechtbank komt dan ook niet, zoals appellant stelt, tot een ander oordeel dan de Raad, maar de rechtbank acht het bewijs ook voldoende voor de boete. Appellant heeft niets naar voren gebracht waarmee twijfel is gezaaid over dit bewijs. Er is dan ook een voor de beboeting toereikend gemotiveerde grondslag.
4.3.
Appellant heeft zijn stelling dat de boete te hoog zou zijn in het geheel niet onderbouwd. Zo is niet duidelijk waarom er sprake zou zijn van verminderde verwijtbaarheid en evenmin waarom appellant het bedrag van de boete niet kan betalen.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep
- bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, behoudens voor zover de rechtbank daarbij de hoogte van de boete heeft vastgesteld op € 615,34;
- stelt de hoogte van de boete vast op € 553,81 en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het besluit van 8 januari 2018;
- bepaalt dat de minister het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 128,- aan appellant vergoedt;
- veroordeelt de minister in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 267,-.
Deze uitspraak is gedaan door H.J. de Mooij, in tegenwoordigheid van B.H.B. Verheul als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 januari 2021.
(getekend) H.J de Mooij
(getekend) B.H.B Verheul