Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2020-09-15
ECLI:NL:CRVB:2020:2168
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
2,395 tokens
Inleiding
19 2332 PW
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Datum uitspraak: 15 september 2020
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 18 april 2019, 18/4932 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] (appellant) en [appellante] (appellante), beiden te [woonplaats]
het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college)
Procesverloop
Namens appellanten heeft mr. R.M. Noorlander, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 juni 2020. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Noorlander. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.A. Bouter.
Overwegingen
1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1.
Appellanten ontvangen sinds 15 januari 2009 bijstand, laatstelijk op grond van de Participatiewet (PW) naar de norm voor gehuwden.
1.2.
Naar aanleiding van de afhandeling van een klacht van appellant heeft een toezichthouder van de unit Bijzondere Onderzoeken van de gemeente Rotterdam een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellanten verleende bijstand.
1.2.1.
In dat kader heeft de toezichthouder onder meer dossieronderzoek gedaan en via Suwinet gegevens bij de Rijksdienst voor het Wegverkeer (RDW) opgevraagd. Uit de gegevens van de RDW is gebleken dat in de periode van februari 2010 tot en met april 2017 34 kentekens van auto’s op naam van appellant geregistreerd hebben gestaan.
1.2.2.
Op 15 september 2017 heeft de toezichthouder een gesprek met appellanten gevoerd. Bij brief van 13 oktober 2017 heeft de toezichthouder appellant vervolgens uitgenodigd voor een gesprek op 23 oktober 2017, met het verzoek om de aan- en verkoopbewijzen, kentekenbewijzen, verzekeringsbewijzen en beschikkingen van de wegenbelasting van alle auto’s die op naam van appellant geregistreerd hebben gestaan mee te nemen. Tijdens het gesprek op 23 oktober 2017 heeft appellant onder meer het volgende verklaard. Van geen enkele auto heeft hij nog bewijsstukken. Sommige auto’s heeft hij minimaal een paar uur op zijn naam gehad en daarna weer op naam van de auto-eigenaar laten registreren, omdat de auto’s niet goed waren. Het waren auto’s van € 300,- à € 400,- tot € 1.500,-. Enkele auto’s zijn naar de sloop gegaan. Sommige auto’s heeft hij laten registreren op naam van anderen, bijvoorbeeld op naam van zijn vader en van zijn broer, omdat deurwaarders beslag kunnen leggen op auto’s die op zijn naam staan. Hij heeft alle auto’s contant gekocht. Er zijn vier auto’s op de lijst zijn geëxporteerd, omdat deze auto’s schade hadden en niemand ze wilde kopen. Appellant heeft de bedragen contant van de kopers ontvangen en het geld gebruikt om schulden te betalen. Het waren geen grote bedragen die hij voor de auto’s kreeg. Van sommige auto’s haalde hij onderdelen af en zette die op andere auto’s.
1.2.3.
De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in, voor zover hier van belang, een rapportage van 25 oktober 2017.
1.3.
De resultaten van het onderzoek zijn voor het college aanleiding geweest om bij besluit van 12 februari 2018 (besluit 1) de bijstand van appellanten te herzien (lees: de bijstand in te trekken) over 26 maanden in de periode van 1 februari 2010 tot en met 31 december 2016 en de over die maanden gemaakte kosten van bijstand van appellanten terug te vorderen tot een bedrag van € 49.169,95. Bij afzonderlijk besluit van 12 februari 2018 (besluit 2) heeft het college de bijstand van appellanten ingetrokken over de maand april 2017 en de gemaakte kosten van bijstand over die maand van appellanten teruggevorderd tot een bedrag van € 1.403,98. Aan deze besluiten heeft het college ten grondslag gelegd dat appellant transacties met voertuigen heeft verricht en dat appellanten van deze transacties geen melding hebben gemaakt.
1.4.
Bij besluit van 14 augustus 2018 (bestreden besluit) heeft het college de bezwaren van appellanten tegen de besluiten 1 en 2 deels gegrond verklaard. Het college heeft de hoogte van de in besluit 1 vermelde terugvordering gewijzigd vastgesteld op een bedrag van € 39.134,97 en de besluiten 1 en 2 voor het overige gehandhaafd. Het college heeft aan dit besluit het volgende ten grondslag gelegd. Appellant heeft in 27 maanden transacties met auto’s verricht (transactiemaanden). Door hiervan geen melding te maken bij het college hebben appellanten de op hen rustende wettelijke inlichtingenverplichting geschonden. Doordat appellanten geen deugdelijke en verifieerbare administratie hebben bijgehouden, kan over de transactiemaanden het recht op bijstand niet worden vastgesteld.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd voor zover het de kostenvergoeding in bezwaar betreft.
3. In hoger beroep heeft appellant zich op de hierna te bespreken gronden, voor zover ter zitting gehandhaafd, tegen de aangevallen uitspraak gekeerd voor zover daarbij het bestreden besluit in stand is gelaten.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Vaststaat dat in de periode van februari 2010 tot en met april 2017 een groot aantal kentekens van motorvoertuigen op naam van appellant geregistreerd heeft gestaan. De tenaamstellingen zijn vaak van korte duur geweest en zijn geëindigd in de transactiemaanden.
4.2.
Uit kentekenregistraties zoals hier aan de orde volgt de directe betrokkenheid van degene op wiens naam het voertuig geregistreerd staat of heeft gestaan. Indien een persoon betrokken is geweest bij twee wijzigingen van de tenaamstelling van hetzelfde voertuig binnen een betrekkelijk korte periode ten aanzien van diverse voertuigen, dan is aannemelijk dat met betrekking tot die voertuigen handelstransacties hebben plaatsgevonden. Dit is vaste rechtspraak (uitspraak van 13 juni 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:2437). De datum van de tweede wijziging van de tenaamstelling – met ingang waarvan de kentekenregistratie op naam van appellant is geëindigd – wordt aangemerkt als de datum waarop de voor het recht op bijstand relevante transactie heeft plaatsgevonden. Dit is eveneens vaste rechtspraak (uitspraak van 29 december 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BK8306).
4.3.
Appellanten hebben aangevoerd, dat de auto’s die op naam van appellant geregistreerd hebben gestaan bestemd waren voor eigen gebruik. Deze beroepsgrond slaagt niet. Gelet op het aantal voertuigen en de betrekkelijk korte duur van de tenaamstellingen van soms enkele dagen, is niet aannemelijk dat de auto’s uitsluitend bestemd waren voor eigen gebruik. Dat het hier gaat om een periode van zeven jaar, zoals appellanten naar voren hebben gebracht, maakt dat niet anders. Appellanten hebben de door appellant op 23 oktober 2017 gegeven verklaringen voor de kortdurende tenaamstellingen, zoals weergegeven onder 1.2.2, niet met objectieve en verifieerbare bewijsstukken onderbouwd. Het door appellanten zelf opgemaakte en in bezwaar overgelegde overzicht is niet als zodanig aan te merken. Appellanten hebben verklaringen van de vader en van de broer van appellant ingebracht, waarin is vermeld dat zij een aantal auto’s op hun naam hebben gezet, omdat appellant schulden had en deurwaarders beslag konden leggen op auto’s die op naam van appellant stonden. Deze verklaringen zijn niet onderbouwd met objectieve en verifieerbare gegevens en hebben bovendien betrekking op een beperkt aantal auto’s. Zij zijn daarom niet toereikend als onderbouwing van de verklaringen van appellant.
4.4.
Appellanten hebben tevens aangevoerd dat geen sprake is van op geld waardeerbare activiteiten, omdat het oude auto’s betrof. Deze beroepsgrond slaagt evenmin. Het feit dat het gaat om oude auto’s betekent niet dat de transacties geen invloed op de verlening van bijstand hebben of kunnen hebben. Dit volgt uit vaste rechtspraak (uitspraak van 5 januari 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BK9786).
4.5.
Appellanten hebben verder aangevoerd dat het college onvoldoende voorlichting heeft gegeven over de reikwijdte van de inlichtingenverplichting. Appellanten wisten niet en konden ook redelijkerwijs niet vermoeden, dat de verkoop van auto’s zou worden aangemerkt als autohandel. Als gevolg daarvan is de rechtspositie van appellanten ondermijnd, omdat appellanten de mogelijkheid is onthouden om de inlichtingenverplichting na te komen en omdat appellant niet kon vermoeden dat hij van de aan- en verkoop van auto’s een administratie had moeten bijhouden.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.
Deze uitspraak is gedaan door G.M.G. Hink als voorzitter en F. Hoogendijk en W.F. Claessens als leden, in tegenwoordigheid van R.I.S. van Haaren als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 september 2020.
(getekend) G.M.G. Hink
(getekend) R.I.S. van Haaren