Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2020-07-15
ECLI:NL:CRVB:2020:1496
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
2,379 tokens
Inleiding
19 84 WIA
Datum uitspraak: 15 juli 2020
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 4 december 2018, 18/2209 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Procesverloop
Namens appellant heeft mr. W.C. de Jonge, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Partijen hebben nadere stukken ingediend.
Onder toepassing van artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is een onderzoek ter zitting achterwege gebleven, waarna de Raad het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, van de Awb heeft gesloten.
Overwegingen
1.1.
Appellant is laatstelijk werkzaam geweest als medewerker distributiecentrum voor ongeveer 14 uur per week. Op 8 mei 2014 heeft hij zich ziek gemeld met psychische en lichamelijke klachten. Na afloop van de voorgeschreven wachttijd heeft het Uwv aan appellant met ingang van 6 mei 2016 een loongerelateerde WGA-uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) toegekend. De mate van arbeidsongeschiktheid is daarbij vastgesteld op 37,51%. Na afloop van de loongerelateerde periode heeft het Uwv appellant met ingang van 6 oktober 2017 een WGA-vervolguitkering toegekend, waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op 35 tot 45%.
1.2.
In verband met een herbeoordeling heeft appellant het spreekuur bezocht van een arts van het Uwv. Deze arts heeft vastgesteld dat appellant belastbaar is met inachtneming van de beperkingen die zijn neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 11 augustus 2017. Een arbeidsdeskundige heeft functies geselecteerd en op basis van de drie functies met de hoogste lonen de mate van arbeidsongeschiktheid berekend. Het Uwv heeft bij besluit van 1 september 2017 de mate van arbeidsongeschiktheid per 28 augustus 2017 (datum in geding) vastgesteld op 43,24%. De uitkering van appellant wijzigt hierdoor niet. Naar aanleiding van het bezwaar van appellant tegen dit besluit heeft een verzekeringsarts bezwaar en beroep in een rapport van 19 maart 2018 geconcludeerd dat er geen aanleiding is om de FML te wijzigen. Een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft in een rapport van 19 maart 2018 de hoogte van het maatmanloon aangepast, één van de geselecteerde functies verworpen en de mate van arbeidsongeschiktheid opnieuw berekend. Bij beslissing op bezwaar van 16 april 2018 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant gegrond verklaard, het besluit van 1 september 2017 herroepen en de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant vastgesteld op 42,55%.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek zorgvuldig was. De arts heeft dossierstudie gedaan, een anamnese afgenomen en appellant psychisch en lichamelijk onderzocht. Ook de verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft dossierstudie verricht. Daarnaast is hij aanwezig geweest bij de hoorzitting en heeft hij informatie van de behandelend sector in zijn beoordeling betrokken. Verder heeft de rechtbank overwogen dat er geen reden is om te twijfelen aan de juistheid van de medische beoordeling. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft afdoende gemotiveerd waarom er op basis van de brief van i-psy van 18 januari 2018 geen argumenten zijn om verdergaande beperkingen aan te nemen in het persoonlijk en sociaal functioneren. Wat betreft de rugproblematiek heeft de rechtbank van belang geacht dat de arts de stand en functie van de rug heeft onderzocht. De verzekeringsarts bezwaar en beroep beschikte over de MRI-uitslag en heeft gemotiveerd waarom er geen reden is om de beperkingen aan te scherpen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het Uwv voorts terecht geen aanleiding gezien om een urenbeperking aan te nemen, omdat appellant niet voldoet aan de criteria die daarvoor gelden op grond van de Standaard duurbelastbaarheid in arbeid. Tot slot heeft de rechtbank overwogen dat voldoende is gemotiveerd dat de belasting in de geselecteerde functies de mogelijkheden van appellant niet overschrijdt.
3.1.
Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat de rechtbank er ten onrechte aan voorbij is gegaan dat zijn bezwaar gegrond had moeten worden verklaard, omdat het arbeidsongeschiktheidspercentage is gewijzigd. Verder heeft de rechtbank volgens appellant de zorgvuldigheid van de medische beoordeling onvoldoende getoetst door uitsluitend te bekijken welke onderzoeksactiviteiten het Uwv heeft verricht. Ten onrechte is eraan voorbij gegaan dat het lichamelijk onderzoek door de primaire arts was gericht op de diagnose aspecifieke rugklachten. Nu bij appellant sprake is van een hernia, kan dit onderzoek niet als voldoende worden beschouwd. Bovendien blijkt uit het feit dat de FML geldig is vanaf 1 februari 2017 dat het onderzoek geen betrekking heeft gehad op de datum in geding. Wat betreft de vastgestelde beperkingen heeft appellant erop gewezen dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep is uitgegaan van andere diagnoses dan de primaire arts. Onvoldoende is gemotiveerd waarom de gewijzigde diagnoses geen aanleiding zijn geweest om de beperkingen aan te scherpen. Ook is de duurbelastbaarheid niet beoordeeld conform de Standaard duurbelastbaarheid in arbeid. Onder verwijzing naar het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 8 oktober 2015 (ECLI:CE:ECHR:2015:1008JUD007721212, Korošec) heeft appellant verzocht om benoeming van een onafhankelijke deskundige. Hij is van mening dat een rechter, nu deze geen arts is, niet kan oordelen over de juistheid van de medische beoordeling. Appellant heeft ten slotte verzocht om vergoeding van schade in de vorm van wettelijke rente.
3.2.
Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Van gedeeltelijke arbeidsgeschiktheid van een verzekerde is op grond van artikel 5 van de Wet WIA sprake als hij als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van onder meer ziekte of gebrek slechts in staat is met arbeid ten hoogste 65% te verdienen van het maatmaninkomen per uur, maar niet volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is. Op grond van artikel 6, eerste lid, van de Wet WIA wordt de beoordeling van de arbeidsongeschiktheid gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek.
4.2.
In geschil is de vraag of het Uwv de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant in de zin van de Wet WIA met ingang van 28 augustus 2017 terecht heeft vastgesteld op 42,55%.
4.3.
Met de rechtbank wordt geoordeeld dat het medisch onderzoek zorgvuldig is verricht. De overwegingen die tot dit oordeel hebben geleid, worden onderschreven. De grond dat het lichamelijk onderzoek inadequaat was omdat de primaire arts daarbij is uitgegaan van de diagnose aspecifieke rugpijn, slaagt niet. De rechtbank heeft terecht overwogen dat de wijze waarop het lichamelijk onderzoek wordt verricht niet afhankelijk is van de gestelde diagnose. Bovendien blijkt uit het rapport van 11 augustus 2017 dat de primaire arts, ondanks het ontbreken van overtuigende afwijkingen bij onderzoek, het bestaan van een hernia heeft aangenomen. Evenmin bestaat aanleiding om te oordelen dat het onderzoek geen betrekking had op de datum in geding. De primaire arts heeft geconcludeerd dat de benutbare mogelijkheden van appellant per 1 februari 2017 zijn afgenomen en dat deze situatie nog voortduurt. Hieruit blijkt dat de primaire arts niet alleen onderzoek heeft gedaan naar de medische situatie van appellant op 1 februari 2017 maar ook naar de actuele situatie op het moment van afronding van zijn onderzoek in augustus 2017. Daar komt bij dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep in het rapport van 10 mei 2019 inzichtelijk heeft toegelicht dat er geen aanleiding is om aan te nemen dat de belastbaarheid van appellant tussen 1 februari 2017 en 28 augustus 2017 is gewijzigd. Er is geen reden om de verzekeringsarts bezwaar en beroep hierin niet te volgen.
4.4.
Ook het oordeel van de rechtbank dat er geen aanleiding is om te twijfelen aan de juistheid van de medische beoordeling wordt onderschreven. In verband met de psychische en lichamelijke klachten van appellant zijn in de FML van 11 augustus 2017 beperkingen vastgesteld in het persoonlijk en sociaal functioneren, de fysieke belastbaarheid en de werktijden.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep
- bevestigt de aangevallen uitspraak;
- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.
Deze uitspraak is gedaan door A.I. van der Kris, in tegenwoordigheid van R.H. Koopman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 juli 2020.
(getekend) A.I. van der Kris
(getekend) R.H. Koopman