Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2020-02-18
ECLI:NL:CRVB:2020:318
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
2,366 tokens
Inleiding
18 2773 PW
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Datum uitspraak: 18 februari 2020
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 16 april 2018, 17/5236 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
het college van burgemeester en wethouders van Lansingerland (college)
Procesverloop
Namens appellante heeft mr. J.M.G. Hulsman, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft tezamen met de zaken 18/2774 PW, 18/2776 PW en 19/88 PW plaatsgehad op 12 november 2019. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Hulsman. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A. Blok. In de zaken 18/2774 PW en 18/2776 PW wordt heden afzonderlijk uitspraak gedaan, in zaak 19/88 PW is ter zitting een schikking tot stand gekomen.
Overwegingen
1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1.
Appellante ontving met ingang van 14 januari 2014 bijstand, laatstelijk op grond van de Participatiewet (PW).
1.2.
Bij besluit van 13 oktober 2015, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 22 december 2015, heeft het college de bijstand van appellante met ingang van 6 oktober 2015 ingetrokken. Aan deze besluitvorming heeft het college ten grondslag gelegd dat appellante, ondanks herhaaldelijke verzoeken daartoe, geen controleerbare gegevens heeft overgelegd over haar verblijfplaats. Daarmee heeft zij de op haar rustende inlichtingenverplichting geschonden, als gevolg waarvan het recht op bijstand niet langer kan worden vastgesteld.
1.3.
Hangende het beroep tegen het besluit van 22 december 2015 heeft appellante de voorzieningenrechter van de rechtbank (voorzieningenrechter) verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Bij uitspraak van 1 februari 2016, 15/8352, heeft de voorzieningenrechter dit verzoek toegewezen in die zin dat het college appellante vanaf 31 december 2015 bijstand moet verstrekken naar de voor haar geldende norm totdat de rechtbank in de hoofdzaak uitspraak heeft gedaan. Ter uitvoering van deze uitspraak heeft het college bij besluit van 4 februari 2016, onder verwijzing naar artikel 52 van de PW, appellante met ingang van 31 december 2015 bijstand verleend naar de norm voor een alleenstaande. Het college heeft deze bijstandsnorm met 20% verlaagd op de grond dat appellante geen woonkosten heeft.
1.4.
Bij uitspraak van 7 oktober 2016, 15/8351, heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 22 december 2015 ongegrond verklaard. Deze uitspraak heeft de Raad bevestigd bij uitspraak van 22 januari 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:380.
1.5.
Bij besluit van 6 februari 2017, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 4 augustus 2017 (bestreden besluit), heeft het college met toepassing van artikel 58, tweede lid, aanhef en onder d, van de PW de over de periode van 31 december 2015 tot 1 november 2016 ter uitvoering van de voorlopige voorziening verstrekte bijstand van appellante teruggevorderd tot een bedrag van € 7.767,53. Aan het bestreden besluit heeft het college ten grondslag gelegd dat er geen dringende redenen zijn om van terugvordering af te zien. Niet is gebleken dat de terugvordering voor appellante onaanvaardbare sociale of financiële gevolgen heeft. Financiële gevolgen van een besluit tot terugvordering doen zich in het algemeen pas voor indien daadwerkelijk tot invordering wordt overgegaan. In dat kader heeft appellante de bescherming van de regels over de beslagvrije voet. Bovendien is de invordering opgeschort.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Hiertoe heeft de rechtbank het volgende overwogen, waarbij voor eiseres appellante moet worden gelezen:
“4.1. [...] Het geschil spitst zich toe op de vraag of er dringende redenen zijn om van de terugvordering af te zien.
4.2
Het beroep op de dringende redenen slaagt niet. Uit vaste rechtspraak volgt dat dringende redenen als bedoeld in artikel 58, achtste lid, van de PWw aan de orde zijn indien terugvordering tot onaanvaardbare maatschappelijke of financiële consequenties voor de betrokkene zou leiden. Het moet gaan om incidentele gevallen, waarin iets bijzonders en uitzonderlijks aan de hand is en waarin een individuele afweging plaatsvindt van alle relevante omstandigheden. Degene die zich beroept op dringende redenen om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien, zal het bestaan van de gestelde dringende redenen in de hiervoor bedoelde zin aannemelijk moeten maken (zie de uitspraken van de Centrale Raad van Beroep (CRVB) van 4 april 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:1260 en van 27 juni 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:2331). De door eiseres aangevoerde persoonlijke financiële omstandigheden, te weten schulden en het vooruitzicht dat zij die in de nabije en verdere toekomst niet zal kunnen terugbetalen alsmede haar gezondheidssituatie vormen geen dringende redenen in vorenbedoelde zin om af te zien van gebruikmaking van de bevoegdheid tot terugvordering. Daarbij betrekt de rechtbank dat eiseres ter zitting heeft verklaard dat er (nog) niet wordt ingevorderd. Financiële gevolgen van een besluit tot terugvordering doen zich immers in het algemeen pas voor indien daadwerkelijk tot invordering wordt overgegaan. In dat kader wordt eiseres als schuldenaar beschermd, of kan zij die bescherming zo nodig inroepen, door de regels over de beslagvrije voet als neergelegd in de artikelen 475b tot en met 475e van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (zie de uitspraak van de CRVB van 25 oktober 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:4088).”
3. In hoger beroep heeft appellante zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.
3.1.
Appellante heeft aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de omstandigheden waarin appellante verkeert. Zij wijst in dit verband, evenals in beroep, op haar penibele persoonlijke situatie. De dreiging van de terugvordering werpt een ernstige schaduw op het toekomstperspectief van appellante, nu zij gedurende een zeer lange tijd genoodzaakt is ver onder een minimuminkomen te functioneren, terwijl haar gezondheid ernstig is aangetast. De situatie van appellante is in meerdere opzichten uitzonderlijk. Door de zeldzame aandoening waaraan appellante lijdt, te weten hyperacusis, kan zij niet in een gewoon huis wonen. Ook kan zij fysiek verlamd raken door overbelasting van geluid. Zij woont noodgedwongen al drie jaar in een bestelauto omdat zij geen gebruik kan maken van een voorziening als bijvoorbeeld de daklozenopvang. Ter zitting van de Raad heeft appellante nog naar voren gebracht dat de terugvordering inmiddels onaanvaardbare financiële consequenties voor haar heeft. Sinds de nieuwe verlening van bijstand aan appellante in 2018 houdt het college namelijk € 82,43 in op de bijstand ter aflossing van - onder meer - het teruggevorderde bedrag. Dit gaat de beslagvrije voet te boven, aangezien het college de van toepassing zijnde bijstandsnorm met 20% heeft verlaagd wegens het ontbreken van woonlasten.
3.2.
Voorts heeft appellante aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte niet is ingegaan op haar beroepsgrond dat er een reële mogelijkheid bestaat dat het college op gezette tijden geld en middelen investeert om het teruggevorderde bedrag daadwerkelijk in te vorderen, met het risico dat deze kosten bovenop de niet-verhaalbare terugvordering komen.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Tussen partijen is niet in geschil dat het college op grond van artikel 58, tweede lid, aanhef en onder d, van de PW bevoegd was de over de periode van 31 december 2015 tot 1 november 2016 verstrekte bijstand terug te vorderen van appellante. De hoogte van het teruggevorderde bedrag is evenmin in geschil.
4.2.
Uit artikel 7:30, aanhef en onder b, van de van toepassing zijnde Beleidsregels Sociaal Domein 2017 (Beleidsregels) volgt dat het college altijd gebruik maakt van de in artikel 58, tweede lid, van de PW neergelegde bevoegdheid om ten onrechte verleende bijstand terug te vorderen. In artikel 7:33 van de Beleidsregels is bepaald dat het college afziet van terugvordering indien hiertoe een dringende reden aanwezig is. In artikel 7:46a van de Beleidsregels is bepaald dat het college in bijzondere gevallen kan afwijken van de bepalingen van paragraaf 7.4 (‘Terugvordering’), als toepassing daarvan tot onbillijkheden van overwegende aard leidt.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door W.F. Claessens als voorzitter en E.C.G. Okhuizen en M. van Paridon als leden, in tegenwoordigheid van R.I.S. van Haaren als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 februari 2020.
(getekend) W.F. Claessens
(getekend) R.I.S. van Haaren