Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2020-10-07
ECLI:NL:CRVB:2020:2385
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
2,380 tokens
Inleiding
182481 WIA
Datum uitspraak: 7 oktober 2020
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 26 maart 2018, 17/4256 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Procesverloop
Namens appellant heeft mr. R. Joosen, advocaat, hoger beroep ingesteld en nadere stukken ingediend.
Het Uwv heeft een verweerschrift en nadere stukken ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft, met toepassing van artikel 2, eerste lid, van de Tijdelijke wet COVID-19 Justitie en Veiligheid, door middel van videobellen plaatsgevonden op 3 september 2020. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Joosen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.W.L. Clemens.
Overwegingen
1.1.
Appellant heeft vanaf 19 februari 2007 een WGA-uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) ontvangen. Met ingang van 16 oktober 2017 is appellant weer arbeid gaan verrichten. De WGA-uitkering is met ingang van 16 oktober 2008 beëindigd onder de overweging dat appellant meer dan 65% kan verdienen van het loon dat hij verdiende voordat hij ziek werd. Op 21 februari 2008 is appellant ziek uit dienst gegaan en heeft hij met ingang van die datum een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) ontvangen. Bij besluit van 1 juni 2010 heeft het Uwv geweigerd appellant na afloop van de voorgeschreven wachttijd met ingang van 18 februari 2010 een WGA-uitkering op grond van de Wet WIA toe te kennen, omdat de mate van zijn arbeidsongeschiktheid minder dan 35% is. Appellant heeft tegen dit besluit geen bezwaar gemaakt.
1.2.
Appellant heeft zich op 30 september 2016 bij het Uwv gemeld met toegenomen klachten. Na een verzekeringsgeneeskundig onderzoek heeft het Uwv bij besluit van 6 januari 2017 geweigerd om appellant een WIA-uitkering toe te kennen. Het bezwaar van appellant tegen dit besluit heeft het Uwv bij besluit van 3 mei 2017 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 26 april 2017 ten grondslag. Het Uwv heeft aan deze besluitvorming ten grondslag gelegd dat de beperkingen van appellant uit dezelfde ziekteoorzaak niet zijn toegenomen binnen vijf jaar na de arbeidsongeschiktheidsbeoordeling per 18 februari 2010.
2. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank is van oordeel dat het medisch onderzoek op een voldoende zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden. Op grond van de beschikbare gegevens moet naar het oordeel van de rechtbank worden aangenomen dat de verzekeringsartsen bij appellant niet te geringe medische beperkingen hebben vastgesteld. Uit de rapportages van de verzekeringsartsen blijkt dat zij op de hoogte waren van de door appellant gestelde klachten, waaronder de rug-, de nek- en de chronische pijnklachten. De rechtbank heeft vastgesteld dat het standpunt van de verzekeringsartsen inhoudt dat weliswaar sprake is van klachten uit dezelfde ziekteoorzaak, maar dat er geen sprake is van een toename. De informatie die appellant in beroep heeft overgelegd, heeft de rechtbank geen aanleiding gegeven te twijfelen aan dit standpunt van de verzekeringsartsen. Daarbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat er weinig medische informatie is overgelegd over de periode van 18 februari 2010 tot en met 17 februari 2015 (periode in geding) en dat uit de overgelegde informatie geen toename van de klachten is gebleken. Orthopedisch chirurg J. de Haan (De Haan) heeft eind 2017 en begin 2018 weliswaar gesteld dat sprake is van een progressieve aandoening, maar voor zover al sprake is van een toename van de klachten gedurende de periode in geding, onderschrijft de rechtbank het standpunt van de verzekeringsarts bezwaar en beroep dat dit niet direct betekent dat ook de beperkingen van appellant zijn toegenomen. Ook het onderzoek van verzekeringsarts M.J. Gerritze (Gerritze) ziet op een latere datum
(23 juni 2017) en op een ander kader, namelijk de arbeidsparticipatie op grond van de Participatiewet. Nu de verzekeringsartsen voldoende medische informatie hadden, waaronder de door appellant overgelegde informatie van zijn behandelaars, en uit deze informatie geen toegenomen ernst van de aandoeningen is gebleken, hebben zij een deugdelijk oordeel kunnen vormen over de vraag of sprake was van toegenomen arbeidsongeschiktheid door dezelfde oorzaak. De rechtbank heeft dan ook geen aanleiding gezien om een deskundige te benoemen. Omdat geen sprake was van toegenomen beperkingen en onder verwijzing naar vaste rechtspraak van de Raad, bijvoorbeeld de uitspraak van 30 december 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:4998, heeft het Uwv mogen afzien van een arbeidskundig onderzoek. Het Uwv heeft terecht geweigerd appellant een WIA-uitkering toe te kennen, omdat geen sprake was van toegenomen beperkingen.
3.1.
In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het Uwv een zorgvuldig onderzoek heeft verricht en dat door de verzekeringsarts bezwaar en beroep voldoende inzichtelijk is gemotiveerd dat appellant niet toegenomen beperkt is ten opzichte van de einde wachttijdbeoordeling. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft appellant een aanvullend rapport van Gerritze overgelegd van
1 oktober 2019. Verder heeft appellant erop gewezen dat uit het rapport van orthopedisch chirurg De Haan onmiskenbaar volgt dat sprake is van progressieve klachten. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft onvoldoende gemotiveerd dat de klachten pas na de periode in geding zijn toegenomen. De klachten bestaan sinds 2003 en het is niet uitgesloten dat de beperkingen tussen februari 2010 en februari 2015 zijn toegenomen. Appellant heeft de Raad verzocht een onafhankelijke deskundige te benoemen. Hij heeft er daarbij op gewezen dat het voor hem financieel onmogelijk is om zelf een onafhankelijke deskundige in te schakelen. Ter zitting heeft appellant onder verwijzing naar het Korošec-arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 8 oktober 2015, ECLI:CE:ECHR:2015:1008JUD007721212, dat het medisch onderzoek niet zorgvuldig heeft plaatsgevonden en dat hij voldoende twijfel heeft gezaaid over de juistheid van de medische grondslag van het bestreden besluit.
3.2.
Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.
4. De Raad oordeelt als volgt.
4.1.
Artikel 55, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet WIA (tekst tot 16 december 2017) bepaalt dat indien op de eerste dag na afloop van de wachttijd geen recht op een WGA‑uitkering is ontstaan omdat de verzekerde op die dag niet gedeeltelijk arbeidsongeschikt is, alsnog recht op die uitkering ontstaat met ingang van de dag dat de verzekerde wel (gedeeltelijk) arbeidsongeschikt wordt, indien hij op de dag hieraan voorafgaand minder dan 35% arbeidsongeschikt was en de (gedeeltelijke) arbeidsongeschiktheid voortkomt uit dezelfde oorzaak als die op grond waarvan hij gedurende de wachttijd ongeschikt was tot het verrichten van zijn arbeid.
4.2.
In geschil is de vraag of het Uwv terecht heeft vastgesteld dat bij appellant geen sprake is van toegenomen beperkingen uit dezelfde ziekteoorzaak binnen vijf jaar na 18 februari 2010 in de zin van artikel 55 eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet WIA.
4.3.
De vraag of sprake is van toegenomen beperkingen gaat vooraf aan de vraag waardoor deze worden veroorzaakt. De vraag of de beperkingen van appellant tussen 18 februari 2010 en 17 februari 2015 zijn toegenomen moet plaatsvinden aan de hand van een vergelijking tussen de beperkingen, zoals die zijn neergelegd in de FML van 8 april 2010, en de beperkingen die zijn vastgelegd naar aanleiding van de melding toegenomen arbeidsongeschiktheid van appellant in de FML van 28 november 2016, zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 31 mei 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:1683.
4.4.
In zijn uitspraak van 30 juni 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:2226, heeft de Raad de uitgangspunten uiteengezet voor de toetsing door de bestuursrechter van de beoordeling door verzekeringsartsen van het Uwv. Het verzoek van appellant tot benoeming van een onafhankelijk deskundige onder verwijzing naar het Korošec-arrest, ECLI:CE:ECHR:2015:1008JUD007721212, is aanleiding om aan de hand van de in de uitspraak van 30 juni 2017 onderscheiden stappen te beoordelen of sprake is geweest van zorgvuldige besluitvorming, vervolgens of sprake is van equality of arms tussen partijen, waarna als derde stap een inhoudelijke beoordeling van het bestreden besluit volgt.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door M. Schoneveld, in tegenwoordigheid van D.S. Barthel als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 oktober 2020.
(getekend) M. Schoneveld
(getekend) D.S. Barthel