Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2020-12-02
ECLI:NL:CRVB:2020:3074
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
1,371 tokens
Inleiding
191830 AWBZ
Datum uitspraak: 2 december 2020
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het verzoek om herziening van de uitspraak van de Raad van 23 augustus 2017, 15/8282 AWBZ
Partijen:
[verzoekers] laatstelijk gewoond hebbende te [woonplaats] (verzoekers)
CIZ
Procesverloop
Namens verzoekers heeft [naam] bij brief van 12 april 2019 verzocht om herziening van de uitspraak van de Raad van 23 augustus 2017, 15/8282 AWBZ.
CIZ heeft op dit verzoek om herziening gereageerd.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 oktober 2020. Namens verzoekers is verschenen [naam] . CIZ heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.M.R. Kater.
Overwegingen
1.1.
Bij beslissing op bezwaar van 9 maart 2015 (bestreden besluit) heeft CIZ [betrokkene] , betrokkene, geïndiceerd voor zorg op grond van het bepaalde bij en krachtens de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ).
1.2.
Bij uitspraak van 16 november 2015, 15/2907, heeft de rechtbank Den Haag, voor zover van belang, het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd voor zover daarbij de indicatie begeleiding individueel is beëindigd per 20 april 2015. De rechtbank heeft de einddatum van de indicatie begeleiding individueel bepaald op 11 april 2029.
2. Bij de uitspraak van 23 augustus 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:2899, waarvan herziening wordt gevraagd, heeft de Raad de uitspraak van de rechtbank vernietigd voor zover daarbij een veroordeling in de proceskosten achterwege was gebleven en de uitspraak van de rechtbank voor het overige bevestigd.
3.1.
Verzoekers hebben aan het verzoek om herziening – kort samengevat – ten grondslag gelegd dat de Raad het overgangsrecht AWBZ niet goed heeft toegepast en daarom een verkeerde uitspraak heeft gedaan. Ter onderbouwing van het verzoek hebben verzoekers diverse stukken overgelegd.
3.2.
CIZ heeft zich op het standpunt gesteld dat het verzoek moet worden afgewezen.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Op grond van artikel 8:119, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht kan de bestuursrechter op verzoek van een partij een onherroepelijk geworden uitspraak herzien op grond van feiten of omstandigheden die:
a. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak,
b. bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en
c. waren zij bij de bestuursrechter eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden.
4.2.
In het belang van de rechtszekerheid moet voorop worden gesteld dat van degene die om herziening van een uitspraak vraagt mag worden verlangd dat hij niet onredelijk lang wacht met de indiening van dat verzoek. Een onredelijk laat ingediend herzieningsverzoek moet niet-ontvankelijk worden verklaard.
4.3.
Een verzoek om herziening wordt in de regel geacht onredelijk laat te zijn ingediend, indien het verzoek is ingediend meer dan een jaar nadat de indiener bekend is geworden met de daarin gestelde nieuwe feiten en omstandigheden (nova) dan wel, indien geen nova zijn gesteld, als het is ingediend meer dan een jaar na de datum van openbaarmaking van de uitspraak waarvan herziening wordt verzocht.
4.4.
De hiervoor in 4.3 geformuleerde regel geldt niet voor het indienen van een verzoek om herziening van een uitspraak over een bestuurlijke boete. Een dergelijk verzoek is niet aan de in 4.3 vermelde termijn van één jaar gebonden (zie voor de hier beschreven uitgangspunten de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 28 januari 2015, ECLI:NL:RVS:2015:310).
4.5.
Deze zaak heeft geen betrekking op een uitspraak over een bestuurlijke boete. Verzoekers hebben in hun verzoek om herziening gesteld dat de Raad het overgangsrecht van de AWBZ naar de Wet langdurige zorg/de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015/de Zorgverzekeringswet niet goed heeft toegepast. De door verzoekers overgelegde stukken ter onderbouwing van dit standpunt zijn afkomstig van (ruim) voor de uitspraak waarvan thans herziening wordt verzocht. Afgezien van het feit dat dit geen feiten of omstandigheden zijn als bedoeld in overweging 4.1, hebben verzoekers het verzoek om herziening meer dan een jaar na de datum van de oorspronkelijke uitspraak van 23 augustus 2017 ingediend. Daarom is het verzoek om herziening onredelijk laat ingediend.
4.6.
Gelet op 4.1 tot en met 4.5 moet het herzieningsverzoek niet-ontvankelijk worden verklaard.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep verklaart het verzoek om herziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door J.P.A. Boersma, in tegenwoordigheid van R. van Doorn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 december 2020.
(getekend) J.P.A. Boersma
(getekend) R. van Doorn