Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2020-07-30
ECLI:NL:CRVB:2020:1683
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
2,336 tokens
Inleiding
185684 AKW
Datum uitspraak: 30 juli 2020
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 21 september 2018, 18/2213 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)
Procesverloop
Namens appellant heeft mr. R. Verspaandonk, advocaat, hoger beroep ingesteld.
De Svb heeft een verweerschrift ingediend.
Met toepassing van artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is een onderzoek ter zitting achterwege gebleven, waarna de Raad het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, van de Awb heeft gesloten.
Overwegingen
1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.
1.1.
Appellant ontving ten tijde hier van belang dubbele kinderbijslag voor zijn zoon [A.] op grond van artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Kinderbijslagwet (AKW) vanwege de intensieve zorg die [A.] nodig heeft.
1.2.
Appellant heeft op 27 januari 2018 een aanvraag ingediend om voor het kalenderjaar 2017 in aanmerking te komen voor een extra bedrag aan kinderbijslag als bedoeld in artikel 7a, tweede lid, van de AKW. De Svb heeft deze aanvraag bij besluit van 14 februari 2018 afgewezen.
1.3.
Bij besluit van 13 maart 2018 (bestreden besluit) heeft de Svb het bezwaar tegen het besluit van 14 februari 2018 ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit ligt ten grondslag dat appellant niet voldoet aan de voorwaarden genoemd in artikel 7a, tweede lid, van de AKW. Hierin staat dat het belastbaar loon van de verzekerde of diens partner in het betreffende kalenderjaar niet hoger mag zijn dan het in artikel 8.14a, eerste lid, onderdeel a, van de Wet inkomstenbelasting 2001 (Wet IB 2001) genoemde bedrag van € 4.895,-. Appellant en zijn partner hadden in 2017 allebei een hoger belastbaar loon.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank met bepalingen over vergoeding van griffierecht en proceskosten het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft het gebrek dat aan het bestreden besluit kleeft omdat appellant in bezwaar niet is gehoord, met toepassing van artikel 6:22 van de Awb gepasseerd. Appellant is in beroep alsnog in de gelegenheid geweest om zijn standpunt naar voren te brengen en toe te lichten. Volgens de rechtbank is niet aannemelijk dat appellant of andere belanghebbenden door het passeren van het gebrek zijn benadeeld. Verder heeft de rechtbank geoordeeld dat appellant niet voldoet aan de voorwaarden om voor een extra bedrag aan kinderbijslag in aanmerking te komen. Appellant ontvangt met zijn partner bijstand op grond van de Participatiewet en die uitkering is hoger dan het bedrag van € 4.895,- dat is genoemd in artikel 8.14a, eerste lid, onderdeel a, van de Wet IB 2001, waar in artikel 7a, tweede lid, van de AKW naar wordt verwezen. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalt omdat appellant geen voorbeelden heeft aangedragen van gelijke gevallen waarin de Svb een ander besluit heeft genomen. De omstandigheid dat de toepassing van artikel 7a, tweede lid, van de AKW gunstiger uitpakt in het geval geen sprake is van een fiscale partner leidt de rechtbank niet tot een ander oordeel. Nu appellant wél een fiscale partner heeft, is zijn situatie niet op één lijn te stellen met die van aanvragers die geen fiscale partner hebben. Ook het beroep op artikel 26 van het Internationaal Verdrag inzake de rechten van het kind (IVRK) verwerpt de rechtbank. Volgens vaste rechtspraak van de Raad (zie de uitspraak van 5 augustus 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BR4268) kan een beroep op het IVRK er niet toe leiden dat aan kinderen een zelfstandig recht op kinderbijslag toekomt. De rechtbank volgt appellant ook niet in zijn beroep dat hij op artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) heeft gedaan. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat de normale ontwikkeling van het privé- en gezinsleven van zijn minderjarige zoon onmogelijk wordt gemaakt als gevolg van het bestreden besluit, nu elke onderbouwing met concrete en verifieerbare gegevens ter zake ontbreekt.
3. Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.1.
Appellant heeft aangevoerd dat de inkomenstoets die in artikel 7a, tweede lid, aanhef en onder b, van de AKW is opgenomen, in zijn geval onredelijk uitpakt. De Svb had deze inkomenstoets buiten toepassing moeten laten en hem wel in aanmerking moeten brengen voor het extra bedrag aan kinderbijslag.
4.1.2.
In artikel 7a, tweede lid, aanhef en onder b, van de AKW is, voor zover hier van belang, bepaald dat een verzekerde die over een kalenderjaar recht heeft gehad op dubbele kinderbijslag, recht heeft op een extra bedrag aan kinderbijslag over dat kalenderjaar wanneer de verzekerde met betrekking tot dat kalenderjaar een fiscale partner heeft en de verzekerde of diens partner in dat kalenderjaar belastbaar loon als bedoeld in artikel 3.80 van de Wet IB 2001 heeft genoten dat niet meer is dan het bedrag, genoemd in artikel 8.14a, eerste lid, onderdeel a, van de Wet IB 2001.
4.1.3.
Artikel 7a van de AKW is met de invoering van de Wet hervorming kindregelingen op 1 januari 2015 in werking getreden. In deze wet is de Regeling tegemoetkoming onderhoudskosten thuiswonende gehandicapte kinderen (TOG) in de AKW geïntegreerd (Kamerstukken II 2012/13, 33716, nr. 3, blz. 17). Ook is daarin de aanvullende tegemoetkoming, het zogenaamde TOG-kopje, ook wel TOGplus genoemd, dat in artikel 5a van de TOG was opgenomen, geïntegreerd (Kamerstukken II 2013/14, 33716, nr. 7, blz. 13, 20 en 21, en nr. 9, blz. 35). Uit de genoemde Kamerstukken blijkt dat de wetgever aanvankelijk het voornemen had om het TOG-kopje te laten vervallen, maar dat toch is besloten de extra tegemoetkoming voor alleenverdieners, zoals die was opgenomen als extra tegemoetkoming in artikel 5a van de TOG, op te nemen in artikel 7a, tweede lid, van de AKW. Ook werd besloten de tegemoetkoming uit te breiden naar alleenstaande ouders omdat zij de zorg niet kunnen delen met een andere ouder (Kamerstukken II 2013/14, nr. 11).
4.1.4.
Volgens vaste rechtspraak houdt het toetsingsverbod van artikel 120 van de Grondwet het verbod in om wetten in formele zin, zoals in dit geval de AKW, te toetsen aan algemene rechtsbeginselen en brengt dit voorts mee dat de rechter niet mag treden in de belangenafweging die de wetgever heeft verricht of geacht moet worden te hebben verricht (zie bijvoorbeeld, in navolging van het arrest van de Hoge Raad van 14 april 1989, ECLI:NL:HR:1989:AD5725 (het Harmonisatiewetarrest), de uitspraak van de Raad van 2 oktober 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:3136). Dit neemt echter niet weg dat, indien sprake is van bijzondere omstandigheden die niet zijn verdisconteerd in de afweging van de wetgever, dit aanleiding kan geven tot een andere uitkomst dan waartoe strikte toepassing van de wet leidt. Dit is het geval indien niet‑verdisconteerde omstandigheden die strikte toepassing zozeer in strijd doet zijn met algemene rechtsbeginselen of (ander) ongeschreven recht dat die toepassing achterwege moet blijven. Deze bijzondere omstandigheden kunnen slechts bij hoge uitzondering worden aangenomen.
4.1.5.
Van bijzondere omstandigheden als bedoeld in 4.1.4 die moeten leiden tot het buiten toepassing laten van de wet is geen sprake. Uit de tekst van artikel 7a, tweede lid, van de AKW blijkt dat de wetgever er bewust voor heeft gekozen om de tegemoetkoming toe te kennen aan een ouder zonder partner, dan wel een ouder met een partner met een belastbaar loon dat niet meer is dan het in artikel 8:14a, eerste lid, onderdeel a, van de Wet IB 2001 genoemde bedrag van € 4.895,-. De Raad heeft daarover in het kader van artikel 5a van de Regeling tegemoetkoming ouders van thuiswonende gehandicapte kinderen geoordeeld dat van deze keuze niet gezegd kan worden dat die zodanig onredelijk is dat de regelgever deze niet had mogen maken (uitspraak van 14 februari 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:455). Van de omstandigheid dat fiscaal partners met een aanzienlijk hoger gezinsinkomen dan appellant en zijn partner wel in aanmerking kunnen komen voor de tegemoetkoming indien één van hen een inkomen onder de toetsingsgrens ontvangt, kan niet gezegd worden dat die niet is verdisconteerd in de keuze die de wetgever heeft gemaakt.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J.P.A. Boersma, in tegenwoordigheid van M.D.F. de Moor als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 juli 2020.
(getekend) J.P.A. Boersma
(getekend) M.D.F. de Moor