Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2020-09-17
ECLI:NL:CRVB:2020:2205
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
2,685 tokens
Inleiding
18/529 en 19/4833 WW
Datum uitspraak: 17 september 2020
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 20 december 2017, 17/1676 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Procesverloop
Namens appellant heeft [A] hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Appellant heeft een nader stuk ingediend.
De Raad heeft het Uwv gevraagd of de in de uitspraken van 7 maart 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:659, ECLI:NL:CRVB:2019:660 en ECLI:NL:CRVB:2019:661, geformuleerde vuistregels aanleiding zijn om het in rechte vaststaande boetebesluit te herzien.
Op 28 oktober 2019 heeft het Uwv een gewijzigde beslissing op bezwaar genomen (nader besluit, procedurenummer 19/4833), aangevuld op 30 juni 2020. Appellant heeft hierop zijn zienswijze gegeven.
Het Uwv en appellant hebben gereageerd op een vraagstelling van de Raad over het onderscheid tussen de periode vóór en na 1 januari 2013.
Het Uwv heeft een reactie ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft, gevoegd met de zaken van een viertal andere appellanten (respectievelijk 16/2019 en 19/3748, 16/7538 en 19/3723, 17/6004 en 19/3283 en 17/6075), plaatsgevonden op 9 juli 2020. Na de behandeling ter zitting zijn de zaken gesplitst. In de zaken van elke appellant wordt afzonderlijk uitspraak gedaan. Appellant is verschenen, bijgestaan door [A]. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door
mr. M. van Nederveen.
Overwegingen
1.1.
Appellant is met ingang van 1 december 2011 in aanmerking gebracht voor een uitkering
op grond van de Werkloosheidswet (WW). Bij besluit van 16 april 2013 is de WW-uitkering van appellant per 1 april 2013 beëindigd.
1.2.
Bij besluit van 3 december 2013 heeft het Uwv de WW-uitkering van appellant over de periode van 29 oktober 2012 tot en met 31 maart 2013 ingetrokken en is € 8.848,81 (bruto) van appellant teruggevorderd, omdat hij niet heeft doorgegeven dat hij in die periode heeft gewerkt bij [X] B.V. Bij een afzonderlijk besluit van 3 december 2013 (boetebesluit) heeft het Uwv appellant een boete opgelegd van € 8.848,81 (100% van het benadelingsbedrag), wegens schending van de inlichtingenplicht. Tegen de besluiten van 3 december 2013 heeft appellant geen rechtsmiddelen aangewend.
1.3.
Op 8 augustus 2016 heeft appellant het Uwv verzocht het boetebesluit van 3 december 2013 te herzien. Bij besluit van 26 augustus 2016 heeft het Uwv dit herzieningsverzoek afgewezen. Bij beslissing op bezwaar van 9 februari 2017 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 26 augustus 2016 ongegrond verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het
bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat ondanks dat ten tijde van het nemen van het boetebesluit de Beleidsregel Boete werknemer 2010 (Beleidsregel 2010) nog van kracht was, dit appellant niet kan baten. Vast staat immers ook dat appellant geen bezwaar heeft gemaakt tegen het boetebesluit en dat dit besluit hierdoor in rechte is komen vast te staan. Wat appellant hierover heeft aangevoerd had hij dus al naar voren kunnen brengen ten tijde van het boetebesluit, zodat dit geen nieuw feit of veranderde omstandigheid in de zin van artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is. De verwijzing naar een door het Uwv gehanteerde bestendige gedragslijn, neergelegd in een interne memo van het Uwv van 10 december 2013, op grond waarvan de Beleidsregel 2010 tot 1 januari 2014 kon worden toegepast, slaagt evenmin. De Raad heeft in zijn uitspraak van 24 november 2014, ECLI;NL:CRVB:2014:3754, mede op basis van deze bestendige gedragslijn, geoordeeld dat het handelen of nalaten in strijd met de inlichtingenverplichting voor en na 1 januari 2013 los van elkaar bestraft kan worden met een boete naar het dan geldende sanctieregime. Het is vaste rechtspraak dat de inhoud van inmiddels tot stand gekomen jurisprudentie op zichzelf geen grond vormt voor het doorbreken van het rechtens onaantastbaar zijn van besluiten waartegen geen beroep bij de rechter is ingesteld. De uitspraak van 24 november 2014 levert dus geen nieuw gebleken feit of veranderde omstandigheid op die grond vormt voor het doorbreken van rechtens onaantastbare boetebesluiten. Dit betekent dat de gevolgen van het berusten in het boetebesluit voor risico van appellant dienen te blijven. De grond dat het Uwv ten onrechte de gehele boete heeft vastgesteld op basis van het per 1 januari 2013 in werking getreden boeteregime slaagt evenmin, omdat appellant ook deze grond naar voren heeft kunnen brengen ten tijde van het boetebesluit. In wat appellant heeft aangevoerd heeft de rechtbank geen aanleiding gezien voor het oordeel dat het besluit waarmee op het verzoek om herziening is beslist, evident onredelijk is.
3.1.
Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte voorbij is gegaan aan de (interne) memo van het Uwv van 10 december 2013, dat een bestendige gedragslijn bevat inhoudende dat artikel 8 van de Beleidsregel 2010 nog wordt toegepast op overtredingen die zijn aangevangen voor 1 januari 2014 indien een belanghebbende daarop een beroep doet. Dit is volgens appellant een novum. Hoewel de rechtbank heeft vastgesteld dat de Beleidsregel 2010 toegepast had moeten worden, en niet de Beleidsregel 2013, zijn daaraan ten onrechte geen consequenties verbonden. Tot slot heeft de rechtbank volgens appellant ten onrechte geconcludeerd dat geen sprake is van evidente onredelijkheid.
3.2.
Bij het nader besluit heeft het Uwv het boetebesluit herzien in die zin dat de boete wordt verlaagd en wordt vastgesteld op € 4.424,40. Aan dit besluit heeft het Uwv, onder verwijzing naar de vuistregels die de Raad voor de beoordeling van verzoeken om herziening van boetebesluiten in zijn uitspraken van 7 maart 2019 (vuistregeluitspraken) heeft geformuleerd, het volgende ten grondslag gelegd. In de situatie van appellant is sprake van normale verwijtbaarheid, zodat de boete 50% van het benadelingsbedrag van € 8.848,81 had moeten bedragen, dus € 4.424,40. Op 8 augustus 2016, de datum van het herzieningsverzoek, had appellant nog niets van dat bedrag afgelost. Daarom wordt de boete herzien en vastgesteld op € 4.424,40. Op 30 juni 2020 heeft het Uwv het nader besluit aangevuld door de in bezwaar gemaakte kosten te vergoeden.
3.3.
Appellant heeft tegen het nader besluit primair aangevoerd dat op grond van de Beleidsregel 2010 de boete over de gehele periode op 10% gesteld dient te worden en subsidiair dat een knip dient plaats te vinden per 1 januari 2013, zodat over de periode vóór 1 januari 2013 een boete van 10% wordt opgelegd.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Het nader besluit van 28 oktober 2019 wordt gelet op de artikelen 6:19 en 6:24 van de Awb mede in de beoordeling betrokken.
Aangevallen uitspraak
4.2.
Het Uwv heeft in hoger beroep, gelet op het nader besluit, zijn weigering om het boetebesluit te herzien verlaten. Reeds hierom dient de aangevallen uitspraak te worden vernietigd. De Raad zal het beroep tegen het bestreden besluit van 9 februari 2017 gegrond verklaren en dit besluit vernietigen.
Nader besluit
4.3.
In geschil is of het niet verder herzien van de boete dan bij het nader besluit van 28 oktober 2019 is gedaan, evident onredelijk is.
4.4.
Zoals gemotiveerd in rechtsoverweging 2.5.6 van de vuistregeluitspraken geeft het belang van de rechtszekerheid in combinatie met een praktische uitvoering aanleiding om bij deze beoordeling voorbij te gaan aan eventuele onjuistheden met betrekking tot het benadelingsbedrag en dient het boetebedrag dat destijds in rechte onaantastbaar is geworden tot uitgangspunt te worden genomen. Dit betekent dat de in de uitspraak van 24 november 2014 gemaakte knip tussen de periode vóór en na 1 januari 2013, niet toegepast dient te worden bij de nieuwe vaststelling van het boetebedrag.
4.5.
Het Uwv is terecht uitgegaan van normale verwijtbaarheid. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat in zijn geval de schending van de inlichtingenverplichting verminderd verwijtbaar is.
4.6.1.
In de vuistregeluitspraken is de volgende vuistregel geformuleerd voor de beoordeling van een op grond van het Boetebesluit 2013 genomen boetebesluit in een situatie waarin de invordering van de boete nog gaande was op het moment dat het herzieningsverzoek werd gedaan en ten tijde van het herzieningsverzoek minder op de boete was afgelost dan het bedrag dat verschuldigd zou zijn geweest bij normale verwijtbaarheid:
“dan is verlaging van het boetebedrag (…) tot 50% (…) van het boetebedrag aangewezen. (…) Als (bij) deze uitkomst het boetebedrag hoger is dan het bedrag dat de strafrechter bij aanvang van de overtreding op grond van artikel 23, vierde lid, Sr maximaal had kunnen opleggen, dan is verlaging van het boetebedrag tot dat maximumbedrag aangewezen.”
4.6.2.
De in dit kader primair aangevoerde grond dat op grond van de Beleidsregels 2010 de boete over de gehele periode op 10% gesteld dient te worden, slaagt niet.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep
- vernietigt de aangevallen uitspraak;
- verklaart het beroep tegen het besluit van 9 februari 2017 gegrond en vernietigt dat besluit;
- verklaart het beroep tegen het besluit van 28 oktober 2019 ongegrond;
- veroordeelt het Uwv in de kosten van appellant tot een bedrag van € 3.046,41;
- bepaalt dat het Uwv het door appellant in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van
€ 172,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier als voorzitter en A.I. van der Kris en G.A.J. van den Hurk als leden, in tegenwoordigheid van B.V.K. de Louw als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 september 2020
(getekend) H.G. Rottier
(getekend) B.V.K. de Louw