Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2020-10-15
ECLI:NL:CRVB:2020:2496
Bestuursrecht; Ambtenarenrecht
Hoger beroep
2,533 tokens
Inleiding
194190 AW
Datum uitspraak: 15 oktober 2020
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 23 augustus 2019, 18/3259 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de staatssecretaris van Financiën (staatssecretaris)
Procesverloop
Namens appellant heeft mr. J. Choufoer-van der Wel, advocaat, hoger beroep ingesteld.
De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.
Partijen hebben nadere stukken ingezonden.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 juli 2020. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. W.I. Feenstra, advocaat. De staatssecretaris heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. B.J.M. Oenema en mr. G.E.C. van Brenk.
Overwegingen
1. Met ingang van 1 januari 2020 is de Ambtenarenwet 2017 (AW 2017) in werking getreden.
Ingevolge artikel 16, eerste lid, van de AW 2017 behouden krachtens deze wet genomen
besluiten die zijn genomen voor 1 januari 2020 hun geldigheid. Ingevolge artikel 16,
tweede lid, van de AW 2017 blijft ten aanzien van de mogelijkheid om bezwaar te maken of
beroep in te stellen alsmede de behandeling van zodanig bezwaar of beroep tegen een op
grond van deze wet genomen besluit of handeling dat voor 1 januari 2020 is bekendgemaakt,
het recht van toepassing zoals dat gold voor 1 januari 2020.
1.1.
Appellant is werkzaam bij de Belastingdienst, laatstelijk als [functie] bij de [onderdeel] ( [onderdeel] ).
1.2.
Op 13 februari 2017 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen appellant, zijn leidinggevende en de teamleider personeel. Aanleiding voor dit gesprek was dat de leidinggevende signalen had ontvangen over mogelijke integriteitsschendingen door appellant. Op 13 maart 2017 heeft een tweede gesprek plaatsgevonden.
1.3.
Op 30 oktober 2017 hebben appellant en zijn leidinggevende een derde gesprek gevoerd, in aanwezigheid van de advocaat van appellant en de HR-adviseur. De HR-adviseur heeft aan de advocaat van appellant een verslag van dit gesprek gezonden, waarop deze heeft gereageerd. Uit dit verslag komt onder meer naar voren dat de directeur-generaal van de belastingdienst onvoldoende aanleiding zag om nader onderzoek te doen naar de binnengekomen signalen. Als niet kan worden beoordeeld of sprake is van verwijtbaar handelen, krijgt de medewerker het voordeel van de twijfel en vindt er geen verder onderzoek plaats.
1.4.
Bij brief van 4 december 2017 heeft de advocaat van appellant te kennen gegeven dat appellant betrokken is geweest bij een feitenonderzoek naar verondersteld (ernstig) plichtsverzuim en dat is besloten geen tenlastelegging uit te brengen jegens hem. Appellant heeft in deze brief tevens verzocht om alle stukken te ontvangen die aan voorgaande conclusie ten grondslag liggen, waaronder, doch niet uitsluitend, de verzoeken tot ontheffing van de geheimhoudingsplicht en het antwoord daarop van de zijde van het Ministerie van Financiën.
1.5.
De HR-adviseur heeft op 19 december 2017 een aangepaste versie van het verslag van het gesprek van 30 oktober 2017 toegezonden. Appellant is niet akkoord gegaan met dit aangepaste verslag.
1.6.
Bij brief van 15 januari 2018 heeft de directeur van het [onderdeel] appellant bericht, dat de HR-adviseur appellant bij mail van 19 december 2017 heeft geïnformeerd. In aanvulling daarop heeft de directeur meegedeeld dat van ontheffing van de geheimhoudingsplicht geen sprake is geweest en dat er dan ook geen bestanden o.i.d. geraadpleegd zijn waarvoor dit noodzakelijk is.
1.7.
Bij besluit van 25 juni 2018 heeft de staatssecretaris het bezwaar tegen de brief van 15 januari 2018 niet-ontvankelijk verklaard op de grond dat deze brief geen besluit is in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit niet‑ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van procesbelang. De rechtbank is van oordeel dat er na het vooronderzoek geen besluiten met rechtspositionele gevolgen voor appellant zijn genomen en dat zijn wens om te weten wie de melders zijn geweest van de signalen en wat de inhoud van die signalen was, duidt op een principieel belang, wat onvoldoende is om procesbelang aan te nemen. Dat appellant, zoals hij heeft gesteld, recht heeft op inzage van de stukken uit het vooronderzoek maakt ook niet dat sprake is van procesbelang. Nu er geen bestuurlijke besluitvorming heeft plaatsgevonden, is ook niet voldaan aan het vereiste voor een verzoek tot vergoeding van schade.
3. In hoger beroep heeft appellant zich op hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 17 augustus 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:2830) is sprake van (voldoende) procesbelang als het resultaat dat de indiener van het (hoger) beroepschrift met het indienen van het (hoger) beroep nastreeft, daadwerkelijk kan worden bereikt en het realiseren van dat resultaat voor de indiener feitelijke betekenis kan hebben. Daarbij heeft de Raad meermalen uitgesproken dat hij is geroepen tot beslechting van geschillen en niet tot beantwoording van uitsluitend principiële vragen (zie bijvoorbeeld zijn uitspraak van 3 juli 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:815). Het hebben van een louter formeel of principieel belang is onvoldoende voor het aannemen van voldoende procesbelang. Volgens eveneens vaste rechtspraak (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 4 juni 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:CA3207) kan de omstandigheid dat schade is geleden als gevolg van de bestuurlijke besluitvorming tot het oordeel leiden dat er nog sprake is van procesbelang. Daarvoor is vereist dat de stelling dat schade is geleden als gevolg van de bestuurlijke besluitvorming niet op voorhand onaannemelijk is.
4.2.
Appellant stelt dat hij recht op inzage heeft, onder verwijzing naar het Protocol Integriteitsonderzoeken Belastingdienst (Protocol), waarin is opgenomen dat verklaringen van anonieme getuigen controleerbaar moeten zijn, bijvoorbeeld door middel van recht op inzage. Appellant beoogt de informatie te verkrijgen die aanleiding is geweest voor (het aanvragen van) een onderzoek naar vermeend door hem gepleegd plichtsverzuim, omdat hij wil weten wie de melders zijn en wat zij hebben gemeld. Verder wil hij mogelijk (juridische) stappen tegen de melders ondernemen. Nu appellant dit resultaat mogelijk zou kunnen bereiken in het geval het hoger beroep en het beroep slagen, in welk geval de weg openligt voor een inhoudelijke behandeling van zijn bezwaar tegen de brief van 15 januari 2018, en het bereiken van dit doel feitelijk betekenis voor hem kan hebben, heeft appellant voldoende procesbelang bij een uitspraak over het hoger beroep.
4.3.
In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft geconcludeerd dat hij geen procesbelang heeft bij zijn beroep. Het belang bij het verkrijgen van de gevraagde stukken is volgens appellant dan ook geenszins louter formeel of principieel.
4.4.
Dit betoog slaagt. Wat in 4.2 is overwogen geldt ook voor het procesbelang in beroep. De rechtbank heeft dit niet onderkend. Dit betekent dat de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard.
4.5.1.
De Raad staat nu voor de vraag of de brief van 15 januari 2018 een besluit is als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Awb.
4.5.2.
In artikel 1:3, eerste lid, van de Awb is bepaald dat onder een besluit wordt verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling. Van een rechtshandeling is sprake indien een handeling gericht is op enig rechtsgevolg.
4.6.
Anders dan de staatssecretaris en met appellant is de Raad van oordeel dat de brief van
15 januari 2018 een besluit is, als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. De brief is namelijk een reactie op het verzoek van appellant van 4 december 2017 om stukken te verstrekken. Gelet op de gedingstukken kan dit schriftelijke verzoek niet anders worden opgevat dan als een vervolg op het gesprek op 30 oktober 2017, waarbij appellant zich op het standpunt heeft gesteld dat hij recht op inzage heeft. De afwijzing van het verzoek om stukken te verstrekken heeft gevolgen heeft voor de rechtspositie van appellant, overeenkomstig het Protocol.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep
vernietigt de aangevallen uitspraak;
verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 25 juni 2018;
draagt de staatssecretaris op een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen met inachtneming van wat in deze uitspraak is overwogen;
bepaalt dat tegen deze nieuwe beslissing op bezwaar slechts bij de Raad beroep kan worden ingesteld;
veroordeelt de staatssecretaris in de kosten van appellant tot een bedrag van in totaal
€ 2.100,-;
- bepaalt dat de staatssecretaris aan appellant het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van € 429,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door C.H. Bangma, in tegenwoordigheid van E.M. Welling als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 oktober 2020.
(getekend) C.H. Bangma
(getekend) E.M. Welling