Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2020-01-16
ECLI:NL:CRVB:2020:90
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
3,388 tokens
Inleiding
181725 AKW
Datum uitspraak: 16 januari 2020
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van
14 februari 2018, 17/4043 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)
Procesverloop
Namens appellante heeft mr. F.R.G. Keijzer, advocaat, hoger beroep ingesteld.
De Svb heeft een verweerschrift ingediend.
Appellante heeft een nader stuk ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 december 2019. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Keijzer. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door
mr. N. Zuidersma.
Overwegingen
1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.
1.1.
Appellante, geboren [in] 1966, is in 1998 naar Nederland gekomen en heeft de Nederlandse nationaliteit. In 2004 is appellante met haar gezin naar Spanje vertrokken. Enige tijd later heeft het gezin zich gevestigd in Marokko. In 2012 en 2013 heeft appellante zonder haar gezin acht maanden in Nederland verbleven, waarna zij weer vertrokken is naar Marokko.
1.2.
Op 29 februari 2016 is appellante teruggekeerd naar Nederland en is zij samen met haar kinderen [A.] (geboren [in] 1998), [B.] (geboren [in] 2001) en [C.] (geboren [in] 2006) geplaatst in een noodopvang van de GGD. Appellante heeft een uitkering krachtens de Participatiewet (Pw) aangevraagd en heeft zich ingeschreven voor een woning. De kinderen hebben sinds maart 2016 onderwijs in Nederland gevolgd.
1.3.
Bij aanvraag van 10 maart 2016 heeft appellante de Svb verzocht om toekenning van kinderbijslag ingevolge de Algemene Kinderbijslagwet (AKW). Bij besluit van 1 september 2016, gehandhaafd bij beslissing op bezwaar van 6 januari 2017 (bestreden besluit), heeft de Svb die aanvraag met ingang van het tweede kwartaal van 2016 afgewezen.
2. Bij de aangevallen uitspraak is het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat de Svb zich terecht op het standpunt heeft kunnen stellen dat appellante over het tweede en derde kwartaal van 2016 niet als ingezetene van Nederland kan worden beschouwd omdat appellante op de peildata nog geen duurzame band van persoonlijke aard met Nederland had. Appellante heeft het grootste deel van haar leven buiten Nederland gewoond en verbleef op de peildata nog maar relatief kort in Nederland. Voorts beschikte zij niet over een zelfstandige woonruimte, was zij aangewezen op een bijstandsuitkering en sprak zij de Nederlandse taal niet. De door appellante aangevoerde omstandigheden zijn tegenover deze genoemde omstandigheden onvoldoende om ingezetenschap aan te nemen. Appellante was daarom nog niet verzekerd voor de AKW.
3. Appellante heeft de aangevallen uitspraak gemotiveerd bestreden. Appellante heeft aangevoerd dat zij ten onrechte niet als ingezetene van Nederland wordt beschouwd. Appellante heeft voorheen langere tijd in Nederland gewoond en heeft de Nederlandse nationaliteit. Appellante heeft bewust voor Nederland gekozen. Haar ex-partner wilde echter een bedrijf in Spanje beginnen en appellante is met hem meegegaan. Daarna ging ze met hem mee naar Marokko. Vanwege spanningen in de relatie is appellante in 2012 en 2013 in Nederland geweest om woonruimte te zoeken voor haar kinderen. Dat lukt niet en appellante ging terug naar Marokko. Bij deze tweede poging om woonruimte te zoeken heeft appellante haar kinderen mee naar Nederland genomen. Appellante is inmiddels gescheiden van haar ex‑partner en er bestaat daarom geen reden om terug te keren naar Marokko. Haar volwassen dochter en zus wonen in Nederland en steunen appellante waar nodig. Van belang is voorts dat het gezinsleven van appellante en haar kinderen zich in Amsterdam afspeelt en dat de kinderen in Nederland naar school gaan. Appellante heeft verwezen naar de uitspraak van de Raad van 10 februari 2017 (ECLI:NL:CRVB:2017:2693) waarin volgens appellante sprake was van een vergelijkbare situatie.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Tussen partijen is in geschil of in het geval van appellante op de peildata 1 april 2016 en 1 juli 2016 sprake is van het bestaan van een duurzame band van persoonlijke aard tussen haar en Nederland en daarmee van ingezetenschap en verzekering ingevolge de AKW.
4.2.
Beoordeling
4.3.
Na de terugkeer van appellante en drie van haar kinderen Nederland in februari 2016 heeft appellante weliswaar gemeld dat de intentie bestond zich definitief weer in Nederland te willen vestigen, maar deze intentie wordt niet door andere objectieve factoren ondersteund. In dit verband is van belang dat appellante op de peildata nog maar kort in Nederland was. Zij verbleef in een noodopvang en had dus geen duurzaam tot haar beschikking staande woning. Voorts had appellante geen werk. Gelet op al deze feiten en omstandigheden is, anders dan in de door appellante genoemde uitspraak van 10 februari 2017 het geval was, per 1 april 2016 en 1 juli 2016 (nog) geen sprake van een duurzame band van persoonlijke aard met Nederland. Dat nadien sprake is geweest van toekenning van kinderbijslag per 1 januari 2017 doet aan het voorgaande niet af.
4.4.
Geconcludeerd wordt dat appellante op de peildata 1 april 2016 en 1 juli 2016 niet verzekerd was op grond van de AKW omdat zij niet als ingezetene van Nederland kon worden aangemerkt.
4.5.
Uit 4.1 tot en met 4.4 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak wordt bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J.J.T. van den Corput, in tegenwoordigheid van
B.V.K. de Louw als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 januari 2020.
(getekend) J.J.T. van den Corput
(getekend) B.V.K. de Louw
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH Den Haag) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over het begrip ingezetene.
Inleiding
181725 AKW
Datum uitspraak: 16 januari 2020
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van
14 februari 2018, 17/4043 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)
Procesverloop
Namens appellante heeft mr. F.R.G. Keijzer, advocaat, hoger beroep ingesteld.
De Svb heeft een verweerschrift ingediend.
Appellante heeft een nader stuk ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 december 2019. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Keijzer. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door
mr. N. Zuidersma.
Overwegingen
1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.
1.1.
Appellante, geboren [in] 1966, is in 1998 naar Nederland gekomen en heeft de Nederlandse nationaliteit. In 2004 is appellante met haar gezin naar Spanje vertrokken. Enige tijd later heeft het gezin zich gevestigd in Marokko. In 2012 en 2013 heeft appellante zonder haar gezin acht maanden in Nederland verbleven, waarna zij weer vertrokken is naar Marokko.
1.2.
Op 29 februari 2016 is appellante teruggekeerd naar Nederland en is zij samen met haar kinderen [A.] (geboren [in] 1998), [B.] (geboren [in] 2001) en [C.] (geboren [in] 2006) geplaatst in een noodopvang van de GGD. Appellante heeft een uitkering krachtens de Participatiewet (Pw) aangevraagd en heeft zich ingeschreven voor een woning. De kinderen hebben sinds maart 2016 onderwijs in Nederland gevolgd.
1.3.
Bij aanvraag van 10 maart 2016 heeft appellante de Svb verzocht om toekenning van kinderbijslag ingevolge de Algemene Kinderbijslagwet (AKW). Bij besluit van 1 september 2016, gehandhaafd bij beslissing op bezwaar van 6 januari 2017 (bestreden besluit), heeft de Svb die aanvraag met ingang van het tweede kwartaal van 2016 afgewezen.
2. Bij de aangevallen uitspraak is het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat de Svb zich terecht op het standpunt heeft kunnen stellen dat appellante over het tweede en derde kwartaal van 2016 niet als ingezetene van Nederland kan worden beschouwd omdat appellante op de peildata nog geen duurzame band van persoonlijke aard met Nederland had. Appellante heeft het grootste deel van haar leven buiten Nederland gewoond en verbleef op de peildata nog maar relatief kort in Nederland. Voorts beschikte zij niet over een zelfstandige woonruimte, was zij aangewezen op een bijstandsuitkering en sprak zij de Nederlandse taal niet. De door appellante aangevoerde omstandigheden zijn tegenover deze genoemde omstandigheden onvoldoende om ingezetenschap aan te nemen. Appellante was daarom nog niet verzekerd voor de AKW.
3. Appellante heeft de aangevallen uitspraak gemotiveerd bestreden. Appellante heeft aangevoerd dat zij ten onrechte niet als ingezetene van Nederland wordt beschouwd. Appellante heeft voorheen langere tijd in Nederland gewoond en heeft de Nederlandse nationaliteit. Appellante heeft bewust voor Nederland gekozen. Haar ex-partner wilde echter een bedrijf in Spanje beginnen en appellante is met hem meegegaan. Daarna ging ze met hem mee naar Marokko. Vanwege spanningen in de relatie is appellante in 2012 en 2013 in Nederland geweest om woonruimte te zoeken voor haar kinderen. Dat lukt niet en appellante ging terug naar Marokko. Bij deze tweede poging om woonruimte te zoeken heeft appellante haar kinderen mee naar Nederland genomen. Appellante is inmiddels gescheiden van haar ex‑partner en er bestaat daarom geen reden om terug te keren naar Marokko. Haar volwassen dochter en zus wonen in Nederland en steunen appellante waar nodig. Van belang is voorts dat het gezinsleven van appellante en haar kinderen zich in Amsterdam afspeelt en dat de kinderen in Nederland naar school gaan. Appellante heeft verwezen naar de uitspraak van de Raad van 10 februari 2017 (ECLI:NL:CRVB:2017:2693) waarin volgens appellante sprake was van een vergelijkbare situatie.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Tussen partijen is in geschil of in het geval van appellante op de peildata 1 april 2016 en 1 juli 2016 sprake is van het bestaan van een duurzame band van persoonlijke aard tussen haar en Nederland en daarmee van ingezetenschap en verzekering ingevolge de AKW.
4.2.
Beoordeling
4.3.
Na de terugkeer van appellante en drie van haar kinderen Nederland in februari 2016 heeft appellante weliswaar gemeld dat de intentie bestond zich definitief weer in Nederland te willen vestigen, maar deze intentie wordt niet door andere objectieve factoren ondersteund. In dit verband is van belang dat appellante op de peildata nog maar kort in Nederland was. Zij verbleef in een noodopvang en had dus geen duurzaam tot haar beschikking staande woning. Voorts had appellante geen werk. Gelet op al deze feiten en omstandigheden is, anders dan in de door appellante genoemde uitspraak van 10 februari 2017 het geval was, per 1 april 2016 en 1 juli 2016 (nog) geen sprake van een duurzame band van persoonlijke aard met Nederland. Dat nadien sprake is geweest van toekenning van kinderbijslag per 1 januari 2017 doet aan het voorgaande niet af.
4.4.
Geconcludeerd wordt dat appellante op de peildata 1 april 2016 en 1 juli 2016 niet verzekerd was op grond van de AKW omdat zij niet als ingezetene van Nederland kon worden aangemerkt.
4.5.
Uit 4.1 tot en met 4.4 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak wordt bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J.J.T. van den Corput, in tegenwoordigheid van
B.V.K. de Louw als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 januari 2020.
(getekend) J.J.T. van den Corput
(getekend) B.V.K. de Louw
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH Den Haag) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over het begrip ingezetene.