Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2020-02-28
ECLI:NL:CRVB:2020:508
Bestuursrecht; Ambtenarenrecht
Hoger beroep
2,840 tokens
Inleiding
191423 AW
Datum uitspraak: 28 februari 2020
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van
15 februari 2019, 17/3694 (aangevallen uitspraak) en op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Minister van Defensie, thans de Staatssecretaris van Defensie (staatssecretaris)
Procesverloop
Dit geding, dat aanvankelijk is gevoerd ten name van de Minister van Defensie, is in verband met een wijziging van taken voortgezet ten name van de Staatssecretaris van Defensie. Waar in deze uitspraak wordt gesproken van staatssecretaris, wordt daaronder in voorkomend geval (mede) verstaan de Minister van Defensie.
Namens appellant heeft mr. C.M.A. Mertens hoger beroep ingesteld en een verzoek om schadevergoeding ingediend.
De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.
Appellant heeft een nader stuk ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 januari 2020. Appellant is niet verschenen. De staatssecretaris heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. S.R.M. van Haren.
Overwegingen
1.1.
Appellant is per 7 juli 2009 tewerkgesteld bij het voormalige [commando] van het Ministerie van Defensie. Hij was als [functie 1] ([functie 1]) werkzaam bij de [opleiding] te [A.]. Bij besluiten van 17 september 2013 en 18 november 2015 is aan appellant de functie van [functie 2] toegewezen. Appellant heeft tegen deze besluiten geen rechtsmiddelen aangewend. Deze besluiten staan daarom in rechte vast.
1.2.
Bij besluit van 31 oktober 2016 heeft de staatssecretaris bepaald dat appellant per
1 december 2016 moet gaan werken volgens het voor zijn functie geldende standaardrooster van de Defensie Bewakings- en Beveiligingsorganisatie (DBBO). Dit betekent dat appellant ook nachtdiensten moet verrichten en ook op andere locaties als [functie 1] ingezet kan worden.
1.3.
Bij besluit van 22 februari 2017 heeft de staatssecretaris de toelage onregelmatige dienst vanwege de roosterwijziging per 6 maart 2017 gewijzigd (lees: verhoogd) naar 28,92%.
1.4.
Bij besluit van 21 september 2017 (bestreden besluit) heeft de staatssecretaris de tegen de besluiten van 31 oktober 2016 en 22 februari 2017 gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. In hoger beroep heeft appellant zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Hij heeft met een beroep op het vertrouwensbeginsel betoogd dat hij geen nachtdiensten hoeft te verrichten. Verder heeft appellant een niet nader onderbouwd verzoek om schadevergoeding gedaan.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Ter zitting van de Raad is gebleken dat de staatssecretaris appellant op diens verzoek per 1 november 2019 eervol ontslag heeft verleend. Dit roept de vraag op of er nog sprake is van (voldoende) procesbelang.
4.2.
Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 17 augustus 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:2830) is sprake van (voldoende) procesbelang als het resultaat dat de indiener van het (hoger) beroepschrift met het indienen van het (hoger) beroep nastreeft, daadwerkelijk kan worden bereikt en het realiseren van dat resultaat voor de indiener feitelijke betekenis kan hebben. Daarbij heeft de Raad meermalen uitgesproken dat hij is geroepen tot beslechting van geschillen en niet tot beantwoording van uitsluitend principiële vragen (zie bijvoorbeeld zijn uitspraak van 3 juli 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:815). Het hebben van een louter formeel of principieel belang is onvoldoende voor het aannemen van voldoende procesbelang. Volgens eveneens vaste rechtspraak (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 4 juni 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:CA3207) kan de omstandigheid dat schade is geleden als gevolg van de bestuurlijke besluitvorming tot het oordeel leiden dat er nog sprake is van procesbelang. Daarvoor is vereist dat de stelling dat schade is geleden als gevolg van de bestuurlijke besluitvorming niet op voorhand onaannemelijk is.
4.3.
Nu appellant niet meer werkzaam is voor Defensie kan een oordeel van de Raad over het al dan niet moeten verrichten van nachtdiensten voor hem geen feitelijke betekenis meer hebben. De Raad acht het verder op voorhand onaannemelijk dat appellant als gevolg van de betwiste besluitvorming schade heeft geleden.
4.4.
Uit 4.1 tot en met 4.3 volgt dat appellant geen procesbelang (meer) heeft bij zijn hoger beroep. De Raad zal het hoger beroep daarom niet-ontvankelijk verklaren. De Raad zal het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade afwijzen.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep
- verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;
- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.
Deze uitspraak is gedaan door H. Benek, in tegenwoordigheid van A.A.H. Ibrahim als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 februari 2020.
(getekend) H. Benek
(getekend) A.A.H. Ibrahim
Inleiding
191423 AW
Datum uitspraak: 28 februari 2020
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van
15 februari 2019, 17/3694 (aangevallen uitspraak) en op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Minister van Defensie, thans de Staatssecretaris van Defensie (staatssecretaris)
Procesverloop
Dit geding, dat aanvankelijk is gevoerd ten name van de Minister van Defensie, is in verband met een wijziging van taken voortgezet ten name van de Staatssecretaris van Defensie. Waar in deze uitspraak wordt gesproken van staatssecretaris, wordt daaronder in voorkomend geval (mede) verstaan de Minister van Defensie.
Namens appellant heeft mr. C.M.A. Mertens hoger beroep ingesteld en een verzoek om schadevergoeding ingediend.
De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.
Appellant heeft een nader stuk ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 januari 2020. Appellant is niet verschenen. De staatssecretaris heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. S.R.M. van Haren.
Overwegingen
1.1.
Appellant is per 7 juli 2009 tewerkgesteld bij het voormalige [commando] van het Ministerie van Defensie. Hij was als [functie 1] ([functie 1]) werkzaam bij de [opleiding] te [A.]. Bij besluiten van 17 september 2013 en 18 november 2015 is aan appellant de functie van [functie 2] toegewezen. Appellant heeft tegen deze besluiten geen rechtsmiddelen aangewend. Deze besluiten staan daarom in rechte vast.
1.2.
Bij besluit van 31 oktober 2016 heeft de staatssecretaris bepaald dat appellant per
1 december 2016 moet gaan werken volgens het voor zijn functie geldende standaardrooster van de Defensie Bewakings- en Beveiligingsorganisatie (DBBO). Dit betekent dat appellant ook nachtdiensten moet verrichten en ook op andere locaties als [functie 1] ingezet kan worden.
1.3.
Bij besluit van 22 februari 2017 heeft de staatssecretaris de toelage onregelmatige dienst vanwege de roosterwijziging per 6 maart 2017 gewijzigd (lees: verhoogd) naar 28,92%.
1.4.
Bij besluit van 21 september 2017 (bestreden besluit) heeft de staatssecretaris de tegen de besluiten van 31 oktober 2016 en 22 februari 2017 gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. In hoger beroep heeft appellant zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Hij heeft met een beroep op het vertrouwensbeginsel betoogd dat hij geen nachtdiensten hoeft te verrichten. Verder heeft appellant een niet nader onderbouwd verzoek om schadevergoeding gedaan.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Ter zitting van de Raad is gebleken dat de staatssecretaris appellant op diens verzoek per 1 november 2019 eervol ontslag heeft verleend. Dit roept de vraag op of er nog sprake is van (voldoende) procesbelang.
4.2.
Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 17 augustus 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:2830) is sprake van (voldoende) procesbelang als het resultaat dat de indiener van het (hoger) beroepschrift met het indienen van het (hoger) beroep nastreeft, daadwerkelijk kan worden bereikt en het realiseren van dat resultaat voor de indiener feitelijke betekenis kan hebben. Daarbij heeft de Raad meermalen uitgesproken dat hij is geroepen tot beslechting van geschillen en niet tot beantwoording van uitsluitend principiële vragen (zie bijvoorbeeld zijn uitspraak van 3 juli 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:815). Het hebben van een louter formeel of principieel belang is onvoldoende voor het aannemen van voldoende procesbelang. Volgens eveneens vaste rechtspraak (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 4 juni 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:CA3207) kan de omstandigheid dat schade is geleden als gevolg van de bestuurlijke besluitvorming tot het oordeel leiden dat er nog sprake is van procesbelang. Daarvoor is vereist dat de stelling dat schade is geleden als gevolg van de bestuurlijke besluitvorming niet op voorhand onaannemelijk is.
4.3.
Nu appellant niet meer werkzaam is voor Defensie kan een oordeel van de Raad over het al dan niet moeten verrichten van nachtdiensten voor hem geen feitelijke betekenis meer hebben. De Raad acht het verder op voorhand onaannemelijk dat appellant als gevolg van de betwiste besluitvorming schade heeft geleden.
4.4.
Uit 4.1 tot en met 4.3 volgt dat appellant geen procesbelang (meer) heeft bij zijn hoger beroep. De Raad zal het hoger beroep daarom niet-ontvankelijk verklaren. De Raad zal het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade afwijzen.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep
- verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;
- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.
Deze uitspraak is gedaan door H. Benek, in tegenwoordigheid van A.A.H. Ibrahim als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 februari 2020.
(getekend) H. Benek
(getekend) A.A.H. Ibrahim