Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2021-07-19
ECLI:NL:CRVB:2021:1757
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
2,459 tokens
Inleiding
19 3908 ZW
Datum uitspraak: 19 juli 2021
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 30 juli 2019, 18/1217 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Procesverloop
Namens appellant heeft mr. M. Bathoorn, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft via videobellen plaatsgevonden op 11 december 2020. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Bathoorn. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.C.P. Heijnen-Veldman.
Overwegingen
1.1.
Appellant is laatstelijk werkzaam geweest als productiemedewerker. Op 16 september 2016 heeft hij zich ziek gemeld met knieklachten. Appellant ontving op dat moment een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet. Het Uwv heeft appellant hierna in aanmerking gebracht voor ziekengeld op grond van de Ziektewet (ZW).
1.2.
In het kader van een eerstejaars ZW-beoordeling (EZWb) heeft een voor het Uwv werkzame arts appellant op 18 augustus 2017 gezien. Op 7 september 2017 is door de arts een rapport opgesteld dat is gecontrasigneerd door een verzekeringsarts. De arts heeft appellant belastbaar geacht met inachtneming van de beperkingen die zijn neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 7 september 2017. Een arbeidsdeskundige heeft vastgesteld dat appellant niet in staat is zijn eigen werk te verrichten, vervolgens vijf functies geselecteerd en op basis van de drie functies met de hoogste lonen berekend dat appellant nog 84,56% van zijn zogeheten maatmaninkomen zou kunnen verdienen. Het Uwv heeft bij besluit van 16 november 2017 vastgesteld dat appellant met ingang van 17 december 2017 geen recht meer heeft op ziekengeld, omdat hij meer dan 65% kan verdienen van het loon dat hij verdiende voordat hij ziek werd.
1.3.
Het bezwaar van appellant tegen het besluit van 16 november 2017 heeft het Uwv bij besluit van 7 mei 2018 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit liggen rapporten van 30 april 2018 van een arts bezwaar en beroep en van 2 mei 2018 van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag. De arts bezwaar en beroep heeft dossierstudie verricht en heeft appellant gezien tijdens een hoorzitting. In het rapport van de arts bezwaar en beroep is tevens de naam van een verzekeringsarts bezwaar en beroep vermeld.
2. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat van onzorgvuldigheid of onvolledigheid in het medisch onderzoek of gebreken in het rapport dat aan het bestreden besluit ten grondslag ligt, niet is gebleken. De door appellant ingebrachte medische gegevens zijn door de arts bezwaar en beroep beoordeeld en besproken en geven geen aanleiding tot twijfel aan de juistheid van de vastgestelde belastbaarheid op de datum in geding. De rechtbank heeft overwogen dat het feit dat appellant zijn beperkingen anders ervaart, op zichzelf niet kan leiden tot het oordeel dat de medische beoordeling onjuist is. Naar aanleiding van de in beroep aangepaste FML heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep geconcludeerd dat de beperking van de rijvaardigheid ertoe leidt dat één van de reservefuncties vervalt, maar dat dit geen gevolg heeft voor de mate van arbeidsongeschiktheid nu deze functie niet aan de schatting ten grondslag ligt. De overige functies moeten nog als passend worden beschouwd. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien deze conclusies niet te volgen.
3.1.
In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat het medisch onderzoek onzorgvuldig is geweest. Hij is niet door een verzekeringsarts onderzocht. Het medisch onderzoek is ook ondeugdelijk geweest en zijn belastbaarheid is onjuist vastgesteld. De klachten van appellant zijn inmiddels langdurig van aard en gaan gepaard met een grote diversiteit aan klachten, stoornissen en beperkingen. Er is niet gekeken naar de comorbiditeit van de klachten. Appellant heeft verder verwezen naar de medische stukken van de behandelend sector. Ten slotte heeft appellant aangevoerd dat de geselecteerde functies voor hem niet geschikt zijn.
3.2.
Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.1.
Op grond van artikel 19aa, eerste lid, van de ZW heeft een verzekerde zonder werkgever, na 52 weken ongeschiktheid tot werken, recht op ziekengeld als hij nog steeds ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid en hij als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebrek slechts in staat is met arbeid ten hoogste 65% te verdienen van het maatmaninkomen per uur. Op grond van artikel 19aa, vijfde lid, van de ZW wordt onder het maatmaninkomen verstaan hetgeen gezonde personen met soortgelijke opleiding en ervaring, ter plaatse waar hij arbeid verricht of het laatst heeft verricht, of in de omgeving daarvan met arbeid gewoonlijk verdienen. Op grond van artikel 19ab, eerste en derde lid, van de ZW wordt het percentage van het maatmaninkomen dat de verzekerde kan verdienen, bedoeld in artikel 19aa van de ZW, vastgesteld op basis van een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek en wordt onder arbeid als bedoeld in artikel 19aa van de ZW verstaan alle algemeen geaccepteerde arbeid waartoe een verzekerde met zijn krachten en bekwaamheden in staat is. Voor de beoordelingssystematiek waarmee de verdiencapaciteit na het eerste ziektejaar wordt bepaald, wordt zoveel mogelijk aangesloten bij de huidige uitvoeringssystematiek van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, waarbij aan de hand van geschikte functies wordt vastgesteld of de betrokkene beschikt over resterende verdiencapaciteit (zie de uitspraak van de Raad van 30 december 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:4920).
4.1.2.
Op grond van artikel 19ab, eerste lid, van de ZW wordt – voor zover van belang – het percentage van het maatmaninkomen dat de verzekerde kan verdienen, bedoeld in artikel 19aa, vastgesteld op basis van een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek.
4.2.1.
Artikel 3, eerste, tweede en derde lid, van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten (Schattingsbesluit) luiden als volgt:
1. Het verzekeringsgeneeskundig onderzoek strekt ertoe vast te stellen of betrokkene ten gevolge van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling ongeschikt is tot werken.
2. Daarbij onderzoekt de verzekeringsarts of bij betrokkene sprake is van vermindering of verlies van lichamelijke of psychische structuur of functie, die vermindering of verlies van normale gedragen en activiteiten en van normale sociale rolvervulling tot gevolg heeft.
3. Tevens stelt de verzekeringsarts vast welke beperkingen betrokkene in zijn functioneren in arbeid ondervindt ten gevolge van het verlies of vermindering van vermogens, bedoeld in het tweede lid, alsmede in welke mate betrokkene belastbaar is voor arbeid.
4.2.2.
Artikel 4, eerste lid, van het Schattingsbesluit luidt als volgt:
Het verzekeringsgeneeskundig onderzoek voldoet aan de volgende vereisten:
a. de gebruikte onderzoeksmethoden, argumentatie, bevindingen en conclusies van het verzekeringsgeneeskundig onderzoek worden schriftelijk vastgelegd;
b. een door een andere verzekeringsarts uitgevoerd verzekeringsgeneeskundig onderzoek zal tot dezelfde bevindingen en conclusies kunnen leiden;
c. de redeneringen en conclusies van het verzekeringsgeneeskundig onderzoek zijn vrij van innerlijke tegenspraak.
4.3.
Zoals de Raad meermalen heeft overwogen kan aan een onderzoek door een niet als verzekeringsarts geregistreerde arts niet dezelfde waarde worden toegekend als aan een onderzoek door een geregistreerde verzekeringsarts. Registratie als verzekeringsarts staat in beginsel borg voor een zekere kwaliteit. Zolang registratie als verzekeringsarts nog niet heeft plaatsgevonden kan er in beginsel niet van worden uitgegaan dat het onderzoek van de (nog) niet als verzekeringsarts geregistreerde arts diezelfde kwaliteit bezit (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 18 juli 2007, ECLI:NL:CRVB:2007:BA9904).
Dictum
De Centrale Raad van Beroep
vernietigt de aangevallen uitspraak;
verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 7 mei 2018;
draagt het Uwv op een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak en bepaalt dat beroep tegen dit besluit slechts bij de Raad kan worden ingesteld;
veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 2.992,-;
bepaalt dat het Uwv aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 174,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door J.P.M. Zeijen, in tegenwoordigheid van H. Spaargaren als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 juli 2021.
(getekend) J.P.M. Zeijen
(getekend) H. Spaargaren