Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2020-12-23
ECLI:NL:CRVB:2020:3317
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
2,325 tokens
Inleiding
19 797 WIA
Datum uitspraak: 23 december 2020
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 29 januari 2019, 18/750 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Procesverloop
Namens appellant heeft mr. E. Akdeniz, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft via videobellen plaatsgevonden op 11 november 2020. Daaraan hebben deelgenomen appellant, bijgestaan door mr. Akdeniz, en M.P.W.M. Wiertz namens het Uwv.
Overwegingen
1.1.
Appellant is werkzaam geweest als magazijn medewerker, heftruckchauffeur voor 36,30 uur per week. Op 2 april 2013 heeft hij zich ziekgemeld wegens nek-, rug- en schouderklachten met uitstraling naar de benen als gevolg van bedrijfsongeval. Na afloop van de wachttijd is hij met ingang van 31 maart 2015 in aanmerking gebracht voor een loongerelateerde WGA-uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). De mate van arbeidsongeschiktheid is daarbij bepaald op 36%. Met ingang van 1 oktober 2016 is de loongerelateerde uitkering omgezet in een
WGA-vervolguitkering. De mate van arbeidsongeschiktheid is niet gewijzigd.
1.2.
Appellant heeft zich per 12 mei 2016 toegenomen arbeidsongeschikt gemeld vanwege toegenomen klachten na een verkeerongeval. Een verzekeringsarts heeft appellant onderzocht en vastgesteld dat de eerder vastgestelde Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van
19 februari 2015, waarin appellant beperkt is geacht voor rug-, nek- en schoudersparend werk, onveranderd van toepassing blijft. De belastbaarheid en beperkingen van appellant zijn geactualiseerd in een FML van 26 juli 2016. Een arbeidsdeskundige heeft vervolgens voorbeeldfuncties geselecteerd op basis waarvan de mate van arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op 45,51%. Bij besluit van 11 augustus 2016 heeft het Uwv vastgesteld dat vanaf 12 augustus 2016 de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant 45,51% bedraagt.
1.3.
Naar aanleiding van een melding van appellant dat zijn gezondheid met ingang van
15 februari 2017 is verslechterd, is hij op 17 maart 2017 gezien door een verzekeringsarts. Deze arts is tot de conclusie gekomen dat naar aanleiding van kleine ongevallen in de privesfeer, op basis van eigen onderzoeksbevindingen en informatie van de behandelend sector, niet is komen vast te staan dat appellant aanmerkelijk lichamelijk dan wel psychisch verminderd belastbaar is geraakt. De verzekeringsarts heeft de belastbaarheid weergegeven in een FML van 13 april 2017. Vervolgens is een arbeidsdeskundige tot de conclusie gekomen dat appellant nog steeds niet geschikt is voor zijn eigen werk maar wel geschikt voor andere functies. Op basis van de drie functies met de hoogste lonen heeft de arbeidsdeskundige de mate van arbeidsongeschiktheid berekend op 3,62%. Bij besluit van 3 mei 2017 is vastgesteld dat appellant met ingang van 4 juli 2017 geen recht meer heeft op een WIA-uitkering omdat de mate van arbeidsongeschitkheid op minder dan 35% is vastgesteld. Het bezwaar van appellant tegen dit besluit heeft het Uwv bij besluit van 16 febuari 2018 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft de conclusies van de primaire verzekeringsarts onderschreven. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft op basis van deels nieuwe functies de mate van arbeidsongeschiktheid vastgesteld op 21,45%.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat gelet op de onderzoeksactiviteiten die door de verzekeringsartsen van het Uwv zijn uitgevoerd het medisch onderzoek voldoende zorgvuldig is geweest. De rechtbank heeft voorts geen aanleiding gezien om te oordelen dat de medische beoordeling onjuist is geweest. De verzekeringsartsen waren bekend met de nek, rug- en schouderklachten als ook de psychische klachten van appellant en er is geen reden om aan te nemen dat het Uwv de hiermee verband houdende objectiveerbare beperkingen heeft onderschat. Voorts heeft appellant geen medische onderbouwing gegeven dat voor de door hem ervaren vermoeidheidsklachten, als ook de hartklachten en het hand- en vingergebruik, op de datum in geding beperkingen dienen te worden vastgesteld. Slechts indien en voor zover klachten zijn terug te voeren op enige, objectief medisch aantoonbare, ziekte of gebrek leidt dit volgens het wettelijk systeem tot het aannemen van beperkingen. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft volgens de rechtbank afdoende gemotiveerd dat de geselecteerde functies geschikt zijn voor appellant. De rechtbank volgt appellant niet in zijn betoog dat zijn beheersing van de Nederlandse taal een belemmering vormt voor het verrichten van de functies.
3.1.
Appellant heeft in hoger beroep herhaald dat het Uwv zijn beperkingen heeft onderschat. Er is onvoldoende rekening gehouden met de fysieke problematiek van appellant, waaronder nek-, rug- en schouderklachten. Er is aanvullende informatie verstrekt over de hartklachten waaruit blijkt dat appellant in Turkije onwel is geworden waarna er een reanimatie heeft plaatsgevonden. Vanwege hartklachten heeft appellant vermoeidheidsklachten. Ook zijn de hand- en vingerklachten onderschat. Voorts is sprake van psychische klachten. Bij appellant is een depressieve stoornis vastgesteld waarmee in de FML onvoldoende rekening is gehouden. Gelet op zijn fysieke en psychische klachten is appellant niet in staat om 8 uur per dag en
40 uur per week te werken. Een urenbeperking is daarom geïndiceerd. Gelet op zijn klachten acht appellant zich volledig arbeidsongeschikt. Tot slot heeft appellant aangevoerd dat de voor hem geselecteerde functies vanwege zijn klachten niet geschikt zijn als ook vanwege zijn slechte beheersing van de Nederlandse taal.
3.2.
Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
In geschil is of het Uwv de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant in de zin van de Wet WIA terecht met ingang van 4 juli 2017 heeft vastgesteld op minder dan 35% en terecht de WGA-uitkering van appellant heeft beëindigd.
4.2.
De gronden die appellant in hoger beroep heeft aangevoerd zijn in essentie een herhaling van wat hij in beroep heeft aangevoerd. Met de rechtbank wordt geoordeeld dat het medisch onderzoek door het Uwv zorgvuldig is geweest en dat er geen aanleiding bestaat om te twijfelen aan de juistheid van de conclusies van de verzekeringsartsen (bezwaar en beroep). De door appellant bij zijn melding van toegenomen arbeidsongeschiktheid en in bezwaar overgelegde informatie is uitdrukkelijk betrokken en meegewogen door de verzekeringsartsen. Zij hebben appellant naar aanleiding van de gemelde toegenomen rug- en schouderklachten onderzocht. Zij hebben overtuigend gemotiveerd, dat gelet op de ziektegeschiedenis, de overgelegde informatie en de bevindingen bij hun eigen onderzoek, in de FML van 13 april 2017 in voldoende mate rekening wordt gehouden met de medisch objectiveerbare afwijkingen. Voorts heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep deugdelijk gemotiveerd dat appellant niet voldeed aan de criteria om geen benutbare mogelijkheden aan te kunnen nemen. Wat betreft de psychische klachten is voldoende gemotiveerd dat uit de informatie van de psychiater niet meer of andere beperkingen voortvloeien dan neergelegd in de FML. Met de rechtbank wordt voorts overwogen dat appellant zijn stelling dat op de datum in geding onvoldoende rekening is gehouden met de hartklachten, de vermoeidheidsklachten, de klachten van fibromyalie en hand- en vingerklachten, niet met medische gegevens heeft onderbouwd. Appellant heeft voor zijn hartklachten verwezen naar de informatie van de SEH in Turkije uit 2013. Deze informatie ligt geruime tijd voor de datum in geding en was bekend bij de verzekeringsartsen. Appellant heeft over deze klachten geen andere informatie betrekking hebbend op de datum in geding, ingezonden. Ook met betrekking tot de overige genoemde klachten heeft appellant geen medische stukken ingezonden.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door E. Dijt, in tegenwoordigheid van M. Graveland als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 december 2020.
(getekend) E. Dijt
(getekend) M. Graveland