Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2021-06-03
ECLI:NL:CRVB:2021:1384
Bestuursrecht; Ambtenarenrecht
Hoger beroep
2,543 tokens
Inleiding
20983 AW
Datum uitspraak: 3 juni 2021
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 18 februari 2020, 17/3104 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade
Partijen:
de korpschef van politie (korpschef)
[betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)
de Staat der Nederlanden (ministerie van Justitie en Veiligheid) (Staat)
Procesverloop
De korpschef heeft hoger beroep ingesteld.
Namens betrokkene heeft mr. A.A. Kouwenoord een verweerschrift ingediend.
Betrokkene heeft een verzoek gedaan om veroordeling tot vergoeding van schade wegens schending van de redelijke termijn. Naar aanleiding van dit verzoek heeft de Raad de Staat als partij aangemerkt.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 april 2021. De korpschef heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.J. Mathura en G. Tunali. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door mr. Kouwenoord.
Overwegingen
1.1.
Bij besluit van 1 december 2015 heeft de korpschef de oorspronkelijke functie van betrokkene voor de reorganisatie Politiewet 2012 – die het vertrekpunt vormt bij de functievergelijking – vastgesteld op de functie van Generalist Tactische Opsporing, Vreemdelingen, gewaardeerd op salarisschaal 7, de LFNP-functie waarnaar betrokkene op
1 januari 2012 is overgegaan. Dit besluit staat in rechte vast.
1.2.
Na zijn voornemen hiertoe kenbaar te hebben gemaakt en betrokkene daarop haar zienswijze had ingediend, heeft de korpschef betrokkene bij besluit van 10 juni 2016, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 9 juni 2017 (bestreden besluit), met ingang van 1 juli 2016 aangewezen als herplaatsingskandidaat en haar gelijktijdig met ingang van diezelfde datum herplaatst in de functie van Generalist GGP, Vreemdelingen, gewaardeerd in salarisschaal 7, in de formatie van de eenheid [eenheid], Dienst [dienst], team [team], met als plaats van tewerkstelling [plaats tewerkstelling].
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en zelf in de zaak voorzien door het besluit van 10 juni 2016 te herroepen en betrokkene per 1 juli 2016 te plaatsen in de functie Senior GGP, Vreemdelingen, salarisschaal 8. De rechtbank heeft daartoe, samengevat, overwogen dat betrokkene aannemelijk heeft gemaakt dat zij in de hier aan de orde zijnde referteperiode van 1 juli 2013 tot 1 juli 2016 onafgebroken tijdelijke werkzaamheden heeft verricht die in overwegende mate voldoen aan de niveaubepalende elementen van de functie van Senior GGP, Vreemdelingen, zodat haar beroep op de Notitie tijdelijke tewerkstellingen in fase 2 (Notitie), zoals aangevuld met de Aanvulling werkinstructie inzake Tijdelijke tewerkstellingen in de periode tot 1 juli 2016 (Aanvulling), slaagt.
3.1.
De korpschef keert zich in hoger beroep tegen het oordeel van de rechtbank dat betrokkene een geslaagd beroep toekomt op de Notitie, zoals aangevuld met de Aanvulling, en dat er zodoende aanleiding bestaat om haar met ingang van 1 juli 2016 te plaatsen op de door haar geambieerde functie van Senior GGP, salarisschaal 8.
3.2.
Betrokkene heeft in hoger beroep verzocht om schadevergoeding in verband met overschrijding van de redelijke termijn.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
Het hoger beroep
4.1.
In artikel 55v van het Besluit algemene rechtspositie politie (Barp) is bepaald dat indien de toepassing van hoofdstuk VII.b (Voorzieningen bij reorganisaties) of de nadere regels ter uitvoering van dit hoofdstuk in individuele gevallen leidt tot onbillijkheden van overwegende aard of indien sprake is van een bijzondere situatie van een individuele herplaatsingskandidaat, het bevoegd gezag, na afweging van de belangen van het individu en van de organisatie, kan afwijken van dit hoofdstuk of van de nadere regels ter uitvoering van dit hoofdstuk.
4.2.
De Notitie en de Aanvulling vormen een uitwerking van de in artikel 55v van het Barp neergelegde hardheidsclausule voor situaties waarin een medewerker gedurende fase 1 van de reorganisatie – dus tot juli 2016 – gedurende een periode van drie jaar tijdelijk was tewerkgesteld in een andere functie. Om in aanmerking te komen voor plaatsing in de gewenste functie dient aan vier cumulatieve criteria te worden voldaan:
- De betrokkene dient de door hem gevraagde LFNP-functie gedurende minimaal drie jaar voorafgaand aan 1 juli 2016 ononderbroken uit te hebben geoefend. Volgens de Aanvulling moet de vraag of de gewenste functie daadwerkelijk is uitgevoerd, worden beantwoord aan de hand van de niveaubepalende elementen van die functie. Noodzakelijk is dat vastgesteld wordt dat door het uitoefenen van de tijdelijke werkzaamheden in overwegende mate is voldaan aan de niveaubepalende elementen van de andere functie. Deze zijn omschreven in het onderdeel “kern van de functie” in de betrokken LFNP-functie.
- De tewerkstelling dient schriftelijk te kunnen worden onderbouwd door de medewerker.
- De gewenste functie moet zijn ingericht in de nieuwe formatie. Er moet dus sprake zijn van werkzaamheden die vanuit het bedrijfsvoeringsbelang ook na de reorganisatie worden gecontinueerd.
- Het functioneren van de medewerker dient voldoende te zijn.
4.3.1.
Met de korpschef is de Raad van oordeel dat betrokkene niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij in de referteperiode van 1 juli 2013 tot 1 juli 2016 ononderbroken werkzaamheden heeft uitgevoerd die afwijken van zowel haar voormalige korpsfunctie van Generalist Tactische Opsporing, Vreemdelingen, schaal 7, als van de haar toegekende LFNP-functie van Generalist GGP, Vreemdelingen, schaal 7 en die in overwegende mate voldoen aan de niveaubepalende elementen als omschreven in het onderdeel ‘kern van de functie’ van de geambieerde functie Senior GGP, schaal 8.
4.3.2.
In de periode van 1 september 2012 tot 1 januari 2014 is betrokkene in het kader van een Leer Ontwikkeltraject (LOT-traject) werkzaam geweest in de korpsfunctie [functie]. Gelet op de aard en het doel van het LOT-traject van betrokkene kent de korpschef terecht betekenis toe aan het gegeven dat tot 1 januari 2014 sprake was van zo’n traject. In dit kader wijst de Raad erop dat de Notitie en de Aanvulling tot doel heeft om een langdurig en tijdelijk – van de oude korpsfunctie en LFNP-functie afwijkend – samenstel van werkzaamheden dat niet kon worden geformaliseerd door de reorganisatie, te formaliseren door een plaatsing.
4.3.3.
Uit de beoordelingsformulieren die zien op de periode van 1 juli 2013 tot 1 januari 2014 volgt dat betrokkene is beoordeeld voor haar werkzaamheden als Senior Thematische Rechercheur, maar hieruit valt niet op te maken dat zij in deze periode in overwegende mate de niveaubepalende elementen van de functie Senior GGP zelfstandig en onder eigen verantwoordelijkheid heeft verricht. Betrokkene heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij in de periode tot 1 januari 2014, ondanks dat zij werkzaam was in het kader van een LOT-traject, volledig zelfstandig in overwegende mate de niveaubepalende elementen van de functie Senior GGP heeft verricht en daarvoor de verantwoordelijkheid droeg.
4.3.4.
Betrokkene heeft er nog op gewezen dat de functie van [functie], volgens de transponeringstabel, behorende bij de Regeling vaststelling LFNP, per 1 januari 2012 is overgegaan naar de LFNP-functie van Senior Tactische Opsporing. Collega’s van betrokkene met de functie van Senior Tactische Opsporing zijn geplaatst in de functie van Senior GGP. Deze redenatie kan betrokkene niet baten. De transponeringstabel kent het systeem van “matchen op schaal” en vereist niet het daadwerkelijk feitelijk hebben vervuld van het samenstel van taken en verantwoordelijkheden in de LFNP-functie waarnaar wordt overgegaan (vergelijk de uitspraak van 1 juni 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1550). De Notitie en de Aanvulling kennen die voorwaarde van feitelijke taakvervulling wel.
De oorspronkelijke functie van betrokkene is in de onderhavige procedure een gegeven. Daarnaast is tussen partijen niet langer in geschil dat de door de korpschef gemaakte functievergelijking heeft plaatsgevonden in overeenstemming met de wettelijke bepalingen en uitvoeringsafspraken. De Raad verwijst naar zijn uitspraak van 21 juni 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:1851 en in het bijzonder naar de aangewezen volgorde van plaatsing ingevolge artikel 8, derde lid, van de Regeling landelijk sociaal statuut politie.
4.4.
Geen aanleiding bestaat tot toepassing van de hardheidsclausule buiten de Notitie en de Aanvulling om.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep
- vernietigt de aangevallen uitspraak;
- verklaart het beroep tegen het besluit van 9 juni 2017 ongegrond;
- veroordeelt de korpschef tot betaling aan betrokkene van een vergoeding van schade tot een bedrag van € 500,–;
- veroordeelt de Staat de Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) tot betaling aan betrokkene van een vergoeding van schade tot een bedrag van € 500,-;
- veroordeelt de korpschef in de proceskosten van betrokkene tot een bedrag van € 267,-.
Deze uitspraak is gedaan door C.H. Bangma, in tegenwoordigheid van M. Stumpel als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 juni 2021.
(getekend) C.H. Bangma
(getekend) M. Stumpel