Rechtspraak Centrale Raad van Beroep 2020-11-24
ECLI:NL:CRVB:2020:2967
Bestuursrecht
181424 BBZ Datum uitspraak: 24 november 2020 Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 5 februari 2018, 17/2668 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellante] te [woonplaats] (appellante) het college van burgemeester en wethouders van Best (college) Namens appellante heeft mr. S. Yadegari, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend. Appellante heeft een nader stuk overgelegd. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 oktober 2020. Appellante is verschenen, vergezeld door [naam] en bijgestaan door mr. D.M. Lamers en mr. R.W.J. Soetekouw. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door D. Matheelsen en D. Pol. De Centrale Raad van Beroep vernietigt de aangevallen uitspraak; verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 12 september 2017; draagt het college op een nieuwe beslissing op het bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak; bepaalt dat beroep tegen het nieuw te nemen besluit slechts bij de Raad kan worden ingesteld; veroordeelt het college in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 2.127,40; bepaalt dat het college aan appellante het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 172,- vergoedt. Deze uitspraak is gedaan door F. Hoogendijk als voorzitter en E.C.G. Okhuizen en K.M.P. Jacobs als leden, in tegenwoordigheid van I.A. Siskina als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 november 2020. (getekend) F. Hoogendijk de griffier is verhinderd te ondertekenen 1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden. 1.1. Appellante is op 1 juni 2014 gestart met de exploitatie van een pedicure- en schoonheidssalon in de vorm van een eenmanszaak. Het college van burgemeester en wethouders van Eindhoven heeft appellante van 1 september 2014 tot 1 oktober 2015 op grond van het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004 (Bbz 2004) bijstand verleend voor de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan (Bbz-bijstand). Na verhuizing van appellante van Eindhoven naar Best heeft het college appellante aansluitend van 1 oktober 2015 tot en met 30 september 2016 Bbz-bijstand verleend. De Bbz-bijstand is verleend met inachtneming van een ten aanzien van het bedrijf van appellante in 2016 door Motivity B.V. uitgebracht rapport. 1.2. Op 20 januari 2017 heeft appellante een aanvraag ingediend om verlenging van de Bbz-bijstand met ingang van 1 oktober 2016. Het college heeft daarop het Instituut voor het Midden- en Kleinbedrijf (IMK) gevraagd een bedrijfseconomisch onderzoek in te stellen naar het bedrijf van appellante en te adviseren over de aanvraag. 1.3. Het IMK heeft op 1 maart 2017 advies uitgebracht aan het college. In dat advies concludeert het IMK dat het bedrijf van appellante niet levensvatbaar is. In het advies heeft het IMK als grondslag van die conclusie – samengevat – het volgende vermeld. Appellante doet, na eerder 25 maanden Bbz-bijstand te hebben ontvangen, opnieuw een aanvraag voor tijdelijke inkomensondersteuning op grond van het Bbz 2004. Er is sprake van een zeer lange aanloopperiode, die deels het gevolg is van verminderde inzetbaarheid als gevolg van ziekte. Na ruim twee en een half jaar ondernemerschap stagneert het omzetniveau op € 8.000,- per jaar. Hierbij spelen de persoonlijke omstandigheden weliswaar een rol, maar vooralsnog is niet duidelijk of daar op korte termijn verandering in komt. De concurrentie in de branche, ook onder de medische pedicures, is zeer fors. Dit maakt dat de omzetmogelijkheden marginaal zijn. Gemiddeld werd in 2015 en 2016 circa € 663,- omzet per maand behaald. In de laatste drie kwartalen van 2016 was de omzet, die toen gemiddeld € 700,- per maand bedroeg, stabiel. Al met al is de omzet nog uiterst marginaal, vooral als gevolg van de persoonlijke omstandigheden (ziekte) van appellante. De afgelopen jaren is het bedrijfsresultaat stabiel gebleven. Met € 3.500,- tot € 4.000,- per jaar is het resultaat veel te laag om zelfstandig in de noodzakelijke privéonttrekkingen te kunnen voorzien. Voor 2017 is indicatief uitgegaan van 38 behandelingen per maand, zoals in januari van dat jaar gerealiseerd. Hieruit vloeit een omzetprognose voort van afgerond € 10.300,-. De taakstellende begroting werd in 2016 door Motivity becijferd op afgerond € 22.500,-. Wij nemen deze begroting over. Deze begroting impliceert meer dan 80 behandelingen per maand. Dit staat nog mijlenver af van de huidige realiteit. De taakstellende begroting is gelet op onze bevindingen niet langer haalbaar. Appellante zal naar verwachting er niet in slagen haar bedrijf levensvatbaar te exploiteren. 1.4. Bij besluit van 15 maart 2017, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 12 september 2017 (bestreden besluit), heeft het college de aanvraag van appellante van 20 januari 2017 afgewezen. Hieraan heeft het college, onder verwijzing naar het advies van 1 maart 2017 van het IMK, ten grondslag gelegd dat het bedrijf van appellante niet levensvatbaar is. 2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. 3. In hoger beroep heeft appellante zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. 4. De Raad komt tot de volgende beoordeling. 4.1. De hier te beoordelen periode loopt, mede gelet op het verhandelde ter zitting, van 1 oktober 2016 tot en met 15 maart 2017. 4.2. Artikel 23, eerste lid, van het Bbz 2004 bepaalt, voor zover hier van belang, dat aan de beginnende zelfstandige gedurende ten hoogste 36 maanden algemene bijstand wordt verleend. Verlenging van deze termijn is mogelijk indien de zelfstandige om redenen van medische of sociale aard niet volledig beschikbaar is voor de uitoefening van het bedrijf of het zelfstandig beroep. Het derde lid, aanhef en onder b, van dit artikel, zoals dit luidde ten tijde hier van belang, bepaalt dat bij verlenging van de toekenning van algemene bijstand om redenen van medische of sociale aard, het college onderzoekt of het bedrijf nog levensvatbaar is. 4.3. In de memorie van toelichting bij artikel 8, tweede lid, van de Algemene bijstandswet (Kamerstukken II 1998/99, 26 498, nr. 3, p. 5), dat in essentie gelijkluidend was aan artikel 23, eerste lid, van het Bbz 2004, is het volgende opgenomen: “Uit effectiviteitsonderzoek en de evaluatie van het Bbz is gebleken dat een periode van 18 maanden waarin algemene bijstand wordt verleend in veel gevallen te kort is. Daarom wordt voorgesteld om de periode te verlengen tot 36 maanden. Hiermee wordt tevens aangesloten op de maximale periode dat algemene bijstand kan worden verstrekt aan een zelfstandige die reeds gedurende een redelijke termijn als zodanig werkzaam is. Tevens wordt het wenselijk geacht dat deze periode van 36 maanden door burgemeester en wethouders kan worden verlengd voor personen die slechts beperkt beschikbaar zijn om redenen van medische of sociale aard. Deze personen kunnen onder de bestaande regeling niet starten met behulp van het Bbz omdat zij – doordat zij zich niet fulltime kunnen inzetten – niet kunnen voldoen aan de eis dat zo snel mogelijk moet kunnen worden voorzien in een toereikend inkomen. Om ook deze personen een kans te geven een bedrijf of zelfstandig beroep te starten wordt voorgesteld om de hiervoor beschreven mogelijkheid voor burgemeester en wethouders aan het tweede lid toe te voegen. Overigens blijft voorop staan dat het bedrijf of beroep levensvatbaar dient te zijn. Dit houdt in dat als de starter volledig beschikbaar zou zijn, verwacht mag worden dat een toereikend inkomen wordt behaald.”. 4.4. Een levensvatbaar bedrijf of zelfstandig beroep is ingevolge artikel 1, aanhef en onder c, van het Bbz 2004 het bedrijf of zelfstandig beroep waaruit de zelfstandige naar verwachting na bijstandsverlening een inkomen zal verwerven dat, samen met het overige inkomen, toereikend is voor de voortzetting van het bedrijf of zelfstandig beroep en voor de voorziening in het bestaan. Dit betekent dat het inkomen toereikend dient te zijn om alle aflossingsverplichtingen te voldoen, dat voldoende middelen beschikbaar zijn om het bedrijf op peil te houden en dat voorts wordt voorzien in de kosten van het bestaan. Vergelijk de uitspraak van 24 februari 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:516. 4.5. Tussen partijen is in geschil of het bedrijf van appellante ten tijde hier van belang levensvatbaar was in de zin van artikel 1, aanhef en onder c, van het Bbz 2004. Voor de beoordeling van de levensvatbaarheid van een bedrijf is bepalend: de situatie van het bedrijf ten tijde van het besluit op de aanvraag, in dit geval 15 maart 2017. Met eventuele ontwikkelingen na dat tijdstip wordt geen rekening gehouden. 4.6. Een bijstandverlenende instantie kan zich over de levensvatbaarheid van een bedrijf laten adviseren en zijn besluitvorming baseren op concrete adviezen daarover van een deskundige instantie als het IMK. Het college mocht dan ook bij de besluitvorming afgaan op het advies van het IMK, tenzij concrete aanknopingspunten bestonden om te twijfelen aan de zorgvuldigheid van de totstandkoming van het advies of aan de inhoud daarvan. 4.7. Appellante heeft aangevoerd dat het advies van 1 maart 2017 van het IMK niet juist is. Volgens appellante is haar ziekte daarin onvoldoende, althans niet kenbaar, meegewogen.