Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2020-02-19
ECLI:NL:CRVB:2020:348
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
3,914 tokens
Inleiding
184654 WSF
Datum uitspraak: 19 februari 2020
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 13 juli 2018, 17/4655 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (minister)
Procesverloop
Namens appellante heeft mr. M. Raaijmakers, advocaat, hoger beroep ingesteld.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 januari 2020. Voor appellante is mr. Raaijmakers verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. B.C. Rots.
Overwegingen
1.1.
De minister heeft aan appellante vanaf september 2016 studiefinanciering op grond van de Wet studiefinanciering 2000 toegekend, waaronder een aanvullende beurs.
1.2.
Appellante heeft op 15 januari 2017 bij de minister een aanvraag ingediend om bij de vaststelling van de aanvullende beurs vanaf 1 september 2016 geen rekening te houden met het inkomen van haar vader (verzoek om loskoppeling), omdat sprake is van een ernstig en structureel conflict tussen haar en haar vader.
1.3.
Bij besluit van 19 juni 2017 heeft de minister vastgesteld dat voldaan is aan de conflicteis van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder a, van het Besluit studiefinanciering 2000 (Bsf 2000) zodat bij de berekening van de aanvullende beurs van appellante met ingang van 1 januari 2017 geen rekening (meer) wordt gehouden met het inkomen van haar vader. Daarbij heeft de minister onder toepassing van artikel 12 van het Bsf 2000 bepaald dat over de periode van 1 januari 2017 tot en met 31 januari 2019 (de maand waarin appellante de leeftijd van 21 jaar bereikt) de ten laste van haar vader vastgestelde (geïndexeerde) alimentatie in de plaats wordt gesteld van zijn veronderstelde ouderlijke bijdrage. Dat betekent dat de aanvullende beurs over 2017 wordt verminderd met een bedrag van € 152,21 per maand. Omdat een berekening op basis van de vastgestelde geïndexeerde alimentatie in 2016 leidt tot een lager bedrag aan aanvullende beurs over de periode van 1 september 2016 tot en met 31 december 2016 dan het bedrag dat op basis van de (totale) veronderstelde ouderlijke bijdrage over 2016 van € 29,62 per maand wordt berekend, heeft de minister de ingangsdatum van de loskoppeling vastgesteld op 1 januari 2017.
1.4.
De minister heeft het door appellante tegen het besluit van 19 juni 2017 gemaakte bezwaar bij besluit van 7 september 2017 (bestreden besluit) gegrond verklaard voor zover het betreft de hoogte van de alimentatie die in 2017 op de aanvullende beurs in mindering wordt gebracht en dit bedrag nader vastgesteld op € 151,01 per maand. Voor het overige is het bezwaar ongegrond verklaard. Uit de gegevens van het Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen blijkt dat er bedragen aan alimentatie zijn geïnd zodat er geen sprake is van oninbare alimentatie gedurende één jaar.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe is overwogen dat de regelgever in artikel 12 van het Bsf 2000, gelezen in samenhang met de toelichting daarop, voor het aannemen van draagkracht uit alimentatie gekozen heeft voor de (gerechtelijk) vastgestelde (geïndexeerde) alimentatiebedragen en niet voor de feitelijk ontvangen alimentatiebedragen. Ontvangst van de vastgestelde alimentatie wordt verondersteld. Hiervan wordt alleen afgeweken indien, uit een verklaring van een bevoegde instantie, blijkt dat de vastgestelde alimentatie sinds ten minste een jaar volledig oninbaar is gebleken. Dat de uitzondering inzake oninbaarheid niet tevens ziet op partieel oninbaar gebleken alimentatie blijkt uit de omstandigheid dat de regelgever in het Bsf 2000 geen aanvullende regeling heeft getroffen waardoor bij partieel oninbaar gebleken alimentatie voor de draagkracht uit alimentatie, in plaats van de vastgestelde alimentatie, wordt uitgegaan van de geïnde bedragen. Verder is overwogen dat volgens vaste rechtspraak (onder meer de uitspraak van de Raad van 12 februari 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:487) de hardheidsclausule de minister niet de mogelijkheid biedt een uitzondering te maken op een wettelijke bepaling indien de onverkorte toepassing daarvan in het concrete geval in overeenstemming is te achten met de bedoeling van de regelgever en de strekking van de regeling. Indien partiële inning van alimentatie plaatsvindt dan kan, zij het met (grote) vertraging, de vastgestelde alimentatie worden geïnd. Het is niet verenigbaar met het doel en de strekking van de regeling dat een (hogere) aanvullende beurs wordt verstrekt door het gedeeltelijk voorbijgaan aan een vastgestelde alimentatieverplichting terwijl de voldoening aan deze verplichting wel kan worden afgedwongen. Appellante heeft voorts de mogelijkheid om in aanvulling op de prestatiebeurs studiefinanciering aan te vragen in de vorm van een rentedragende lening.
3. Appellante heeft in hoger beroep aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte tot het oordeel is gekomen dat de minister het vastgestelde bedrag aan alimentatie in aanmerking mag nemen bij de berekening van de aanvullende beurs. Er is weliswaar geen sprake van volledig oninbare alimentatie maar dat neemt niet weg dat gekeken moet worden naar het bedrag dat daadwerkelijk aan alimentatie is ontvangen. Appellante heeft over de jaren 2016 en 2017 gemiddeld per maand ongeveer 25% van de vastgestelde alimentatie ontvangen. De ontvangen bedragen zijn dusdanig laag dat het neerkomt op het verkrijgen van geen alimentatie. Appellante stelt dat haar vader bewust een klein deel van de alimentatie heeft laten innen om zo te voorkomen dat appellante een hogere aanvullende beurs ontvangt om op die manier ‘wraak’ te nemen op appellante en haar moeder. Het is onbillijk dat appellante daarvan de dupe wordt zodat toepassing van de hardheidsclausule aangewezen is.
4. De Raad oordeelt als volgt.
4.1.
Wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd is grotendeels een herhaling van de in beroep aangevoerde gronden. De rechtbank heeft wat in beroep is aangevoerd, en wat in hoger beroep is herhaald, in de aangevallen uitspraak besproken en gemotiveerd waarom die gronden niet leiden tot vernietiging van het bestreden besluit. De Raad onderschrijft de overwegingen die tot het oordeel in de aangevallen uitspraak hebben geleid. Deze overwegingen zijn volledig in overeenstemming met de door de Raad gegeven uitleg van artikel 12 van het Bsf 2000 in zijn uitspraken van 5 juli 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:2588 en 16 augustus 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:2818.
4.2.
De stelling van appellante over de intenties van haar vader levert, wat er zij van de juistheid van die stelling, geen reden op voor toepassing van de hardheidsclausule.
4.3.
Uit 4.1 en 4.2 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J.P.A. Boersma, in tegenwoordigheid van C.M. van de Ven als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 februari 2020.
(getekend) J.P.A. Boersma
(getekend) C.M. van de Ven
Inleiding
184654 WSF
Datum uitspraak: 19 februari 2020
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 13 juli 2018, 17/4655 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (minister)
Procesverloop
Namens appellante heeft mr. M. Raaijmakers, advocaat, hoger beroep ingesteld.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 januari 2020. Voor appellante is mr. Raaijmakers verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. B.C. Rots.
Overwegingen
1.1.
De minister heeft aan appellante vanaf september 2016 studiefinanciering op grond van de Wet studiefinanciering 2000 toegekend, waaronder een aanvullende beurs.
1.2.
Appellante heeft op 15 januari 2017 bij de minister een aanvraag ingediend om bij de vaststelling van de aanvullende beurs vanaf 1 september 2016 geen rekening te houden met het inkomen van haar vader (verzoek om loskoppeling), omdat sprake is van een ernstig en structureel conflict tussen haar en haar vader.
1.3.
Bij besluit van 19 juni 2017 heeft de minister vastgesteld dat voldaan is aan de conflicteis van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder a, van het Besluit studiefinanciering 2000 (Bsf 2000) zodat bij de berekening van de aanvullende beurs van appellante met ingang van 1 januari 2017 geen rekening (meer) wordt gehouden met het inkomen van haar vader. Daarbij heeft de minister onder toepassing van artikel 12 van het Bsf 2000 bepaald dat over de periode van 1 januari 2017 tot en met 31 januari 2019 (de maand waarin appellante de leeftijd van 21 jaar bereikt) de ten laste van haar vader vastgestelde (geïndexeerde) alimentatie in de plaats wordt gesteld van zijn veronderstelde ouderlijke bijdrage. Dat betekent dat de aanvullende beurs over 2017 wordt verminderd met een bedrag van € 152,21 per maand. Omdat een berekening op basis van de vastgestelde geïndexeerde alimentatie in 2016 leidt tot een lager bedrag aan aanvullende beurs over de periode van 1 september 2016 tot en met 31 december 2016 dan het bedrag dat op basis van de (totale) veronderstelde ouderlijke bijdrage over 2016 van € 29,62 per maand wordt berekend, heeft de minister de ingangsdatum van de loskoppeling vastgesteld op 1 januari 2017.
1.4.
De minister heeft het door appellante tegen het besluit van 19 juni 2017 gemaakte bezwaar bij besluit van 7 september 2017 (bestreden besluit) gegrond verklaard voor zover het betreft de hoogte van de alimentatie die in 2017 op de aanvullende beurs in mindering wordt gebracht en dit bedrag nader vastgesteld op € 151,01 per maand. Voor het overige is het bezwaar ongegrond verklaard. Uit de gegevens van het Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen blijkt dat er bedragen aan alimentatie zijn geïnd zodat er geen sprake is van oninbare alimentatie gedurende één jaar.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe is overwogen dat de regelgever in artikel 12 van het Bsf 2000, gelezen in samenhang met de toelichting daarop, voor het aannemen van draagkracht uit alimentatie gekozen heeft voor de (gerechtelijk) vastgestelde (geïndexeerde) alimentatiebedragen en niet voor de feitelijk ontvangen alimentatiebedragen. Ontvangst van de vastgestelde alimentatie wordt verondersteld. Hiervan wordt alleen afgeweken indien, uit een verklaring van een bevoegde instantie, blijkt dat de vastgestelde alimentatie sinds ten minste een jaar volledig oninbaar is gebleken. Dat de uitzondering inzake oninbaarheid niet tevens ziet op partieel oninbaar gebleken alimentatie blijkt uit de omstandigheid dat de regelgever in het Bsf 2000 geen aanvullende regeling heeft getroffen waardoor bij partieel oninbaar gebleken alimentatie voor de draagkracht uit alimentatie, in plaats van de vastgestelde alimentatie, wordt uitgegaan van de geïnde bedragen. Verder is overwogen dat volgens vaste rechtspraak (onder meer de uitspraak van de Raad van 12 februari 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:487) de hardheidsclausule de minister niet de mogelijkheid biedt een uitzondering te maken op een wettelijke bepaling indien de onverkorte toepassing daarvan in het concrete geval in overeenstemming is te achten met de bedoeling van de regelgever en de strekking van de regeling. Indien partiële inning van alimentatie plaatsvindt dan kan, zij het met (grote) vertraging, de vastgestelde alimentatie worden geïnd. Het is niet verenigbaar met het doel en de strekking van de regeling dat een (hogere) aanvullende beurs wordt verstrekt door het gedeeltelijk voorbijgaan aan een vastgestelde alimentatieverplichting terwijl de voldoening aan deze verplichting wel kan worden afgedwongen. Appellante heeft voorts de mogelijkheid om in aanvulling op de prestatiebeurs studiefinanciering aan te vragen in de vorm van een rentedragende lening.
3. Appellante heeft in hoger beroep aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte tot het oordeel is gekomen dat de minister het vastgestelde bedrag aan alimentatie in aanmerking mag nemen bij de berekening van de aanvullende beurs. Er is weliswaar geen sprake van volledig oninbare alimentatie maar dat neemt niet weg dat gekeken moet worden naar het bedrag dat daadwerkelijk aan alimentatie is ontvangen. Appellante heeft over de jaren 2016 en 2017 gemiddeld per maand ongeveer 25% van de vastgestelde alimentatie ontvangen. De ontvangen bedragen zijn dusdanig laag dat het neerkomt op het verkrijgen van geen alimentatie. Appellante stelt dat haar vader bewust een klein deel van de alimentatie heeft laten innen om zo te voorkomen dat appellante een hogere aanvullende beurs ontvangt om op die manier ‘wraak’ te nemen op appellante en haar moeder. Het is onbillijk dat appellante daarvan de dupe wordt zodat toepassing van de hardheidsclausule aangewezen is.
4. De Raad oordeelt als volgt.
4.1.
Wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd is grotendeels een herhaling van de in beroep aangevoerde gronden. De rechtbank heeft wat in beroep is aangevoerd, en wat in hoger beroep is herhaald, in de aangevallen uitspraak besproken en gemotiveerd waarom die gronden niet leiden tot vernietiging van het bestreden besluit. De Raad onderschrijft de overwegingen die tot het oordeel in de aangevallen uitspraak hebben geleid. Deze overwegingen zijn volledig in overeenstemming met de door de Raad gegeven uitleg van artikel 12 van het Bsf 2000 in zijn uitspraken van 5 juli 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:2588 en 16 augustus 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:2818.
4.2.
De stelling van appellante over de intenties van haar vader levert, wat er zij van de juistheid van die stelling, geen reden op voor toepassing van de hardheidsclausule.
4.3.
Uit 4.1 en 4.2 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J.P.A. Boersma, in tegenwoordigheid van C.M. van de Ven als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 februari 2020.
(getekend) J.P.A. Boersma
(getekend) C.M. van de Ven