Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2020-11-11
ECLI:NL:CRVB:2020:2805
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
2,647 tokens
Inleiding
19/1441 WSFBSF
Datum uitspraak: 11 november 2020
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 17 augustus 2017, 17/1690 (aangevallen uitspraak) en op het verzoek om vergoeding van schade
Partijen:
[Appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (minister)
de Staat der Nederlanden (Minister van Justitie en Veiligheid) (Staat)
Procesverloop
Namens appellant heeft mr. S.J. Koolen, advocaat, hoger beroep ingesteld en verzocht om een schadevergoeding in verband met het overschrijden van de redelijke termijn.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
Mr. Koolen heeft nadere stukken ingediend.
Naar aanleiding van het verzoek van appellant om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn door de bestuursrechter heeft de Raad de Staat als partij aangemerkt.
Het onderzoek ter zitting heeft, gedeeltelijk door middel van beeldbellen, plaatsgevonden op 7 oktober 2020. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Koolen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. P.M.S. Slagter.
Overwegingen
1.1.
Appellant heeft studiefinanciering op grond van de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000) ontvangen, vanaf 1 maart 2015 berekend naar de norm die geldt voor een uitwonende studerende. Na een uitwonendencontrole heeft de minister het bedrag van de studiefinanciering bij besluit van 7 november 2015 herzien en berekend naar de norm voor een thuiswonende studerende. Daarbij is een bedrag van € 1.638,24 van appellant teruggevorderd.
1.2.
Bij besluit van 8 februari 2016 heeft de minister aan appellant een bestuurlijke boete opgelegd van € 819,12. Het voornemen daartoe is aan appellant gemeld bij brief van 12 november 2015.
1.3.
Bij besluit van 20 maart 2017 (bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van appellant tegen het besluit van 8 februari 2016 ongegrond verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep na toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ongegrond verklaard. Daarbij zijn beslissingen gegeven over proceskosten en griffierecht. De rechtbank heeft overwogen dat het bij het opleggen van een boete wegens overtreding van artikel 1.5, eerste lid, van de Wsf 2000 om de aanwending van een discretionaire bevoegdheid van de minister gaat. Voor matiging van de opgelegde boete wegens financiële omstandigheden kan aanleiding bestaan indien op basis van de door de beboete studerende overgelegde gegevens moet worden geoordeeld dat hij door de opgelegde boete onevenredig wordt getroffen. De rechtbank constateert dat appellant dergelijke gegevens niet heeft overgelegd. Anders dan hij stelt heeft de minister wel degelijk vraagtekens geplaatst bij dat wat appellant over zijn financiële situatie heeft gesteld. Aangezien juist hij hierover inzicht kan verschaffen en niet de minister, had het, ter onderbouwing van zijn standpunt, ook op zijn weg gelegen dit uiterlijk in beroep te doen. De verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 11 januari 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:9, leidt niet tot een andere conclusie, aangezien hiermee de financiële situatie van appellant niet is geconcretiseerd. De rechtbank is daarom van oordeel dat de minister aan appellant een boete heeft mogen opleggen van 50 procent van het bedrag dat van appellant wegens de herziening van de studiefinanciering wordt teruggevorderd.
3. Appellant heeft zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd, voor zover daarbij de boete niet is gematigd. In grote lijnen heeft hij herhaald wat in bezwaar en beroep is aangevoerd. Appellant stelt zich op het standpunt dat het voor de minister duidelijk was dat appellant de boete wegens een gebrek aan draagkracht niet kon betalen. De toepassing van artikel 6:22 van de Awb was volgens appellant niet mogelijk omdat hij door het niet horen in zijn belangen is geschaad, in die zin dat tijdens het horen aanvullende stukken hadden kunnen worden overgelegd ter onderbouwing van de draagkracht. Daarnaast heeft appellant verzocht om vergoeding van schade wegens overschrijding van de redelijke termijn.
4. De Raad oordeelt als volgt.
4.1.
Tussen partijen is niet in geschil dat aan appellant een boete mocht worden opgelegd omdat hij niet woonde op het adres waaronder hij in de basisregistratie personen stond ingeschreven, terwijl dat een voorwaarde voor toekenning van een uitwonendenbeurs is. Ook de mate waarin de overtreding aan appellant te wijten is, is niet in geschil. Het gaat appellant inhoudelijk om vermindering van de boete omdat hij deze wegens geringe draagkracht niet kon betalen.
4.2.
Naar vaste rechtspraak (uitspraken van 11 januari 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:9 en ECLI:NL:CRVB:2016:12) moet een bestuursorgaan, indien het een bestuurlijke boete oplegt en daarbij rekening houdt met de draagkracht van de overtreder, acht slaan op diens financiële positie ten tijde van het besluit tot het opleggen van de boete. Wordt de beslissing van een bestuursorgaan over de hoogte van de boete aan het oordeel van de rechter onderworpen, dan dient deze zijn oordeel daarover te vormen met inachtneming van de op dat moment aannemelijk geworden omstandigheden, waaronder de financiële omstandigheden, waarbij het dan in de eerste plaats op de weg van de betrokkene ligt daarover inzicht te geven.
4.3.1.
Appellant heeft in bezwaar niet aan de hand van objectieve en verifieerbare gegevens aannemelijk gemaakt dat hij de boete niet kon betalen. Dat er geen hoorzitting is gehouden waarop hij eventueel gegevens had kunnen overleggen, of waar hem om inzending daarvan op een later moment had kunnen worden gevraagd, betekent niet dat appellant onvoldoende gelegenheid heeft gehad om het benodigde inzicht te geven. Appellant wordt dan ook niet gevolgd in zijn stelling dat hij hierdoor is benadeeld. De stukken die appellant heeft overgelegd bij zijn verzoek om een voorlopige voorziening te treffen van 29 februari 2016 brengen daarin geen verandering, omdat die stukken het benodigde inzicht ook niet gaven.
4.3.2.
Ook de rechtbank heeft toen zij uitspraak deed op het beroep van appellant geen aanleiding hoeven zien de boete te matigen, omdat appellant ook op dat moment onvoldoende inzicht had gegeven in zijn actuele financiële omstandigheden. De stukken die waren ingediend in de procedure over de voorlopige voorziening gaven dat inzicht evenmin, maar zij waren op dat moment ook niet meer actueel, zodat de rechtbank daarmee geen rekening heeft hoeven houden.
4.4.
De gemachtigde van appellant heeft in hoger beroep ter zitting verklaard dat de boete inmiddels volledig is betaald. In die situatie bestaat in beginsel, mede gelet op wat is overwogen onder 4.3.1 en 4.3.2, geen aanleiding om op grond van de financiële omstandigheden van de belanghebbende de boete te matigen (vergelijk de uitspraak van 31 januari 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:476).
4.5.
Wat is overwogen onder 4.1 tot en met 4.4 betekent dat het hoger beroep in zoverre niet slaagt.
4.6.
Appellant heeft verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
4.7.
Of de redelijke termijn is overschreden moet worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval. Uit de rechtspraak van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens volgt dat daarbij van belang zijn de ingewikkeldheid van de zaak, de wijze waarop de zaak door het bestuursorgaan en de rechter is behandeld, het processuele gedrag van appellant gedurende de hele procesgang en de aard van de maatregel en het daardoor getroffen belang van appellant.
4.8.
De redelijke termijn is voor een procedure in drie instanties in zaken zoals deze in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan vier jaar heeft geduurd (uitspraak van 26 januari 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BH1009). De behandeling van het bezwaar mag ten hoogste een half jaar, de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar en de behandeling van het hoger beroep ten hoogste twee jaar duren, terwijl doorgaans geen sprake is van een te lange behandelingsduur in de rechterlijke fase in haar geheel als deze niet meer dan drie en een half jaar heeft geduurd. De omstandigheden van het geval kunnen aanleiding geven een langere behandelingsduur te rechtvaardigen.
4.9.
In het geval van appellant is sprake van een procedure die vanaf de datum van het kenbaar maken aan appellant van het voornemen tot boeteoplegging op 12 november 2015, tot de datum van deze uitspraak vier jaar en ruim elf maanden heeft geduurd. Van omstandigheden die de langere behandelingsduur rechtvaardigen is niet gebleken. Dit betekent dat de redelijke termijn in deze procedure met meer dan zes, maar minder dan twaalf maanden is overschreden.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep
vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover de rechtbank daarbij de hoogte van de boete heeft gehandhaafd op € 819,12;
verklaart het beroep tegen het besluit van 20 maart 2017 gegrond en vernietigt dat besluit;
herroept het besluit van 8 februari 2016;
stelt de hoogte van de boete vast op € 737,21 en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het besluit van 20 maart 2017;
bepaalt dat de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 124,- vergoedt;
veroordeelt de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 262,50.
Deze uitspraak is gedaan door H.J. de Mooij, als voorzitter, en J.P.A. Boersma en H. Benek als leden, in tegenwoordigheid van R. van Doorn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 november 2020.
(getekend) H.J. de Mooij
(getekend) R. van Doorn